Try it out
Lees hoofdstuk 1
Boodschap van Galaten
 
Boek kaft: Boodschap van Galaten

1:1-5

HET GEZAG EN HET EVANGELIE VAN DE APOSTEL PAULUS

    Paulus, een apostel, niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader, die Hem opgewekt heeft uit de doden, 2 en al de broeders, die bij mij zijn, aan de gemeenten van Galatië: 3 genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus, 4 die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, om ons te trekken uit de tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader, 5 aan wie de heerlijkheid zij in alle eeuwigheid! Amen.
In de loop van de ongeveer dertig jaar die verstreken tussen zijn bekering buiten Damascus en zijn gevangenschap in Rome, reisde de apostel Paulus door een groot deel van het Rijk als ambassadeur van Jezus Christus. Op zijn drie bekende zendingsreizen preekte hij het evangelie en stichtte hij kerken in de provincies Galatië, Azië, Macedonië (Noord-Griekenland) en Achaje (Zuid-Griekenland). Bovendien werden zijn bezoeken gevolgd door zijn brieven, waardoor hij aan de kerken die hij gesticht had leiding hielp geven.
Een van deze brieven, die zoals velen geloven de eerste is die hij schreef (omstreeks 48 of 49 n.Chr.), is de brief aan de Galaten. Deze is gericht aan de gemeenten van Galatië (vers 2). Er is onder geleerden enige discussie over wat bedoeld wordt met ‘Galatië’, en voor de details hier moet ik u verwijzen naar de commentaren. Ikzelf huldig de visie dat het een verwijzing is naar het zuidelijke deel van de provincie en in het bijzonder naar de vier steden van het Pisidische Antiochië, Iconium, Lystra en Derbe, steden waaraan Paulus het evangelie bracht op zijn eerste zendingsreis. U kunt hierover lezen in Handelingen 13 en 14.
In elke stad daar was nu een kerk. In het Nieuwe Testament wordt erkend dat wat ‘de gemeente Gods’ (Gal. 1:13), de universele kerk wordt genoemd, verdeeld is in plaatselijke ‘kerken’. Niet in gezindten natuurlijk, maar in gemeenten. De New English Bible vertaalt de uitdrukking in vers 2 met: ‘aan de christelijke gemeenten van Galatië’. Deze kerken werden samengesteld op grond van geografische en politieke overwegingen. Zo’n groep kerken kon of in het meervoud worden beschreven (bv. ‘de kerken van Galatië’, ‘de kerken...in Judea’, Gal. 1:2 en 22) of in het enkelvoud door een verzamelnaam (bv. ‘Achaje’, 2 Kor. 9:2). Dit gebruik lijkt enige bijbelse onderbouwing te geven aan het concept van een regionale kerk, de federatie van plaatselijke kerken in een bepaalde streek.
Al in de eerste alinea van zijn brief aan de Galaten raakt Paulus twee thema’s aan waarop hij telkens terug zal komen: zijn apostelschap en zijn evangelie. In de klassieke wereld begonnen alle brieven met de naam van de auteur, gevolgd door de naam van de ontvanger en een groet of boodschap. Maar meer dan in die dagen gebruikelijk was en meer dan hij in zijn andere brieven doet, weidt Paulus in de Galatenbrief niet alleen uit over de geloofwaardigheid van hemzelf als schrijver, maar ook over de betrouwbaarheid van zijn boodschap. Hij heeft daar goede redenen voor.
Sinds zijn bezoek aan deze Galatische steden zijn de kerken die hij gesticht had, door dwaalleraren in beroering gebracht. Deze mannen hadden een krachtige aanval ingezet op Paulus’ gezag en evangelie. Zij gingen in tegen zijn evangelie van rechtvaardiging door genade alleen en door geloof alleen, door vol te houden dat voor verlossing meer nodig was dan geloof in Christus. Je moest ook besneden zijn, zeiden ze, en de hele wet van Mozes nakomen (zie Handelingen 15:1, 5). Na Paulus’ evangelie te hebben ondermijnd, gingen ze door met ook zijn gezag te ondermijnen. ‘Wie is die Paulus eigenlijk?’, vroegen ze minachtend. ‘Hij was in elk geval geen van de twaalf apostelen van Jezus. En voorzover wij weten heeft hij ook geen machtiging van iemand ontvangen. Hij is gewoon een oplichter die zichzelf als apostel heeft opgeworpen.’
Paulus ziet duidelijk de gevaren van deze aanval op twee punten en dus opent hij direct aan het begin van de brief met een verklaring over zijn apostolische gezag en zijn evangelie van genade. Later in de brief zal hij deze thema’s uitwerken, maar let op hoe hij begint: Paulus, een apostel (geen bedrieger)...genade zij u. Deze twee termen ‘apostel’ en ‘genade’ waren in die situatie geladen woorden, en als we hun betekenis begrijpen, hebben we de twee hoofdonderwerpen van de Galatenbrief begrepen.

