Try it out
Lees hoofdstuk 1
Het Hooglied
 
Boek kaft: Het Hooglied

DEEL EEN – (1:2-2:7)

Dit eerste deel van het Hooglied is de spil waarom alles draait. De principes van het geestelijke leven liggen hierin besloten, dus mogen we het beschouwen als het patroon voor de rest van het boek. De volgende lessen zijn niet nieuw, maar ze gaan telkens dieper. Alle geestelijke ervaring in dit gedeelte is gemakkelijk en vrij van zorgen. Maar met het eerste offer van het hart en de eerste openbaring van deze dingen is nog lang niet alles gezegd. Ze moeten een vervolg krijgen, door het vuur van de beproeving, en zodoende sterk worden. Het eerste deel is slechts een beginnend beeld van geestelijke ervaring, daarna moet alles worden getest om een levende realiteit te kunnen worden.
Eerste ervaringen zijn niet diep genoeg. Latere ervaringen met Christus zullen veel verder blijken te gaan en ook veel kostbaarder blijken te zijn. De ervaringen in dit deel vormen een begin. Iedere gelovige mag deze lessen bevestigd zien worden in zijn eigen geloofsleven.

INTENS VERLANGEN (1:2-3)

Hij kusse mij met de kussen van zijn mond!
Want kostelijker dan wijn is uw liefde,
heerlijk van geur zijn uw oliën,
als uitgegoten olie is uw naam.
Daarom hebben de jonge meisjes u lief (1:2-3).

