Try it out
Lees hoofdstuk 1
12 Manden vol deel 2
 
Boek kaft: 12 Manden vol deel 2

Hoofdstuk 1

DIENST AAN HET HUIS OF AAN DE HEER

‘Maar de levitische priesters, de zonen van Zadok, die de dienst in mijn heiligdom in acht genomen hebben, toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen om Mij te dienen, en zij zullen in mijn dienst staan om Mij vet en bloed te brengen, luidt het woord van de Here HERE. Die zullen mijn heiligdom binnengaan, en die zullen tot mijn tafel naderen om Mij te dienen, en zij zullen mijn dienst waarnemen. Wanneer zij dan de poorten van de binnenste voorhof ingaan, zullen zij linnen klederen aantrekken; zij mogen geen wol dragen, als zij dienst doen in de poorten van de binnenste voorhof of in het huis. Linnen hoofddoeken zullen op hun hoofd zijn en linnen broeken aan hun heupen, zij zullen zich niet omgorden met iets dat doet zweten’ (Ez. 44:15-18).

Laten wij vooropstellen dat er ogenschijnlijk weinig verschil bestaat tussen dienst aan het huis en dienst aan de Heer. Velen van u spannen zich tot het uiterste in om uw broeders te helpen; u werkt hard om zondaren te behouden en om de zaken van de gemeente te behartigen. Maar mag ik u vragen: hebt u ernaar gestreefd de nood om u heen te lenigen, of hebt u ernaar gestreefd de Heer te dienen? Hebt u uw medemensen op het oog of Hem?
Laten wij heel eerlijk zijn. Het werk voor de Heer heeft zonder twijfel zijn aantrekkelijke kanten voor het vlees. Misschien vindt u het geweldig interessant en misschien geeft het u een heerlijk gevoel wanneer er drommen mensen komen om u te horen prediken en als er velen gered worden. Wanneer u echter thuis moet blijven en van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat bezig bent met wereldse zaken, dan denkt u: ‘Wat is het leven zinloos! Wat zou het geweldig zijn als ik eropuit kon trekken om de Heer te dienen! Als ik maar vrij was om te gaan prediken, of tot mensen kon gaan spreken over Hem!’ Maar dat heeft niets te maken met geestelijk zijn. Dat is niets anders dan uw natuurlijke voorkeur. O, als wij toch eens konden inzien dat zoveel werk dat voor God gedaan wordt, eigenlijk geen dienstwerk voor Hem is! Hij heeft ons zelf verteld dat er een groep was van Levieten die druk bezig waren met bedienen in de tempel en die toch Hem niet dienden; zij dienden alleen het huis. Dienst aan het huis en dienst aan de Heer lijken zozeer op elkaar, dat het vaak moeilijk is er enig verschil tussen te zien. Als een Israëliet naar de tempel kwam en God wilde aanbidden, dan kwamen die Levieten hem te hulp bij het brengen van zijn vredeoffer. Zij hielpen hem het offerdier naar het altaar te trekken en slachtten het voor hem. En dat was zonder twijfel een heerlijk werk om bij betrokken te zijn: zondaren terug te brengen en gelovigen nader tot de Heer te leiden! En God hield rekening met de dienst van die Levieten, die de mensen hielpen bij het naar het altaar brengen van hun vredeoffers en hun brandoffers.
Toch zei Hij dat dit geen dienst aan Hemzelf was. Broeders en zusters, er ligt mij een zware last op het hart: dat u zult beseffen waar God op uit is. Hij wil dienaren, die Hem zullen dienen. ‘Zij zullen tot Mij naderen om Mij te dienen; en zij zullen in mijn dienst staan om Mij vet en bloed te brengen ... zij zullen mijn dienst waarnemen.’
