Try it out
Lees hoofdstuk 1
Boodschap van Ruth
 
Boek kaft: Boodschap van Ruth

Deel een

DE TRANEN
1:1-7a
1. Weggaan


Zorg voor het gewone (1:1)


In de dagen dat de richters richtten ... een man.

In een wereld die – als we de media mogen geloven – gedomineerd wordt door ‘crisis’ en ‘uitdaging’, waarin elke onbetekenende gebeurtenis de krantenkoppen kan halen op voorwaarde dat er een verhaal met nieuwswaarde in zit – en zelfs in een kerk, waarin het ongewone en het spectaculaire door sommigen worden onthaald als echter dan saaiheid en routine – is het een verademing om het boek Ruth open te slaan. Van de aangename huiselijkheid die erin voorkomt hebben we al een beschrijving gegeven: het dorpsleven, zijn vreugden en moeiten, zijn ‘beminnelijke deugden’ en speciaal zijn concentratie op de personages waaromheen het verhaal geweven is. Dat vormt een des te groter contrast met het boek Richteren, waarmee de openingswoorden een verbinding leggen. Richteren eindigde met een verwijzing naar de sociale chaos en de persoonlijke ellende die voortkwamen uit het gemis aan religieus gezag onder het volk: ‘In die dagen was er geen koning in Israël: ieder deed wat goed was in zijn ogen’ (Richt. 21:25). Het boek Richteren wordt geschilderd op een breed doek. Hoewel individuele mensen in het boek een belangrijke rol spelen, doen ze dat in de context van burgeroorlog, nationaal oproer en internationale bemoeienis. Het boek Ruth daarentegen gaat weliswaar uiteindelijk niet voorbij aan de nationale – zelfs wereldwijde – betekenis van zijn figuren, maar concentreert zich toch op ‘een man’, zijn familie en hun lotgevallen. Het herinnert ons eraan dat de God van de volken zijn zorg ook uitstrekt over zoiets gewoons als een ‘individuele man’.
Onze Heer, die ons leerde om tot ‘onze Vader in de hemel’ te bidden en ons hart en onze geest op te heffen naar het wereldwijde perspectief van de komst van zijn koninkrijk – want van Hem is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid – leerde ons ook te bidden om ons dagelijks brood. God, die weet wanneer een mus ter aarde valt en die het opmerkt als een beker koud water gegeven wordt aan iemand in nood (Matt. 10:29, 42), is begaan met onze dagelijkse, gewone dingen. Zoals Helmut Thielicke puntig stelt:

    Zeg me hoe verheven God voor u is en ik zal u zeggen hoe weinig Hij voor u betekent. Dat zou een theologisch axioma kunnen zijn. De verheven God is regelrecht uit mijn leven verheven ... Als God geen betekenis heeft voor de kleine mozaïekstukjes van mijn nietige leven, en voor de dingen die mij bezighouden, dan bemoeit Hij zich helemaal niet met mij.1
Gods bemoeienis met de lotgevallen van een man in de dagen dat de richters richtten zou ons eraan moeten herinneren dat zelfs ons maar-heel-gewoontjes-zijn voor God niet onbetekenend is, en binnen zijn almachtige zorg valt.

De hongersnood (1:1)

In de dagen dat de richters richtten, gebeurde het, dat er een hongersnood in het land was. Toen trok een man uit Betlehem in Juda met zijn vrouw en zijn beide zonen weg om als vreemdeling te.vertoeven in, het veld van Moab.