De kus waarnaar verlangd wordt, is niet die van de vader op de wang van de teruggekeerde verloren zoon, als teken van vergeving, een kus die iedereen die de Heer toebehoort, reeds ervaren heeft. In dit boek ligt de nadruk op de liefdesrelatie tussen de gelovige en de Heer. Het gaat ervan uit dat de eerste vergeving van zonden reeds heeft plaatsgevonden. Het legt niet uit hoe iemand uit de positie van een zondaar wordt overgebracht in de positie van een gelovige. Het legt uit hoe een gelovige van de positie van intense nood wordt gebracht tot een plaats van volledige bevrediging. Wanneer wij hierop letten, zullen wij begrijpen waarom het boek begint zoals het begint.
Het is niet te zeggen hoeveel tijd er kan verstrijken tussen het ontvangen van het nieuwe leven van de Heer en het moment waarop de gelovige een verlangen krijgt naar een vollere maat van liefdesrelatie. Wat we wel weten, is dat een dergelijk verlangen alleen opkomt nadat een verlost mens door de Heilige Geest tot leven is gewekt. Daardoor treedt er een toestand in werking die van binnenuit tot uiting komt in gedachten die zich op Christus richten om een reëler en bevredigender besef van zijn liefde te verkrijgen.
Doordat het hart van het meisje vol is van dit verlangen, komen deze woorden zonder nadenken over haar lippen: ‘Hij kusse mij met de kussen van zijn mond!’ Zij laat zich tegenover anderen niet verder uit over deze ‘Hij’, maar in haar gedachten is er maar één ‘Hij’, namelijk degene waarnaar zij zo vurig verlangt. Haar vroegere relatie met de Heer was heel erg gewoontjes en dat vond zij hoogst onbevredigend. Nu verlangt zij naar een veel intiemere en persoonlijker relatie. Ze hunkert daarom naar zijn kussen, die zijn vurige en persoonlijke liefde voor haar zouden tonen.
Niemand kan twee personen tegelijk kussen, dus het gaat hier om een zeer persoonlijke zaak.
Bovendien, dit zijn geen kussen op de wang, zoals die van Judas Iskariot, ook niet op de voeten, zoals die van Maria, maar ‘kussen van zijn mond’, uitdrukkingen van de meest persoonlijke en intieme liefde. Zij erkent hier dus dat de gewone of elementaire relatie niet langer haar hart kan vervullen en dat zij hunkert naar de directe uitdrukking van zijn liefde voor haar, zoals niemand anders van haar houdt. Met andere woorden, zij wil veel verder gaan dan de doorsnee gelovige.
Dit markeert het begin van werkelijk geestelijke groei. Dit is een innerlijk geestelijk verlangen naar de Heer zelf. De hoogste verwezenlijking van zijn liefde is voor altijd en eeuwig onlosmakelijk verbonden met dit vurige verlangen, dit zoeken van het hart. Als een gelovige niet beschikt over deze zoekende instelling, die de Heilige Geest in hem creëert, dan is het volstrekt onmogelijk om tot een intieme relatie met de Heer te komen. Deze verlangens vormen de basis van alle rijke ervaringen die zullen volgen. Als deze honger en dorst van het hart er niet zijn, dan is alles wat we verderop lezen, slechts een dichterlijk lied en niet langer een hooglied van Gods liefde. Dan zult u niet begrijpen wat Salomo met dit lied bedoelt.
Hoe kan iemand zo’n intens geestelijk verlangen naar de Here Jezus Christus hebben? Het antwoord is gelegen in geestelijke visie. De Heilige Geest kan sommige gelovigen klaarblijkelijk een visie geven die Hij niet aan de doorsnee gelovige kan geven. Aan sommigen wordt de openbaring van de verheerlijkte Persoon van de Here Jezus geschonken, waardoor zij onderkennen dat ‘zijn liefde kostelijker is dan wijn’. Vanwege deze openbaring van de heerlijkheid van Christus verlangen zij naar ‘de kussen van zijn mond’.
De taal van het hart van dit meisje is inderdaad waar: ‘Uw liefde, Here Jezus, is kostelijker dan alle wijn op aarde – het zoetste en allerbeste produkt dat er op de wereld beschikbaar is. De Heilige Geest heeft mij laten zien dat alles wat de mensen blij maakt, of hen benevelt, of vleselijke gevoelens in hen doet opborrelen, niets is vergeleken met uw liefde. De dingen onder de zon waaraan de mensen zoveel waarde hechten, zijn niets vergeleken met uw liefde. Ik heb het gezien. Ik weet het. Wat is er onder de zon dat zich kan meten met uw liefde?’
‘Heerlijk van geur zijn uw oliën’ (1:3). De Here Jezus Christus zelf is de Gezalfde. God heeft die zalving door de Heilige Geest op hem gelegd. Van de Geest des Heren heeft Hij een heerlijke geur ontvangen. Daarom ruikt niet alleen God de Vader de zoete geur van zijn heilige leven, maar mag ook het geliefde meisje daarvan meeproeven. Dit is niet iets wat zij gehoord of ergens gezien heeft, maar op de ene of andere manier, waarvoor woorden tekort schieten, is zij de waarde van de lieflijkheid en de geur van zijn zalving gaan onderkennen – waarmee zij bedoelt de menselijke genade van zijn goddelijke leven.
‘Als uitgegoten olie is uw naam’ (1:3). Tegelijkertijd heeft Hij een naam die zoet en aantrekkelijk is – ‘Jezus’, oftewel Jahweh de Verlosser. Die kostelijke naam is verbonden met alles wat vanuit God tot de mensen komt. ‘Immanuel, hetgeen wil zeggen: God met ons.’ De kostelijke zalving van deze kostbare Naam is uitgegoten en daarmee denken wij onmiddellijk aan de dood van onze Heer. Inderdaad, de zalfolie is uitgegoten en wij ruiken de geur ervan in zijn opofferende liefde. De naam Jezus is dus echt kostbaar, maar wie kan de geur die deze naam verspreidt, werkelijk peilen of meten?
‘Daarom hebben de jonge meisjes u lief’ (1:3). Om wie Hij is (de kostelijke zalfolie) en vanwege zijn kostbare naam (het uitgieten van deze kostelijke zalfolie in opofferende liefde). ‘Daarom hebben alle jonge meisjes u lief’. De reden voor deze liefde is gelegen in zijn Persoon en vervolgens in alles waar zijn Naam voor staat. Men kan niet van dienstbetoon alleen houden, ook niet van loutere, onpersoonlijke macht. Men kan alleen houden van iemand met een levende persoonlijkheid en deze Persoon is in dit geval de Heer. Dit meisje houdt van hem om hemzelf en wordt aangetrokken door de grootheid van zijn Persoon en de waardigheid van zijn Naam. Toen Hij op aarde was, roken de mensen niet veel van die kostelijke geur, maar sinds zijn hemelvaart hebben sommige er voldoende van geroken om hem vervolgens eerbiedig lief te hebben. De openbaring van de heerlijke Persoon van de Here Jezus zet ons dus niet alleen aan tot lofprijzing maar inspireert ons ook om hem werkelijk lief te hebben.
‘De jonge meisjes’ verwijzen naar ‘de beschermelingen’ uit Psalm 83:4. Beide uitdrukkingen zijn synoniem. De jonge meisjes vergezellen de bruid. Zij zijn even kuis. Zij verlangen evenzeer naar de Heer. Het geliefde meisje is in haar geestelijke wandel dus verre van alleen. Zij is eenvoudig één van de vele jonge meisjes.

VURIG VERLANGEN (1:4A)

Trek mij achter u mee, laten wij ons spoeden (1:4a).