Wat ik het meest van alles vrees, is dat velen van u eropuit zullen trekken en zondaren winnen voor de Heer en gelovigen opbouwen in het geloof, zonder Hemzelf te dienen. Veel van de zogenaamde dienst aan Hem is niets anders dan het volgen van onze eigen natuurlijke neigingen. Wij zijn zo actief van aanleg dat wij het thuis onmogelijk uit kunnen houden. Wij moeten eropuit. Dus rennen wij rond voor ons eigen gerief. Wij dienen misschien zondaren en wij dienen misschien gelovigen, maar al die tijd dienen wij ons eigen vlees. Ik heb een goede vriendin gehad, die nu bij de Heer is. Op een goede dag lazen wij, nadat wij samen gebeden hadden, dit gedeelte uit Ezechiël.
Zij was veel ouder dan ik en ze zei het volgende tegen mij: ‘Mijn jonge broeder, het is nu twintig jaar geleden dat ik dit Schriftgedeelte voor het eerst bestudeerde.’ ‘Wat was uw reactie erop?’ vroeg ik. Zij antwoordde: ‘Zodra ik het stuk uitgelezen had, heb ik mijn bijbel dichtgedaan en ben voor de Heer neergeknield en heb Hem gevraagd: ‘Heer, maak mij iemand die U zal dienen en niet de tempel’. Kunnen wij haar dat nabidden?
Maar wat bedoelen wij nu eigenlijk wanneer wij spreken over de Heer dienen of de tempel? Laten wij nog eens het gedeelte lezen uit Ezechiël 44. Er staat: ‘... die zullen tot Mij naderen om Mij te dienen; en zij zullen in mijn dienst staan om Mij vet en bloed te brengen, luidt het woord van de Here HERE.’ De voorwaarden voor iedere bediening die waarlijk de naam dienst aan de Heer kan dragen, zijn: naderen tot Hem en staan voor Hem.
Wat valt het ons vaak moeilijk onszelf los te scheuren om in Zijn tegenwoordigheid te komen! Wij zijn bang voor de eenzaamheid, en zelfs als wij ons lichamelijk weten los te maken, zijn onze gedachten toch nog altijd met de dingen van de wereld bezig. Velen van ons vinden het heerlijk om onder mensen te werken, maar hoe velen van ons kunnen tot God naderen in het heilige der heiligen? Toch kunnen wij Hem alleen maar dienen als wij tot Hem naderen. In Gods tegenwoordigheid te verschijnen en een uur lang voor Hem neer te knielen vergt alle kracht die wij bezitten. Wij moeten ons met alle kracht inspannen om niet te wijken. Maar iedereen die de Heer dient weet hoe kostbaar zulke tijden in Zijn nabijheid zijn, hoe goed het is midden in de nacht te ontwaken en een uur in gebed door te brengen, of heel vroeg in de morgen wakker te worden en op te staan voor een uur van gebed vóór de laatste slaap van de nacht. Laat ik heel eerlijk met u zijn. Tenzij wij werkelijk weten wat het betekent te naderen tot God, kunnen wij Hem niet dienen. Het is onmogelijk om op een afstand te blijven staan en Hem toch te dienen. Wij kunnen Hem niet dienen op een afstand. Er is maar één plaats waar dienst aan Hem mogelijk is en dat is op de heilige plaats. In de voorhof benadert u de mensen; in het heilige nadert u tot de Heer. Het gedeelte dat wij aanhaalden, onderstreept de noodzaak tot God te naderen als wij Hem willen dienen. Het spreekt ook van het staan voor Zijn aangezicht om te dienen. Het schijnt mij toe dat wij in onze tijd altijd maar in beweging willen zijn; wij kunnen niet stilstaan. Er zijn zoveel dingen die onze aandacht vragen, dat wij onafgebroken in beweging zijn. Wij kunnen geen ogenblik stoppen. Maar een geestelijk mens kan stilstaan. Hij kan blijven staan voor God, totdat God hem Zijn wil bekend maakt. Hij kan staan wachten op orders. Ik richt mij graag speciaal tot mijn medewerkers. Mag ik u vragen: is niet al uw werk vastomlijnd en goed georganiseerd? En