Try it out
Reformatorisch Dagblad

Demonen in een studentenhuis
Over de wereld van demonen en duivels verschijnen de laatste tijd vrschillende romans. Christelijke schrijvers hebben het thema ontdekt en schromen niet in hun fantasie erop los te laten. Erik de Gruijter levert een bedenkelijke bijdrage aan dit genre. ’Exousia’ is een psycholgische thriller met een voor- en nawoord.

Sander versteeg is het zat thuis, hij gaat op kamers. Bovendien heeft hij een verleidelijk aanbod gekregen: in een studentenhuis in Arnhem is een plaats vrijgekomen. Zijn ouders en zijn vriendein Carla –serieuze leden van een afgescheiden, snelgroeiende evangelische gemeente in Wageningen- zijn minder enthousiast, maar Sander zet door. Het studentenhuis draagt de naam ‘Exousia’ de Griekse term voor een gebied waar alleen de bewoners het voor het zeggen hebben, niet gehinderd door eninge autoriteit van buitenaf. Dat dit een toepasselijke naam is merkt Sander al heel gauw. De jongens en meisjes van ‘Exousia’ vormen samen een bijzondere hechte gemeenschap, met een onbegrensde vrijheid. ‘Zielverwanten’ noemt Matthijs henm,” leden van een lichaam.
Om volwaardig lid van deze gemeenschap te kunnen worden moet Sander een inwijdingsprocedure ondergaan, compleet met pseudo-godsdienstige rituelen, eedaflegging en het brengen van een persoonlijk offer. Om aan deze laatste voorwaarde te kunnen voldoen, steelt hij twee kostbare perkamenten –bijbelse handschriften uit het begin van de jaartelling- uit de kluis van zijn aanstaande schoonvader, voorganger in de evangelische gemeente in zijn geboorteplaats.
Als de bewoners van ‘Exousia’ de perkamenten bestuderen, merken ze tot hun verrassing dat in de tekst het woord ‘exousia’ voorkomt. De handschriften bevatten delen van de brief van de apostel Paulus aan efeze, waarin hij oproept de geestelijke wapenrusting van God aan te doen. ‘Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten (‘exousiai’), tegen de geweldhebbers van deze wereld, van de duisternis dezer eeuw, tegen d geestelijke boosheden in de lucht.’
De machten waar Paulus over spreekt, zijn in ‘Exousia’ maar al te reeel aanwezig. Ze bepalen het denken en handelen van de bewoners, terwijl ze mene volkomen vrij te zijn, los van de kenellende banden van opvoeding en gezag. Sander raakt meer en meer in de ban van de gemeenschap; zelfs de zelfmoorden die in het huis plaatsvinden, brengen hem niet tot bezinning.
Ten slotte bereikt hij een stadium van regelrechte waanzin. Met zijn kornuiten gaat hij, daartoe ingefluisterd door de demon, op een zondag naar Wageningen en stapt de school binnen waar de gemeente van zijn ouders in een kerkdienst bijeen is. Sander heeft het gemund op de voorganger Joost Renting, Die hij verantwoordlijk houdt voor de dood van zijn vader. De schietpartij eindigt in een chaos. Slechts het onbeschroomde optreden van een eenvoudig gemeentelid voorkomt dat er dodelijke slachtoffers vallen.

Weerstand
Afgezien vab nogal wat taal-, spel- en stijlfouten is ‘Exousia’ een merkwaardig boek. Dat bewijst de structuur al. Erik de Gruijter heeft het nodig gevonden zowel een voor- als een naawoord teschrijven. Blijkbaar begreep hij bij voorbaat dat het verhaal veel weerstand zou oproepen. Maar dan is er iets mis met het boek. Een roman die zo veel toelichting nodig heeft mist klaarblijkelijk voldoende overtuigingskracht. Bovendien is deze aanpak niet helemaal eerlijk. De schrijver dekt zich bij voorbaat in tegen eventuele kritiek op de inhoud. ‘Exousia” gaat over het badwater, niet over het kind’, verontschuldigt hij zich, doelend op de inktzwarte geschiedenis die hij aan het papier heeft toevertrouwd. ‘Het kind speelt in dit verhaal slechts een zeer zijdelingse rol. Een onvoorbereide lezer zou kunnen concluderen dat er geen kind is, of misschien zelfs dat ik het kind probeer te ontkennen, maar dat is niet mijn opzet.’
De Gruijter wil de zelfgenoegzame, christelijke lezer wakker te schudden. ‘Laten we eerlijk zijn. Waar gehakt wordt, vallen spaanders. Zijn we ons bewust van onze spaanders? Durven we ze te zoeken, te benoemen, onszelf ermee een spiegel voor te houden?’ Spaanders vallen er genoeg in ‘Exousia’. Behalve dat Sander het verkeerde pad opgaat en zich laat verleiden door de roodharige Mirjam, gaat het in de evangelische gemeente thuis ook niet goed. Ondanks het bidden van de geloofsgenoten overlijdt zuster Anna na een ernstige ziekte. Het wordt gezien als een overwinning van de duivel, een aanfluiting tegenover de concurrerende gemeente ‘De Lichtbaak’. De verloving tussen Sander en Carla Renting raakt op een genante manier uit. Het huwelijk van Sanders ouders loopt spaak. Vader, nota bene lid van de broederraad, kiest de kant van zijn zoon en pleegt in een overspannen toestand zelfmoord. Voorganger Renting heeft de zaak steeds minder onder controle.

