Try it out
Lees hoofdstuk 1
Met heel je hart en heel je verstand
 
Boek kaft: Met heel je hart en heel je verstand

Hoofdstuk 1

Leven
(1 Johannes 1:1-4)

Dogma’s? O, nee, wij willen geen dogma’s! Die brengen scheiding en verstoren de harmonie in onze groep. Dogma’s zijn zo gecompliceerd. Zij doen de eenvoud van ons getuigenis teniet, zijn stoffig en onderdrukken onze vreugde-uitingen. Nee, wij willen geen dogma’s, al die theoretische ideeën, geef ons maar de realiteit. Dogma’s zijn goed voor intellectuele boekenwurmen, maar wij willen iets ervaren. Dogma’s zijn slechts dode orthodoxie; wij willen leven!

Zulke gedachten komen steeds weer naar boven in christelijke kringen. Vooral de afgelopen twintig jaar. Ze zijn een vast onderdeel geworden van de basisfilosofie van sommige groepen. Zij beschouwen ‘dogma’ bijna als een vies woord, als iets wat saai en niet ter zake doende is. Christenen die tegen het getij in proberen te zwemmen en strijden voor leerstellige normen in de gemeente, worden vaak kleinerend beschouwd als mensen die het werk van de Heilige Geest, dat eenheid en opwekking moet brengen, tegenwerken. Daarom is een zorgvuldige studie van 1 Johannes voor christenen van vandaag niet alleen wenselijk, maar absoluut noodzakelijk. Het verrassende is, dat het probleem van dogmatiek versus ervaring zich ook al voordeed in de gemeente aan het eind van de eerste eeuw, net als nu aan het eind van de twintigste eeuw.