Verhuizen is niet een taak die de meeste mensen gemakkelijk opnemen. Het is kostbaar en gooit je leven overhoop. Het betekent zijn wortels uittrekken, vrienden en buren verlaten. Het leidt vaak tot de jacht op een nieuw huis, zijn weg vinden in een nieuwe omgeving en nieuwe mensen leren kennen. Voor een familie is het een behoorlijke verandering. Hoewel Elimelek wel niet dezelfde hoeveelheid spullen en huisraad meegenomen zal hebben als menige moderne huiseigenaar, was het voor hem niet minder een belangrijke beslissing. Hij besloot om Betlehem te verlaten vanwege de hongersnood.
Betlehem in Juda was een grote plaats ongeveer acht kilometer ten zuiden van het huidige Jeruzalem. De naam ervan betekent ‘Broodhuis’, een naam die wijst op de ongewone vruchtbaarheid van de streek voor graanverbouw (zoals hoofdstuk 2 van het boek Ruth duidelijk maakt). Die naam toont ook aan, hoe ongewoon hongersnood daar was. Sommige commentatoren geloven dat de plaatselijke hongersnood in de streek van Betlehem – naar het schijnt was er niet zo’n probleem tachtig kilometer naar het zuidoosten in Moab, aan de overkant van wat wij nu de Dode Zee noemen – deels te wijten was aan de verwoestingen die verbonden waren met de chaotische tijden van de richteren. De Midianitische invasie ten tijde van Gideon bij voorbeeld (Richt. 6:3 vv.), vernietigde zowel de productie als het vee. Vanwege de hongersnood besloot Elimelek dat hij en zijn familie een tijdje als vreemdelingen in het land Moab moesten gaan verblijven.
Het is niet duidelijk wat Elimelek ertoe bracht om te gaan. Terwijl de Kanaänitische religie de natuurprocessen met vruchtbaarheidsrituelen trachtte te beheersen, werd het volk van Jahweh geleerd om erop te vertrouwen dat Hij het land in voorspoed zou zegenen. Was de hongersnood volgens Elimelek een teken van Gods ongenoegen?* We weten het niet. Wat we wel weten is dat andere Betlehemieten het tijdens de hongersnood bleven uitzingen en, naar het schijnt, veel beter boerden dan Elimelek (vers 6). In het licht van de volgende gebeurtenissen kunnen we ons afvragen of de auteur ons niet te verstaan wil geven dat Elimelek er onverstandig aan deed om te verhuizen! De reis bereikte zijn doel niet: aan de dood ontsnappen. Alle drie de mannen van de familie stierven in Moab. Bovendien stierven ze door te verhuizen in een vreemd land en lieten ze Noömi als weduwe verarmder en geïsoleerder achter dan als ze in de gemeenschap van hun thuisbasis waren gebleven.
En waarom nu juist naar Moab gegaan!
Centraal gelegen op de hoogvlakte oostelijk van de Dode Zee werd Moab bevolkt door de afstammelingen van Lot (Gen. 19:37). Hoewel de Moabieten, ondanks hun karakteristieke onvriendelijkheid, niet door de Israëlieten aangevallen werden op hun terugkeer naar het beloofde land na de uittocht, mochten zij niet tot de gemeente van Israël worden toegelaten (Deut. 2:9; Richt. 11:17, etc.; Deut. 23:3-6). Waarom niet? Het waren vereerders van Kemos, een god aan wie blijkbaar mensenoffers werden gebracht. De Moabieten werden soms aangeduid als ‘het volk van Kemos’ (2 Kon. 3:27; Num. 21:29). Gedurende de vroege periode van de tijden van de Richters was Eglon, de koning van Moab, bovendien ook nog eens het land van de Israëlieten binnengevallen en had hij het volk Israël achttien jaar lang tot slavernij gedwongen. Het was daarom een zeer merkwaardige plaats voor een vereerder van Jahweh uit Betlehem om er zijn verblijf te kiezen (Richt. 3:12-30). Waarom gingen ze niet ergens heen waar Jahweh vereerd werd? Was dit een gebrek aan vertrouwen in de voorzienigheid van God? Hoewel Matthew Henry Elimelek erom prijst dat deze, naar hij aanneemt, voor zijn hongerende familie wil zorgen, vraagt hij zich wel af hoe de verhuizing naar Moab gerechtvaardigd kon worden. ‘Het wijst op een ontevreden, wantrouwende geest om genoeg te hebben van de plaats waar God ons heeft gesteld en die meteen te verlaten wanneer we daarin enig ongemak of overlast tegenkomen.’2
We krijgen niet genoeg te horen om te weten of Elimeleks daad Matthew Henry’s commentaar rechtvaardigde. Maar wat voor gebrek aan geloof of uiting van ongenoegen inzake Jahweh Elimeleks daad ook inhoudt, de rest van het boek Ruth maakt meer dan duidelijk dat Gods genadige voorzienigheid niet aan banden wordt gelegd door ’s mensen dwaasheid. De hoogste vreugde in de familie en de bedoeling in hun geschiedenis die zijn oorsprong vindt in het ten tonele verschijnen van Ruth, demonstreert de rijke goedertierenheid van Gods voorzienige bemoeienis. Het bewijst zijn liefde dat zulke voordelen geoogst werden als resultaat van zo dom gedrag. Gelukkig maar dat Gods voorzienigheid zelfs onze fouten toedekt!

De namen (1:2-5)

De naam van de man was Elimelek, de naam van zijn vrouw Noömi en de namen van zijn beide zonen Machlon en Kiljon, Efratieten uit Betlehem in Juda; en in het veld van Moab aangekomen, bleven zij daar. 3 Toen stierf Elimelek, de man van Noömi, zodat deze met haar beide zonen achterbleef. 4 Dezen namen zich Moabitische vrouwen: de ene heette Orpa en de andere Ruth; en zij woonden daar ongeveer tien jaren. 5 Toen stierven ook die twee, Machlon en Kiljon, zodat die vrouw achterbleef, zonder haar beide zonen, en haar man.