Verwarring
Als het de opzet van Erik de Gruijter is de lezer na de laatste zin in opperste verwarring achter te laten, is hij daar meesterlijk in geslaagd. Heeft hij nu werkelijk niet meer te vertellen dan dat het badwater wel heel erg nat is? In positieve zin krijgt de lezer nagenoeg niets mee. Identificatiefiguren in de goede zin van het woordt zijn er nauwelijks. Alleen de man van Anna, Herman Smit, straalt iets uit van gelovig vertrouwen. Hij is het die tenslotte met zachte woorden en dwingende ogen Sander afhoudt van een –letterlijke- duivelse slachtpartij.
Christenen zijn geen heiligen, dat hebben roman schrijvers in het verleden wel eens al te gemakkelijk uit het oog verloren. Erik de Gruijter schildert ze zonder terughoudheid in hun zwakste momenten, pikante bedscenes incluis. Waarom? ‘Het verhaal vraagt erom’, luid zijn antwoord. En: ‘Waanzin beschrijf je niet met bloemletters.’ Dat zal waar zijn, maar waar dient het beschrijven van waanzin toe? Wat voegt ‘Exousia’ in positieve zin toe aan de zwartgalige literatuur die veel moderne schrijvers op de markt brengen? De Gruijter verweerd zich in het voorwoord: ‘In dit verhaal past (…) geen happy end. Of misschien ook wel, dat laat ik in het midden.’ Uitzicht, een bijbels perspectief, redding en genade ontbreken pijnlijk. En dat vooral is de schrijver aan te rekenen, al zegt hij zelf wel in een ‘happy end’ te geloven. ‘Zeker wel op e langen termijn. Wat dat betreft verwijs ik graag naar mijn eindtijdthriller ‘De laatste week’.’ Maar daar schiet de lezer van ‘Exousia’ niets mee op.
De enige ‘raadgeving’ die De Gruijter geeft, is een vage opmerking van Herman Smit: ‘Wij worden gelukkigere mensen als we Zijn wil zoeken, als we proberen te luisteren naar dat stemmetje binnen in ons. Ken jij dat, Sander, dat stemmetje?’ Alsof dat de manier is waarop de Bijbel over het geloof spreekt.

Extreem
Daar komt nog een bedenkelijke kant van de zaak bij. De Gruijter schetst gebeurtenissen die extreem, zo niet ongeloofwaardig zijn. Terwijl hij juist probeert de realiteit van de duistere machten te onderstrepen. Het verhaal overtuigt niet, mist de aansluiting bij de belevingswereld van de lezer. De Gruijter weet dat zelf ook. In het nawoord haalt hij z’n schouders over op. ‘Weet u, eerlijk gezegd bekommer ik mij niet zozeer om de realiteitsgehalte van de fysieke aanwezigheid van een demon in een studentenhuis.’ Het gaat hem om de les die de lezer uit het verhaal kan leren, maar daarmee komt de boodschap min of meer los van het vertelde en dus op losse schroeven te staan. Bij de lezer kan makkelijk de gedachte postvatten dat het allemaal zo’n vaart niet loopt. Wat Sander meemaakt, overkomt toch niemand? De geruststellende gedachte dringt zich op dat satan zich gemakkelijk laat herkennen.. Terwijl hij zich juist ook voordoet als ‘engel des lichts’, subriel, geraffineerd en ongemerkt.

G. Ligtenberg

Bron: Reformatorisch dagblad 11 juli 2001
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584