Gnostiek

Er kwam een groep valse leraren opzetten. Ze wilden zich losmaken van de structuur van de orthodoxe christelijke leer die de gemeente in haar eerste jaren had opgebouwd. Ze hadden in het bijzonder moeite met de leer van de incarnatie: de menswording van het Woord van God. Het kerstverhaal was voor hen geen wonderverhaal, maar een onmogelijkheid. Volgens hun filosofie konden stof en geest evenmin vermengd worden als olie en water. Die zijn onverenigbaar. Ze vormen tegengestelde polen; stof is in wezen slecht en geest is in essentie goed. Dus God, die natuurlijk Geest is, kon nooit werkelijk vlees worden, tenminste niet in de letterlijke betekenis van het woord, zoals de eerste christenen beweerden. Dat idee was voor hen letterlijk ondenkbaar.
Deze valse leraren vonden dat de eerste christenen ernaast zaten. Begrijpelijk, omdat de apostelen eenvoudige en ongeletterde joodse plattelandsmensen waren. In werkelijkheid was er iets heel anders gebeurd. Deze valse leraren, gewapend met een superieur filosofisch inzicht, droegen allerlei alternatieven aan.
Misschien, zo veronderstelden zij, heeft de Geest van God Zich slechts voor een korte periode gemanifesteerd in een menselijk wezen, als bij een verschijning. Jezus had een uiterlijke verschijning die leek op een fysiek lichaam, maar als je goed keek, was Hij niet stoffelijk, maar gewichtloos en vluchtig. Of, zo stelden zij, Gods Geest woonde maar even in een menselijk lichaam, zoals een spook tijdelijk in een huis kan wonen. Er was natuurlijk niets goddelijks aan die bepaalde man. Hij bood slechts een woning aan de Geest. Jezus was een gewone man en de Geest Gods woonde tijdelijk in Hem.
We hoeven er niet over te speculeren waar deze gedachten in de eerste eeuw vandaan kwamen. De eerste gedachte heette docetisme en de tweede werd geassocieerd met een man die Cerinthus heette. Tezamen vormden ze een onderdeel van een bijzonder ingewikkelde ketterij, gnostiek genaamd.
We weten heel wat van deze gnostici, zowel uit hun eigen geschriften – waarvan er in 1945 een aantal werd ontdekt in Nag Hammadi – en uit de boeken van de eerste kerkvaders, die felle kritiek op hun denkbeelden leverden. Vooral Irenaeus doet een felle aanval op hun meningen in zijn boek Tegen de ketterij.
Wetenschappers zijn het er niet over eens waar de wortels van de gnostiek liggen. Het is een vermenging van Griekse filosofie, joods occultisme, oosterse mysteriegodsdiensten en het zoroastrianisme met zijn dualisme. Allerlei soorten tegenstrijdige ideeën vormen samen het mengsel van gnostische speculatie. Gnostiek is geen godsdienst van geopenbaarde waarheid maar van mystieke verlichting. Daarom konden twee geheel verschillende theorieën over wie Jezus was – het docetisme en de leer van Cerinthus – uitmonden in dezelfde valse leer. Want voor gnostici is een zuivere theologische definitie niet interessant.
Net zoals bij sommige christenen in de twintigste eeuw, wilden de gnostici geen dogma’s maar geestelijk leven. Voor hen betekende dat het ondergaan van esoterische ervaringen, je laten uitstijgen boven het lichamelijke om contact te krijgen met de hemelse machten buiten de materiële werkelijkheid. In feite had de gnostiek veel meer gemeen met theosofie of hindoeïsme dan met het echte christendom. Wat je gelooft, was eigenlijk minder belangrijk, want het was de ervaring en de mystieke verlichting die je tot een geestelijk mens maakten.
Dit alles was totaal afwijkend van het Evangelie dat de apostelen predikten. Helaas waren alle apostelen aan het eind van de eerste eeuw gestorven. Hoe kon de dreigende ontkenning van de realiteit van de incarnatie dan aan de kaak gesteld worden, zonder de kennis van diegenen die zelf Christus in het vlees gekend hadden?
In Gods voorziening was er nog één hoop overgebleven, één verbindingsschakel met de apostolische tijd: Johannes, de zoon van Zebedeüs, de man die eens aan het meer van Galilea persoonlijk door Jezus was geroepen tot discipelschap. Hij was nu een oude man en woonde in Efeze in Klein-Azië. Daarvoor had hij waarschijnlijk erg weinig geschreven. Er is in ieder geval niets van zijn hand bewaard gebleven.
Juist de infiltratie van deze valse agnostische leraren aan het eind van de eerste eeuw prikkelden hem tot het schrijven. Zowel zijn evangelie als zijn drie brieven dragen hetzelfde stempel, ze getuigen van een theologische bezorgdheid om de gnostiek te bestrijden. De traditie bevestigt dit ook. Johannes was in zijn latere dagen een uitgesproken tegenstander van deze valse leer.
Er is een nogal humoristisch verhaal bewaard gebleven, dank zij de gemeentehistoricus Irenaeus. Hij vertelt dat Johannes eens een openbaar badhuis in Efeze bezocht, waarschijnlijk om een verfrissende duik te nemen voor de lunch. Toen hij door de deur naar binnen kwam, zag hij de gnosticus Cerinthus al binnen. De oude man rende daarop het gebouw uit, met een theatrale uiting van afgrijzen en een gespeelde paniek. ‘Snel’, riep hij, ‘ren voor je leven. Het badhuis stort in. Cerinthus, de vijand van de waarheid, is binnen!’