1. Paulus’ gezag (vers 1, 2)

‘Paulus, een apostel, niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader, die Hem opgewekt heeft uit de doden, en al de broeders, die bij mij zijn, aan de gemeenten van Galátië.’ Paulus claimt voor zichzelf juist de titel die de dwaalleraren hem klaarblijkelijk ontzeggen. Hij was een apostel, een apostel van Jezus Christus. De term had al een nauwkeurige bijbetekenis. ‘Voor de Jood was het woord goed gedefinieerd; het betekende een speciale boodschapper, met een speciale status, belast met een gezag en opdracht die van een hogere macht afkomstig waren dan hijzelf.’1
Dit is de titel die Jezus gebruikte voor zijn speciale vertegenwoordigers of afgevaardigden. Uit het grotere gezelschap van discipelen koos Hij er twaalf, noemde hen ‘apostelen’ en zond hen uit om te prediken (Luc. 6:13; Marc. 3:14). Dus zij werden persoonlijk gekozen, geroepen en gemachtigd om in zijn naam te leren. Het nieuwtestamentisch getuigenis maakt duidelijk dat deze groep klein en uniek was. Het woord ‘apostel’ was geen algemeen woord dat kon worden toegepast op iedere christen zoals de woorden ‘gelovige’, ‘heilige’ of ‘broeder’. Het was een speciale term gereserveerd voor de Twaalf en voor een of twee anderen die de verrezen Christus persoonlijk had aangesteld. De enige apostolische opvolging die er zijn kon, was dus trouw aan de apostolische leer van het Nieuwe Testament. De apostelen hadden geen opvolgers. Uit de aard der zaak kon niemand hen opvolgen. Zij waren uniek.
Tot dit selecte gezelschap apostelen claimt Paulus te behoren. Wij zouden eraan gewend moeten raken om hem eerder ‘de apostel Paulus’ te noemen dan ‘de heilige Paulus’, omdat in de nieuwtestamentische woordenschat iedere christen een heilige is, terwijl geen enkele christen van vandaag een apostel is. Let op hoe duidelijk hij zichzelf onderscheidt van andere christenen die op het moment van schrijven bij hem waren. Hij noemt hen, in vers 2, al de broeders die bij mij zijn. Hij is blij dat hij ook namens hen een groet kan overbrengen, maar zonder schaamte noemt hij zichzelf het eerst en geeft hij zich een titel die hij hun niet geeft. Zij zijn allen ‘broeders’; hij alleen onder hen is ‘een apostel’.
Hij laat ons niet in twijfel over de aard van zijn apostelschap. In andere brieven vindt hij het best om zichzelf te omschrijven als ‘een geroepen apostel’ (Rom. 1:1) of ‘een geroepen apostel van Christus Jezus door de wil van God’ (1 Kor. 1:1). Of hij noemt zichzelf, zonder van zijn roeping melding te maken, ‘een geroepen apostel van Christus Jezus door de wil [of ‘het bevel’] van God. (vgl. 2 Kor. 1:1; Ef. 1:1; Kol. 1:1; 1 Tim. 1:1; 2 Tim. 1:1). Maar hier, aan het begin van de Galatenbrief, weidt hij uit over zijn omschrijving van zichzelf. Hij geeft de krachtige verklaring af dat zijn apostelschap niet menselijk is in wat voor zin ook, maar wezenlijk goddelijk. Letterlijk zegt hij dat hij een apostel is ‘niet vanwege mensen, noch door een mens’. Dat betekent dat hij niet werd aangesteld door een groep mensen, zoals de Twaalf of de kerk in Jeruzalem of de kerk in Antiochië, of zoals bijvoorbeeld het Joodse Sanhedrin apostelen aanstelde; officiële afgevaardigden die werden benoemd om te reizen en te onderwijzen in hun naam. Paulus zelf was (als Saulus van Tarsus) een van deze gezanten geweest, zoals duidelijk is uit Handelingen 9:1, 2. Maar hij was niet tot het christelijk apostelschap aangesteld door enige groep mensen. Als we ervan uitgaan dat zijn apostolische aanstelling een goddelijke oorsprong had, dan was deze hem zelfs niet door enige individuele menselijke bemiddelaar, zoals Ananias of Barnabas of wie ook maar, verleend. Paulus houdt vol dat menselijke wezens er helemaal niets mee te maken hebben gehad. Zijn aanstelling tot apostel was direct noch indirect menselijk; deze was helemaal goddelijk. De aanstelling was, in zijn woorden, door Jezus Christus, en God de Vader, die Hem opgewekt heeft uit de doden. Slechts één voorzetsel wordt gebruikt: door Jezus Christus, en God, de Vader’. Maar het contrast met de uitdrukking ‘vanwege mensen’ en ‘door een mens’ doet vermoeden dat Paulus’ aanstelling tot apostel niet van mensen kwam, maar van God, de Vader, noch door een mens, maar door Jezus Christus (waarmee overigens gezegd wil zijn dat Jezus Christus niet alleen maar een mens is). We weten van elders dat dit het geval was. God de Vader koos Paulus uit als apostel (zijn roeping was ‘door de wil van God’) en stelde hem voor dat ambt aan door Jezus Christus, die Hij opgewekt had uit de doden. Het was de opgestane Heer van wie hij op weg naar Damascus zijn aanstelling kreeg en verscheidene keren noemt Paulus dit visioen van de verrezen Christus als essentiële voorwaarde van zijn apostelschap (zie 1 Kor. 9:1; 15:8, 9).
Wat was de reden dat Paulus zijn apostelschap zo liet gelden en verdedigde? Was hij gewoon een snoever, door persoonlijke ijdelheid opgeblazen? Nee. Was het uit gepikeerdheid dat mensen zijn gezag hadden durven aanvechten? Nee. Het was omdat het evangelie dat hij predikte in het geding was. Als Paulus geen apostel van Jezus Christus was, dan konden – en zouden – de mensen zijn evangelie ongetwijfeld verwerpen. Dát kon hij niet hebben. Want wat Paulus sprak was Christus’ boodschap op Christus’ gezag. Daarom verdedigde hij zijn apostolische gezag om zo zijn boodschap te verdedigen.
Dit speciale, goddelijke gezag van de apostel Paulus is in zichzelf reden genoeg om geen geloof te hechten aan en afstand te nemen van bepaalde moderne visies op het Nieuwe Testament. Laat me er twee noemen.