wordt het niet volgens plan uitgevoerd? En moet het niet in grote haast gebeuren? Zou u ertoe te brengen zijn eens stil te staan en een poosje niet te bewegen? Dat is waar het hier over gaat: ‘in mijn dienst staan’. Niemand kan de Heer dienen, die de betekenis niet kent van deze woorden: ‘zij zullen tot Mij naderen om Mij te dienen’. En niemand kan Hem dienen, die niet ook dit volgende verstaan heeft: ‘Zij zullen in mijn dienst staan’. Broeders, gelooft u niet dat iedere dienstknecht moet wachten op de bevelen van zijn meester, vóór hij probeert hem te dienen? Er zijn slechts twee soorten zonde voor God. De ene is de zonde van rebellie tegen Zijn orders, dat wil zeggen, weigeren te gehoorzamen als Hij Zijn bevelen geeft. De andere is de zonde van het zelf maar aan de gang gaan, wanneer de Heer geen orders heeft gegeven. De ene is rebellie, de andere eigenmachtig handelen. De ene is niet doen wat de Heer van je vraagt; de andere is doen wat de Heer niet van je heeft gevraagd. Staan voor de Heer doet iets aan de zonde van het doen wat de Heer niet van je heeft gevraagd. Broeders en zusters, hoeveel van het werk dat u gedaan hebt, is gebaseerd geweest op een duidelijk bevel van de Heer? Hoeveel hebt u ondernomen, Zijn directe instructies volgend? En hoeveel hebt u gedaan, eenvoudigweg omdat het iets goeds was om te doen? Laat mij u zeggen dat niets de belangen van de Heer zozeer schaadt als ‘iets goeds’. ‘Goede dingen’ zijn de grootste obstakels voor de realisering van Zijn wil. Zodra wij te maken krijgen met iets kwaads of onreins, herkennen wij het dadelijk als iets dat een christen hoort te mijden. En daarom zijn dingen die duidelijk slecht zijn, niet zozeer een gevaar voor de zaak van de Heer als goede dingen. U denkt: dít zou niet verkeerd zijn, of dàt is het best denkbare onder de gegeven omstandigheden. En dan doet u het dus zonder zich af te vragen of het de wil van God is. O ja, wij die Zijn kinderen zijn, weten allen dat wij niet iets slechts moeten doen, maar wij menen dat als ons geweten ons maar niet verbiedt om iets te doen, of als iets in onze ogen positief en goed is, dit reden genoeg is om het ook maar te doen. Wat u van plan bent te doen kan best heel goed zijn, maar staat u wachtend voor de Heer, om Zijn bevelen dienaangaande te vernemen? ‘Zij zullen in mijn dienst staan’ houdt in dat wij stil blijven staan in Zijn tegenwoordigheid en weigeren verder te gaan, tot Hij Zijn orders geeft. Dat betekent dienst aan de Heer. In de voorhof is het de menselijke nood die onze daden richt. Er hoeft maar iemand binnen te komen die een os wil offeren of een schaap, en er is voor u werk aan de winkel. Maar in het heilige der heiligen heerst volmaakte eenzaamheid. Geen mens komt daar binnen. Hier regeert er geen broeder of zuster over ons en geen comité regelt hier onze zaken. In het heilige der heiligen is er slechts de Heer die het voor het zeggen heeft. Als Híj mij een taak opdraagt, voer ik die uit; als Hij mij geen taak opdraagt, voer ik er geen uit. Er wordt echter iets van ons verwacht als wij voor de Heer staan om Hem te dienen. Wij moeten Hem ‘vet en bloed’ offeren. Het bloed beantwoordt aan de eisen van Zijn heiligheid en gerechtigheid; het vet voldoet aan de voorwaarden van Zijn heerlijkheid. Het bloed handelt af met onze zonde; het vet heeft te maken met Zijn welgevallen. Het bloed verwijdert alles wat tot de oude schepping behoort; het vet introduceert de nieuwe schepping. En dit betekent meer dan alleen maar een geestelijke