Een gelovige kan geen vurig verlangen hebben en opgewekt worden de Heer te zoeken, zonder zich tegelijkertijd bewust te worden van het feit dat hij voor een dergelijk streven onvoldoende kracht heeft. De kracht om te streven is niet slechts de kracht die de Heilige Geest ons geeft en in ons neerlegt om ons in staat te stellen hem te zoeken. Dat is zij niet alleen. Nee, zij is een openbaring van de Here Jezus, die middels de Heilige Geest, de afstand tussen ons overbrugt en ons tot zich trekt met zijn schoonheid en schitterende heerlijkheid. Wanneer de Heer ons trekt doordat Hij zichzelf aan ons openbaart, door de Heilige Geest, dan is het vrij gemakkelijk om hem te zoeken.
Wanneer de Heer trekt, zullen wij ons ‘spoeden naar hem toe’. ‘Spoeden’ staat voor een aanhoudend verlangen. Alleen de aantrekkende kracht van de Heer zelf kan ons de aanhoudende kracht schenken om hem te zoeken en naar hem toe te ‘rennen’. Dit is iets wat wij moeten leren en begrijpen. Niemand kan uit zijn eigen wilskracht de tegenwoordigheid van de verheerlijkte Heer zoeken en binnen treden. Toen wij nog zondaars waren, hadden wij de leiding van de Heilige Geest nodig, en alleen door zijn hulp waren wij in staat om tot de Heer te komen. Evenzo hebben wij, nadat wij gelovig geworden zijn, diezelfde hulp nodig om ons met een aanhoudend verlangen tot de Heer te spoeden.
Ook hier zien wij een relatie tussen de gelovige en zijn medegelovigen. Ik word getrokken (‘trek mij’), maar wij spoeden ons naar hem toe. Ik word in de binnenkamer geleid, maar wij zullen ‘blij zijn en ons verheugen’. Wanneer de individuele gelovige de genade van de aanwezigheid van de Heer ontvangt, dan kan het niet anders of andere gelovigen krijgen gunstige indrukken.

INTIEME GEMEENSCHAP (1:4B)

De koning voerde mij naar zijn vertrekken,
laten wij juichen en ons in u verheugen,
uw liefde prijzen boven de wijn!
Met recht heeft men u lief! (1:4b).

Dat de koning haar in zijn vertrekken had gebracht, was een antwoord op haar gebed om dichter bij hem te mogen komen. Zijn kamer, dat is zijn schuilplaats, als in Psalm 91:1, een synoniem voor een gasten- of bruidskamer, een uitdrukking die wijst op intiem samenzijn. Als er geen affectieve relatie is, dan zal iemand vrijwel zeker nooit in een dergelijk vertrek worden toegelaten. Door het geliefde meisje in zijn geheime kamer binnen te brengen, markeerde de koning het begin van een intieme gemeenschap met haar, vanaf nu begon hij zijn speciale liefde voor haar te openbaren. In dat bruisvertrek zou zij ongetwijfeld een gemeenschap beleven die zij nog niet eerder had gekend, en dingen zien die zij nog nooit had gezien.
Het woord ‘koning’ in deze tekst geeft aan dat we de Heer eerst als de regerende koning moeten erkennen, voordat wij hem gaan beschouwen als onze geliefde Bruidegom. Een leven van intieme liefde en devotie wordt altijd voorafgegaan door volledige toewijding aan zijn heerschappij en zijn gezag. De volledige vervulling van onze geestelijke gevoelens kan alleen maar worden ervaren nádat we ons volledig aan hem hebben overgegeven. We zien hier dat de koning dit meisje in zijn meest geheime vertrek heeft toegelaten op grond van het feit dat zij hem volledig erkent als de gezaghebbende koning. Vandaar dat de koning haar nu het voorrecht geeft om bij hem te zijn in zijn binnenkamer.
De gelovigen die dit meisje vertegenwoordigt, mogen dus vol verwachting hun hoofden opheffen en uitzien naar de toekomst die zich voor hen zal ontvouwen. Zij weten dat de weg van de toekomst geen beperkingen kent. Zodra de ervaring in de binnenkamer begint, welt er een voldoening op want zij gaan nu steeds meer beseffen dat de koning die zij liefhebben, ook hun Bruidegom, hun Minnaar is. Zij weten nu heel goed dat God zal volmaken wat Hij in hen begonnen is. Daarom zeggen zij: ‘Laten wij juichen en ons in u verheugen, uw liefde prijzen boven de wijn!’ Dit zijn woorden die pas na dit aardse leven volledig in vervulling zullen gaan, maar waarvan we hier en nu al iets mogen ervaren, en wat we ervaren, smaakt naar meer. We worden vervuld met hoop op de tijd die komen zal.
‘Met recht heeft men u lief!’ Of, zoals een andere vertaling zegt: ‘De oprechten hebben u lief!’ Zij hebben de Heer lief zonder gemengde motieven. Hun liefde voor hem komt voort uit een rein hart en een goed geweten, zoals we in 1 Timoteüs 1:5 lezen: ‘Het doel van alle vermaning is liefde uit een rein hart en uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof.’ Dat is oprechte liefde.

Recensies uit de krant
10-10-2008Huizer Kerkblad
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584