Try it out
Lees hoofdstuk 1
Uitdagingen van deze tijd in bijbels perspectief
 
Boek kaft: Uitdagingen van deze tijd in bijbels perspectief

1. Betrokkenheid: gaat het ons iets aan?

Het is buitengewoon vreemd dat het ooit nodig zou zijn volgelingen van Jezus Christus te vragen of ze ze zich wel inlaten met sociale betrokkenheid en dat er een heftig dispuut gevoerd zou moeten worden over de relatie tussen evangelisatie en sociale verantwoordelijkheid. Want het is zonder meer duidelijk dat Jezus in zijn publieke bediening zowel ‘rondtrok... en leerde... en verkondigde’ (Matt. 4:23; 9:35) en ‘is rondgegaan, weldoende en genezende allen’ (Hand. 10:38). En bijgevolg ‘zijn evangelisatie en sociale zorg de hele kerkgeschiedenis door nauw met elkaar verbonden geweest... Christenen hebben zich vaak met beide activiteiten beziggehouden zonder daar verder over na te denken en zonder het gevoel te hebben dat ze moesten uitleggen waarom ze dat deden.’1

De evangelische erfenis van sociale zorg2

Hiervan zijn een aantal opmerkelijke voorbeelden te geven uit het achttiende-eeuwse Europa en Amerika. Bij de evangelische opwekking, die beide continenten in beroering bracht, moet niet alleen gedacht worden aan de prediking van het evangelie en de bekering van zondaren tot Christus; de opwekking leidde ook tot wijdverbreide liefdadigheid en had een grote invloed op de maatschappij aan beide zijden van de Atlantische Oceaan. John Wesley blijft het meest opvallende voorbeeld. Er wordt voornamelijk aan hem gedacht als de rondtrekkende evangelist en de prediker in de open lucht. En dat was hij ook. Maar het evangelie dat hij predikte, inspireerde mensen ertoe sociale taken in de naam van Christus op zich te nemen. Volgens historici is het met name de invloed van Wesley geweest die Engeland bewaard heeft voor de verschrikkingen van een bloedige revolutie zoals in Frankrijk.3
De verandering die zich in deze periode in Engeland voltrok, wordt goed gedocumenteerd beschreven in het opmerkelijke boek van J. Wesley Bready, England Before and After Wesley, met als ondertitel: ‘The Evangelical Revival and Social Reform’. Zijn onderzoek bracht hem ertoe de conclusie te trekken dat ‘de ware voedster van geestelijke en karakterologische waarden die in de hele Engelstalige wereld Vrije Instituten creëerden en onderhielden, inderdaad, ‘de morele bedding van de Anglo-Saksische geschiedenis, de veel verwaarloosde en dikwijls gesmade evangelische opwekking was.’4
Bready geeft een beschrijving van ‘de grote barbaarsheid van een groot deel van de achttiende eeuw in Engeland’ die gekenmerkt werd door ‘de zinloze kwelling van dieren als vermaak, de beestachtige dronkenschap van de bevolking, de onmenselijke handel in Afrikaanse negers, het ontvoeren van landgenoten om ze in het buitenland als slaaf te verkopen, de grote kindersterfte, de algemeen voorkomende obsessie om te gokken, de barbaarsheid van het gevangenissysteem en de strafwet, de algemene immoraliteit, de prostitutie in het theater, de toenemende wetteloosheid, bijgeloof en ontucht; de politieke omkoperij en corruptie, de kerkelijke arrogantie en twisten, de oppervlakkige pretenties van het deïsme, de onbetrouwbaarheid en valsheid van zowel kerk als staat – al deze dingen doen vermoeden dat het Britse volk toen misschien wel even diep ontaard en liederlijk was als welk volk in het christendom dan ook.’5
Maar toen begonnen de dingen te veranderen. En in de negentiende eeuw werden de slavernij en de slavenhandel afgeschaft, werd het gevangeniswezen menselijker, werden de omstandigheden in fabrieken en mijnen verbeterd, kwam het onderwijs ook voor de armen beschikbaar, kwamen de vakbonden op, enzovoort, enzovoort.
‘Waar kwam die uitgesproken menselijkheid, die gedrevenheid voor sociale gerechtigheid en die gevoeligheid voor menselijk onrecht dan plotseling vandaan? Er is slechts één antwoord mogelijk dat in overeenstemming is met de hardnekkige historische waarheid. Het kwam voort uit een nieuw sociaal geweten. En zelfs als we toegeven dat dit sociale geweten een nakomeling was van meerdere voorvaderen, dan werd het desalniettemin verzorgd en gevoed door de evangelische opwekking van vitaal, praktisch christendom – een opwekking die de voornaamste stellingen zichtbaar maakte van de nieuwtestamentische ethiek, die het vaderschap van God en de broederschap der mensen reëel maakte, die wees op de prioriteit van persoonlijkheid boven bezit en die het hart, de ziel en het verstand richtte op de vestiging van het koninkrijk der gerechtigheid op aarde.’6
De evangelische opwekking ‘heeft meer dan welke andere beweging in de Britse geschiedenis ook het morele karakter van de bevolking veranderd.’7 Want Wesley was zowel een prediker van het evangelie als een profeet van sociale gerechtigheid. Hij was ‘de man die de ziel van de natie herstelde.’8
De evangelische leiders van de volgende generatie waren evangelisatie en sociale actie met een zelfde enthousiasme toegewijd. De beroemdsten onder hen waren Granville Sharp, Thomas Clarkson, James Stephen, Zachary Macaulay, Charles Grant, John Shore (Lord Teignmouth), Thomas Babington, Henry Thornton en natuurlijk hun lichtende voorbeeld William Wilberforce. Omdat sommigen van hen in Clapham woonden, in die tijd een dorp zo’n vijf kilometer ten zuiden van Londen, en ze tot de Clapham parochiekerk behoorden, waarvan de predikant John Venn was, werden ze bekend als ‘de Clapham sekte’, hoewel ze in het parlement en in de pers spottend ‘de heiligen’ werden genoemd.