leerstelling. Ons zieleleven was betrokken bij de uitstorting van Zijn ziel in de dood. Toen Hij Zijn eeuwig onverderfelijk bloed vergoot, goot Hij niet slechts Zijn eigen leven uit, maar Hij goot al het leven uit dat de mens door natuurlijke geboorte bezat. En Hij stierf niet alleen, maar Hij stond ook op uit de doden en ‘het leven dat Hij nu leeft, leeft Hij voor God’. Hij leeft tot Gods welgevallen. Hij offert ‘vet en bloed’. En ook wij moeten, willen wij de Heer dienen, vet en bloed offeren. En dit onmogelijke wordt mogelijk door wat Hij heeft gedaan. Maar zo’n bediening is beperkt tot een bepaalde plaats. ‘Die zullen mijn heiligdom binnengaan, en die zullen tot mijn tafel naderen, om Mij te dienen, en zij zullen mijn dienst waarnemen’ (vers 16). Het dienen dat ‘Mij dienen’ is, gebeurt in het binnenste van het heiligdom, in het verborgene, niet in de voorhof voor het oog van de mensen. De mensen denken wellicht dat wij niets uitvoeren, maar dienst voor God in het heiligdom gaat de dienst aan mensen in de voorhof verre te boven. Broeders en zusters, laten wij gaan leren wat het betekent voor de Heer te gaan staan en op Zijn orders te wachten, alleen op Zijn bevel te dienen en ons door geen andere overweging te laten leiden dan door de overweging van Zijn wil. In hetzelfde gedeelte lezen wij hoe zij, die in de dienst van de Heer willen staan, gekleed moeten zijn. Zij zullen ‘linnen klederen aantrekken; zij mogen geen wol dragen, als zij dienst doen in de poorten van de binnenste voorhof in het huis. Linnen hoofddoeken zullen op hun hoofd zijn en linnen broeken aan hun heupen.’ Zij die in de dienst van de Heer staan mogen geen wol dragen. Waarom niet? De reden volgt eronder: ‘Zij zullen zich niet omgorden met iets dat doet zweten.’ Geen enkel werk dat zweet veroorzaakt, wordt door de Heer aanvaard. Maar wat betekent ‘zweet’ eigenlijk? Wij weten allen dat er voor het eerst van ‘zweet’ sprake is als Adam uit de Hof van Eden wordt verdreven. Nadat Adam had gezondigd sprak God dit oordeel over hem uit: ‘Om uwentwil is de aardbodem vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft ...; in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten’ (Gen. 3:17-19). Het is duidelijk dat zweet een conditie van de vloek is. Omdat de vloek op de aardbodem rustte, bracht deze niet langer zijn vrucht voort zonder de inspanning van de mens, en deze inspanning veroorzaakte zweet. Als de Heer Zijn zegen onthoudt, wordt het nodig zich in het vlees in te spannen, en dat veroorzaakt zweet. Elk werk dat zweet veroorzaakt, is absoluut verboden voor hen die in de dienst van de Heer staan. Maar wat zien wij vandaag? Een geweldige hoeveelheid energie, die aan het werk voor de Heer wordt gespendeerd! Helaas! Weinig christenen kunnen in onze dagen nog werk verzetten zonder ervoor te zweten. Zij moeten een planning maken en een programma opstellen; oproepen worden er gedaan en aanmaningen gaan uit. En er is heel veel heen en weer geren. Het komt niet dan met heel veel vleselijke ijver voor elkaar. Als er vandaag geen zweet is, is er geen werk. Vóór er een werk voor God ter hand genomen kan worden, wordt er heel wat heen en weer gehold, om een heleboel contacten te leggen. Er moet overlegd worden en gediscussieerd en tenslotte moet er de goedkeuring verkregen worden van diverse personen vóór er begonnen kan worden. Maar van rustig wachten in de tegenwoordigheid van de Heer is geen sprake, evenmin als van het zoeken van Zijn instructies. Toch is de enige factor waarmee wij in