Voor onze schrijver zijn namen belangrijk. Er zijn sommige personages in het boek van wie de naam niet wordt verteld, zoals de belangrijke ‘naaste verwante’ die een rol speelt in Ruth 4:1 (RSV: ‘next of kin’; NBG: ‘losser’). Dus we moeten aannemen dat wanneer de schrijver ons namen noemt, deze een speciale betekenis hebben voor zijn doel. In de Hebreeuwse manier van denken was iemands naam kennen zijn karakter kennen, hemzelf kennen. De naam is de persoon. Wanneer Abraham een nieuwe persoon wordt, ontvangt hij een nieuwe naam (Gen. 17:4-5). Wanneer iemands naam vernietigd wordt of afgesneden, wordt de persoon uit het menselijk geheugen uitgewist, is het of hij nooit heeft bestaan (Deut. 7:24; Joz. 7:9). Het was iets vreselijks om zonder naam of nakomeling te blijven (2 Sam. 14:7). Wanneer God zijn naam noemt, noemt Hij bovenal zijn karakter en deelt Hij zichzelf met hen tegen wie Hij spreekt (Ex. 6:2 vv.). ‘Jahweh’ is zijn persoonsnaam, de naam van de verbondsgod.
Elimelek betekent ‘Mijn God is koning’. Sommige commentatoren, zoals Henry die wij eerder citeerden, vragen zich af of er niet een zeker verwijt in besloten ligt dat ons die naam wordt genoemd. Zou zo’n naam niet vertrouwen en geloof moeten uitdrukken in God? Wij kunnen onszelf er zeker aan herinneren: hoewel er geen belofte ligt van een moeitevrij leven, is er toch altijd voor allen voor wie ‘Mijn God koning is’, de belofte van dagelijks brood en de verzekering dat er geen noodzaak bestaat om ziekelijk bezorgd te zijn voor morgen (vgl. Matt. 6:25-33). Een deel van de betekenis van het geloof valt daarin uit te drukken dat geloof is wat God ons geeft om ons te helpen aan onzekerheden het hoofd te bieden. Deed Elimelek zijn naam wel eer aan?
De naam Noömi betekent ‘aangenaam, liefelijk, aantrekkelijk’, en de ontroerende betekenis van deze naam komt naar voren na Noömi’s latere terugkeer uit Moab met haar schoondochter Ruth, bedroefd als zij dan is door de bittere ervaringen waarvan zij geloofde dat ze die ontvangen had uit Gods hand. ‘Noem mij niet Noömi’, zegt zij haar buren, ‘noem mij Mara, want de Almachtige heeft mij veel bitterheid aangedaan’ (1:20).
Machlon en Kiljon, Noömi’s zoons, hadden kennelijk oude Kanaänitische namen, maar zij worden hier vermeld vanwege hun voorbereidende betekenis voor de tranen en pijn in de rest van Ruth 1. ‘Machlon’ schijnt verbonden te zijn met een wortel die ‘ziek zijn’ betekent en ‘Kiljon’ betekent zoiets als ‘falen’ of ‘wegkwijnen’, zelfs ‘vernietiging’.
Orpa en Ruth zijn Moabitische namen en hun betekenis is niet al te duidelijk. Wat wel duidelijk is, is hun nationaliteit. De zonen van Elimelek trouwen volgelingen van Kemos en hoewel zo’n huwelijk kennelijk niet verboden was,* werden Moabieten niet toegelaten tot de gemeente des Heren (Deut. 23:3).
De familie, krijgen we te horen, bestond uit Efratieten. Efrat is een woord dat vaak geassocieerd wordt met Betlehem, maar het is zeer onzeker wat het betekent. Plaatsen waar het gebruikt wordt suggereren dat er een speciale waardigheid of belang verbonden was aan het Efratiet-zijn. De vermelding hier betekent mogelijk dat we een welgestelde familie tegenkomen. Toen Noömi terugkeerde was ze zeker geen onopvallende onbekende (1:19). Misschien, zoals Leon Morris oppert,3 was haar familie ‘locale aristocratie’, een familie die, toen ze naar Moab trokken, bekend stond als welgesteld (‘Vol ben ik heengegaan’, 1:21). Maar rijkdom en prestige zijn geen garantie voor materiële voorspoed of vrij zijn van persoonlijk leed. De familie heeft wel zoveel van de hongersnood te lijden gehad dat ze hun huis verlaten om naar Moab te gaan. Dan wordt aan het verlies van materieel comfort en de veiligheid van een huis nog de pijn toegevoegd van niet één enkel sterfgeval maar van drie. Noömi, op wie dit eerste hoofdstuk van Ruth onze aandacht vestigt, was alleen, zonder huis, echtgenoot, zonen, vriendschap of hoop op nalatenschap. Wat betekende de dienst aan Jahweh nu voor haar?

Recensies uit de krant
1-7-1998NBD/Biblion
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584