Door hun gemeenschappelijke zorg over het lot van de Afrikaanse slaven kwamen ze voor het eerst bij elkaar. Drie dagen voor zijn dood in 1791 schreef John Wesley aan Wilberforce een brief, waarin hij hem ervan verzekerde dat God hem voor ‘zijn heerlijke zaak’ had opgewekt en erop aandrong onvermoeid goed te blijven doen. Het is voornamelijk aan de Clapham sekte (onder leiding van Wilberforce) te danken dat de eerste nederzettingen van bevrijde slaven in Sierra Leone ontstonden (1787), dat de handel werd afgeschaft (1807), dat de slaven in de kolonies geregistreerd werden (1820), waardoor het niet meer mogelijk was slaven te smokkelen, en dat ze uiteindelijk werden vrijgelaten (1833). Het is waar dat ‘de heiligen’ rijke aristocraten waren, die ook bepaalde sociale misstanden in hun tijd over het hoofd zagen, maar ze waren buitengewoon mild in hun liefdadigheid en de reeks zaken waarvoor ze aandacht hadden was buitengewoon groot. Naast hun aandacht voor de slavenkwestie, lieten ze zich ook in met het strafrecht en de parlementaire hervormingen, met volksonderwijs (zondagsscholen, traktaten en de krant The Christian Observer), de verplichtingen van Groot-Brittannië ten aanzien van haar kolonies (met name India), de verbreiding van het evangelie (ze waren betrokken bij de oprichting van zowel de ‘Bible Society’ als de ‘Church Missionary Society’) en arbeidswetgeving. Ze hielden ook campagnes tegen duelleren, gokken, dronkenschap, immoraliteit en wrede spelletjes met dieren. En in dit alles werden ze geleid en gemotiveerd door hun sterke bijbelse geloof. Ernest Marshall Howse heeft over hen geschreven: ‘Deze vrienden van Clapham vormden na verloop van tijd een hechte groep, waarin men zeer intiem en vertrouwelijk met elkaar omging. Ze maakten plannen en werkten als een comité dat nooit ontbonden werd. In de herenhuizen van Clapham kwamen ze door een gemeenschappelijk verlangen bijeen in wat ze zelf hun ‘kabinetsberaad’ noemden, waarin ze de verkeerde en onrechtvaardige dingen bespraken die een schande voor hun land waren, en de acties die ondernomen moesten worden om gerechtigheid te vestigen. Daarna functioneerden zij, zowel binnen als buiten het parlement, als een hechte groep, waarbij een ieder het werk kreeg opgedragen waarvoor hij het meest geschikt was, om zo hun gemeenschappelijke principes te handhaven en hun gemeenschappelijke doelstellingen te realiseren.’9
In zijn biografie over Wilberforce merkt Reginald Coupland terecht op: ‘Het was inderdaad een uniek verschijnsel – deze broederschap van christelijke politici. In de Britse geschiedenis is iets dergelijks nooit eerder of later voorgekomen.’10
Anthony Ashley Cooper werd in 1826, op vijfentwintigjarige leeftijd, in het Britse parlement gekozen. Eerst als lid van het Lagerhuis en toen als lid van het Hogerhuis als de zevende graaf van Shaftesbury trok hij zich het lot aan van krankzinnigen, kinderen die in fabrieken en werkplaatsen moesten werken, schoorsteenvegers, vrouwen en kinderen in de mijnen en de kinderen in de achterbuurten, waarvan er in Londen meer dan dertigduizend geen thuis hadden, en waarvan in heel Engeland er meer dan een miljoen geen enkele opleiding hadden genoten. Zijn biograaf Georgina Battiscombe, die hem vaak zeer kritisch beoordeelt, besluit haar verhaal over zijn leven niettemin met deze milde huldeblijk: ‘In feite is er nooit een mens geweest die meer gedaan heeft om de menselijke ellende te lenigen of het geluk van de mens te bevorderen.’11 En hijzelf was in staat om te beweren dat ‘de meeste grote liefdadigheidsbewegingen zijn voortgekomen uit het initiatief van bijbelse christenen.’12
Zo’n zelfde verhaal kan verteld worden over de Verenigde Staten in de vorige eeuw. Sociale betrokkenheid was zowel het kind van bijbelse godsdienst als de tweelingzuster van evangelisatie. We zien dit duidelijk bij Charles G. Finney, die het meest bekend is als de advocaat die evangelist werd, en als de schrijver van Lectures on Revivals of Religion (1835). Door zijn prediking van het evangelie werden velen tot geloof in Christus gebracht. Minder bekend is dat hij zowel aandacht besteedde aan ‘hervormingen’ als aan ‘opwekkingen’. Zoals Donald W. Dayton in zijn Discovering an Evangelical Heritage heeft aangetoond, was hij ervan overtuigd dat het evangelie ‘een krachtige stimulans is tot sociale hervorming’ alsook dat de verwaarlozing van sociale hervorming door de kerk de Heilige Geest bedroefde en een opwekking in de weg stond. Het is verbazingwekkend om in Finney’s verklaring in zijn 23ste Lecture on Revival te lezen ‘dat het de grote opdracht van de kerk is de wereld te hervormen... De kerk van Christus werd oorspronkelijk georganiseerd tot een lichaam van hervormers. De belijdenis van het christendom houdt ook de belijdenis en plechtige belofte in om alles wat gedaan kan worden tot algemene hervorming van de wereld te doen.’13
Het is daarom nauwelijks verrassend om te ontdekken dat God door Finney’s evangelisatie ‘een leger van pas bekeerden opwekte die de troepen werden van de hervormingsbeweging van zijn eeuw.’ In het bijzonder werden ‘de anti-slavernij krachten gerecruteerd uit de bekeerlingen van Finney’s opwekking.’ De belangrijkste onder hen was Theodore Weld, die zijn hele leven wijdde aan de strijd tegen de slavernij. Hij werd onder de bediening van Finney bekeerd en was enige tijd zijn assistent.14 Weld was echter niet de Amerikaanse tegenhanger van Wilberforce, want hij zat niet in het parlement. In feite kwam ‘de beroering’ (de beroering die in Amerika ontstond tegen de slavernij) niet zozeer tot stand door hervormingsgezinde voormannen als wel door talrijke onbekende personen die daartoe werden aangezet door een impuls die godsdienstig van aard en evangelisch van geest was en die begon met de grote opwekking van 1830.15
De negentiende eeuw staat ook bekend om de geweldige groei van de christelijke zending. We moeten echter niet denken dat de zendelingen zich uitsluitend bezighielden met de prediking van het evangelie of dat hun sociale werkzaamheden beperkt werden tot hulp en steun, waarbij de ontwikkeling en sociaal-politieke activiteiten verwaarloosd werden. Het valt te betwijfelen of dit onderscheid in de praktijk ooit gemaakt werd. De Amerikaanse missioloog dr. R. Pierce Beaver schreef:

Sociale actie in de zending kan teruggevoerd worden tot de tijd van de apostelen... De zorg werd nooit beperkt tot eerste hulpverlening. De rondtrekkende zendeling had altijd een tas met medicijnen, nieuwe of betere zaden en planten bij zich en hij verbeterde de veestapel. Nevius introduceerde de moderne fruitteelt in Shantung. De zendelingen uit Bazel brachten een omwenteling aan in de economie van Ghana door koffie en cacao te introduceren die door families en individuele personen in hun eigen land geteeld werden. James McKean veranderde het leven in Noord-Thailand door de drie ziekten waardoor de streek geteisterd werd – pokken, malaria en lepra – uit te roeien. Met behulp van zendelingen werden nieuwe waterputten gegraven die zuiver water gaven. Tijdens de negentiende eeuw werden overal scholen voor beroepsopleidingen gesticht en ontstonden nieuwe bedrijfstakken. Daar kwam nog bij dat de zendelingen bij voortduring de beschermers van de bevolking waren tegen de uitbuiting en het onrecht van regering en handelsmaatschappijen... Ze speelden een belangrijke rol in de afschaffing van gedwongen arbeid in Congo. Ze verzetten zich tegen het brandmerken in de Stille Zuidzee. Ze kwamen op voor mensenrechten door de opiumhandel, het voetenbinden en het te vondeling leggen van pasgeboren meisjes in China te bestrijden. Ze kwamen in het geweer tegen weduweverbranding, kindermoord en tempelprostitutie in India en ze verzetten zich boven alles tegen de sociale en economische slavernij van het kastenstelsel voor de armen en uitgebannen volk.16

Recensies uit de krant
3-7-2000Groei
14-10-2013NBD/Biblion
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584