geestelijk werk rekening dienen te houden, God. En de enige persoon met wie wij contact moeten opnemen, is God. O ja, dàt is het wat geestelijk werk zo heerlijk maakt, het is met God verbonden. En in deze verbondenheid met Hem is er dan werk te verzetten. Maar dat is werk dat geen zweet veroorzaakt. Als wij het werk bekendheid moeten geven en ons geweldige inspanning moeten getroosten om het te bevorderen, dan is het heel duidelijk niet een voortvloeisel van gebed in Gods tegenwoordigheid. Gelooft u mij alstublieft, wanneer ik u verzeker dat alle werk dat werkelijk geestelijk is, gedaan wordt in Gods tegenwoordigheid. Als u echt in Gods tegenwoordigheid werkt, zullen de mensen, als u bij hen komt, ook reageren. Dan hoeft u niet een eindeloze reeks middelen te gebruiken om hen te helpen. Geestelijk werk is Gods werk en als God werkt, hoeft de mens zich niet zo in te spannen dat hij ervan gaat zweten. Broeders en zusters, laten wij onszelf vandaag in alle eerlijkheid onderzoeken voor Gods aangezicht. Laten wij Hem vragen: ‘Dien ik U, of dien ik het werk? Is mijn dienstwerk ‘voor de Heer’ of is het ‘voor het huis’?’ Als u voortdurend baadt in het zweet, dan kunt u daar zelf de conclusie uit trekken dat u bezig bent het huis te dienen en niet de Heer. Als al uw bedrijvigheid zich richt op noden van mensen, dan kunt u er zeker van zijn dat u mensen dient en niet God. Ik acht het werk van het slachten van offerdieren bij het altaar niet gering. Ook dat is werk voor God en het moet door iemand gedaan worden; maar God wil meer dan dat. God kan niet iedereen ertoe krijgen Hemzelf te gaan dienen, want velen van de zijnen willen dat heerlijk opwindende leven van de buitenste voorhof niet verlaten. Zij willen veel liever mensen dienen. Maar hoe staat het met ons? O, dat wij toch vandaag tegen de Heer mochten zeggen: ‘Ik ben bereid de dingen in de steek te laten. Ik ben bereid de buitenste voorhof in de steek te laten om U te dienen in het binnenste heiligdom.’ Toen God er geen kans toe zag alle Levieten zover te krijgen dat zij bereid waren Hemzelf te dienen, koos Hij de zonen van Zadok uit hun midden voor deze speciale dienst. Waarom koos Hij de zonen van Zadok? Omdat zij, toen de kinderen Israëls afdwaalden, onderkenden dat de buitenste voorhof onherstelbaar bezoedeld was. Dus deden zij geen moeite die te behouden, maar zij legden zich erop toe de heiligheid van het heilige te behouden. Broeders en zusters, kunt u het opbrengen om het uiterlijke bouwsel te laten vervallen, of wilt u per se telkens weer steigers oprichten om het in stand te houden? God is erop uit het heilige te behouden - een plaats die volkomen voor Hem gereserveerd is, een plaats waar alleen absolute maatstaven gelden. O, ik bezweer u voor God, dat u toch Zijn roepstem zult horen om de buitenste voorhof te verlaten en u te wijden aan Zijn dienst in het heilige. Ik lees zo graag Handelingen 13, over de profeten en leraars in de gemeente te Antiochië, waar ‘terwijl zij vastten bij de dienst des Heren’, de heilige Geest zei: ‘Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb.’ Hier zien wij het enig geldende principe voor werk voor God in de nieuwtestamentische bedeling. De heilige Geest draagt mensen alleen dàn werk op, wanneer zij de dienst des Heren verrichten. Tenzij deze dienst des Heren ons leven beheerst, zal het werk in verwarring raken. Bij het begin van de geschiedenis der gemeente in Antiochië, zei de heilige Geest: ‘Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb.’ God wil geen vrijwilligers voor Zijn werk; Hij wil dienstplichtigen. Hij wil niet dat u het evangelie gaat prediken omdat u daar zelf zin in hebt. Het werk van de Heer ondervindt grote schade in deze dagen door de handen van vrijwilligers. En er is gebrek aan mensen die kunnen zeggen zoals Hij: ‘Hij, die Mij gezonden heeft ...’ O, broeders en zusters, het werk van God is Gods eigen werk en het is geen werk dat u ter hand kunt nemen als u daar zin in hebt. Kerken, zendingsgenootschappen of evangelisatiegenootschappen kunnen geen mensen uitzenden om voor God te werken. De bevoegdheid om mensen zo’n opdracht te geven berust niet bij mensen, maar ligt uitsluitend in handen van de Geest van God. Als wij dienst doen voor de Heer wil dat niet zeggen dat wij onze medemensen niet dienen, maar het betekent wel dat aan alle dienst aan mensen dienst aan God ten grondslag ligt. Het is de dienst jegens God die ons dringt om uit te gaan tot de mens. In Lucas 17:7-10 wordt ons duidelijk gezegd waar het de Heer om te doen is. Er is hier sprake van twee soorten werk - de akker ploegen en het vee hoeden - beide zeer belangrijke bezigheden. Toch zegt de Heer dat er van een dienstknecht die van zulk werk thuiskomt, verwacht wordt dat hij zal zorgen voor het welzijn van zijn heer, eer hij zelf gaat zitten eten. Wanneer wij teruggekeerd zijn van onze arbeid op het veld, hebben wij de neiging om vergenoegd terug te zien op het vele werk dat wij verzet hebben. Maar dan zal de Heer zeggen: ‘Schort uw kleren op en bedien Mij.’ Hij verwacht dat Hij zelf bediend wordt. Wij mogen dan al op een uitgestrekt veld hebben gearbeid en vele schapen gehoed hebben, toch zal al onze arbeid op het veld en al onze zorg voor de schapen ons niet vrijstellen van het dienen van de Heer en het zorgen voor Zijn persoonlijke behoeften. Dat is onze allerhoogste taak. Broeders en zusters, waarnaar gaat ons verlangen werkelijk uit? Alleen naar het werk op het veld? Alleen de prediking van het evangelie aan hen die verloren gaan? Alleen de zorg voor de kudde, alleen het toezien op de noden van hen die behouden zijn? Of zijn wij eropuit ervoor te zorgen dat de Heer kan eten tot Hij werkelijk verzadigd is en drinken totdat Zijn dorst is gelest? Natuurlijk moeten wij ook eten en drinken, maar daarvan kan geen sprake zijn dan nadat de Heer voldaan is. Ook wij moeten onze vreugden hebben, maar dat kan nooit dan nadat Zijn blijdschap vervuld is. Laten wij ons afvragen: wordt met ons werk onze eigen voldoening gediend, of die van de Heer? Ik vrees dat wanneer wij voor de Heer gewerkt hebben, wij vaak geweldig voldaan zijn voordat Hij voldaan is. Wij zijn vaak erg tevreden met ons werk, terwijl Hij er geen vreugde aan heeft beleefd. Broeders en zusters, wanneer u en ik ons uiterste best hebben gedaan, dan moeten wij nog bekennen onnutte slaven te zijn. Ons doel is niet dienst aan de wereld, of dienst aan de gemeente, maar dienst aan de Heer. En zalig zijn zij, die weten te onderscheiden tussen dienst aan zondaren of heiligen en dienst aan Hem. Dit onderscheidingsvermogen verkrijgt men niet gemakkelijk. Alleen als wij langdurig drastisch onderhanden worden genomen, zullen wij het onderscheid leren tussen dienst aan de Heer zelf en dienst aan het huis. Wanneer echter de heilige Geest in ons leven vrij baan heeft, zal Hij blijken tegen deze taak opgewassen te zijn. Laten wij genade zoeken bij God, dat Hij ons moge openbaren wat het werkelijk zeggen wil Hem te dienen!

Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584