Johannes vond dogma’s belangrijk

In tegenstelling tot de gnostici en sommige christenen uit de twintigste eeuw, geloofde Johannes dat dogmatiek erg belangrijk is.
Ten eerste, omdat zij de kern van de christelijke moraal vormt. Ons geloof bepaalt ons gedrag. De gnostiek had, zoals we straks zullen zien, een vernietigend effect op de houding van de gelovige tegenover de zonde.
Bovendien was dogmatiek volgens Johannes essentieel voor de christelijke eenheid. Zonder een duidelijk omschreven geloofsbelijdenis waarop we ons gewone leven kunnen bouwen, valt de gemeente onvermijdelijk uit elkaar. De gnostiek – dat zullen we later bestuderen – gaf ruim baan aan een betreurenswaardige liefdeloosheid en een overgeestelijk, elitair gedrag in de gemeente.
Ten derde waren dogma’s voor Johannes belangrijk in verband met de evangelisatie. Dogma’s maken duidelijk wat het christendom inhoudt en voorstaat. Zij heffen het op uit de vormloze zee van de eindeloze variëteit aan mystieke ervaringen waarmee de gnostiek de wereld overspoelde. Zij plaatsen het uitsluitend op het hechte fundament van objectieve waarheid.
Maar Johannes benadrukte de dogmatiek vooral omdat zij van vitaal belang is voor de christelijke geloofszekerheid. Het gemeenste wat de gnostici deden, was het geloof van eenvoudige mensen afbreken. Velen vonden de kritiek van het orthodoxe christendom maar bot, vergeleken met de welsprekendheid van indrukwekkende leraren zoals Cerinthus. Nederige christelijke zielen werden geschokt. Ze begonnen zichzelf te pijnigen met de gedachte: ‘Misschien ben ik toch niet gered en is deze gnostische beweging, waar iedereen het over heeft, wel goed. Misschien is het orthodoxe christendom waarmee ik al die jaren opgevoed ben, wel verkeerd!’

Het doel van Johannes’ brief

Daarom schreef Johannes zijn eerste brief, voornamelijk om te benadrukken hoe belangrijk een zuivere leer is in het leven van een christen.
Zijn doel was ten eerste pastoraal. Door deze valse ideeën waren de gedachten van oprechte, eerlijke christenen in verwarring gekomen. Deze verwarring wil hij bestrijden. Hij gaat in tegen de morele toegeeflijkheid die de gnostiek met zich meebracht: ‘Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige’ (2:1). Hij bestrijdt de verdeeldheid die de gnostici veroorzaken, met tedere woorden: ‘Geliefden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een ieder, die liefheeft, is uit God geboren en kent God’ (4:7). Voortdurend weerlegt hij de twijfel die de gnostici in de gedachten van sommige gemeenteleden zaaien. Hij komt met bemoedigende woorden als: ‘Dit heb ik u geschreven, die gelooft in de naam van de Zoon Gods, opdat gij weet, dat gij eeuwig leven hebt’ (5:13).
Weinig brieven in het Nieuwe Testament ademen zo’n warmte en persoonlijke bezorgdheid uit. Aan de andere kant stelde Johannes in zijn brief de leer van deze valse leraren aan de kaak. Die was volgens hem de oorzaak van de morele, sociale en geestelijke problemen in de gemeente. De gnostiek was niet zomaar een radicale christelijke beweging die Johannes te ouderwets vond, maar een verderfelijk samenstelsel van leugens. Het kon niet getolereerd worden. Vandaar dat de vriendelijkheid van Johannes voortdurend overgaat in een harde toon, in een compromisloze afwijzing die de lezer soms verrast:

‘Wat u betreft, wat gij van den beginne gehoord hebt, moet in u blijven. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, dan zult gij ook in de Zoon en in de Vader blijven’ (2:24).

‘Hieraan onderkent gij de Geest Gods: iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; en iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu reeds in de wereld’ (4:2,3).

‘Wij zijn uit God; wie God kent, hoort naar ons; wie uit God niet is, hoort naar ons niet. Hieraan onderkennen wij de Geest der waarheid en de geest der dwaling’ (4:6).
Dogmatiek was zo belangrijk voor Johannes, dat deze eenvoudige voorganger, die meer dan wie ook een voorvechter van de broederliefde was, tegelijkertijd een felle aanklager kon zijn die vond dat valse leraren buitengesloten moesten worden.

Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584