a. De radicale visie
De visie van moderne radicale theologen kan eenvoudig worden weergegeven als volgt: De apostelen waren louter getuigen van Jezus Christus uit de eerste eeuw. Wij van onze kant zijn twintigste-eeuwse getuigen en ons getuigenis is even goed als dat van hen, zo niet beter. Vandaar, dat zij bij het lezen van passages in de Brieven van Paulus die hun niet aanstaan zeggen: ‘Wel, dat is Paulus’ visie. Ik heb een andere visie.’ Zij spreken of ze apostelen van Jezus Christus waren en of ze even veel gezag kunnen hebben als de apostel Paulus om te leren en uit te maken wat waar en juist is. Laat me u een voorbeeld geven van een hedendaagse radicaal: ‘De heilige Paulus en Johannes’, schrijft hij, ‘werden door dezelfde hartstochten gedreven als wij. Hoe groot hun inspiratie ook was,...omdat het mensen waren, was hun inspiratie niet gelijkmatig of eenvormig...Want hun inspiratie ging gepaard met die mate van psychopathologie (geestesgestoordheid) die het gemeenschappelijke lot is van alle mensen. Ook zij hadden zelfzuchtige bijbedoelingen waarvan ze zich niet bewust waren. Wat ze ons vertellen moet dus een kwaliteit hebben die zichzelf bewijst, zoals muziek. Is die er niet, dan moeten we bereid zijn hun woorden af te wijzen. We moeten de moed hebben het oneens te zijn.’1 Zoals u ziet, wordt ons gezegd om van mening te verschillen op puur subjectieve gronden. We zouden onze eigen smaak hoger moeten stellen dan het gezag van Christus’ apostelen.
Neem verder Professor C.H. Dodd, die een grote bijdrage heeft geleverd aan de bijbels-theologische beweging. Deze schrijft niettemin in de Inleiding op zijn commentaar op de Brief aan de Romeinen: ‘Soms denk ik dat Paulus het verkeerd had en ben ik zo vrij geweest om dat ook te zeggen.’2 Maar wij hebben geen vrijheid om zo te denken of te durven spreken. De apostelen van Jezus Christus waren uniek – uniek in hun ervaring van de Jezus van de geschiedenis, uniek in hun zien van de verrezen Heer, uniek in hun aanstelling op Christus’ gezag en uniek in hun inspiratie door Christus’ Geest. We mogen onze meningen niet boven de hunne verheffen of claimen dat ons gezag even groot is als dat van hen. Want hun mening en gezag zijn dat van Christus. Als we voor zijn gezag willen buigen, moeten we dus voor het hunne buigen. Zoals Hijzelf zegt: ‘Wie u ontvangt, ontvangt Mij.’ (Matt. 10:40; Joh. 13:20).

b. de rooms-katholieke visie
Omdat de bijbelschrijvers bij de kerk hoorden, leren de rooms-katholieke dat de kerk de Bijbel heeft geschreven. De kerk staat daarom boven de Bijbel en heeft gezag om deze niet alleen te interpreteren, maar ook aan te vullen. Het is echter misleidend te zeggen dat de kerk de Bijbel heeft geschreven. De apostelen, de schrijvers van het Nieuwe Testament, waren apostelen van Christus, niet van de kerk, en zij schreven hun brieven als apostelen van Christus, niet van de kerk. Paulus is deze brief niet begonnen met: ‘Paulus, een apostel van de kerk, aangesteld door de kerk om u, Galaten, te schrijven.’ Integendeel, hij houdt er zorgvuldig aan vast dat zijn aanstelling en zijn boodschap van God komen; deze kwamen niet van welk mens of welke groep mensen ook, zoals de kerk. Zie ook vers 11 en 12. De bijbelse visie is dus dat de apostelen hun gezag ontleenden aan God door Christus. Apostolisch gezag is goddelijk gezag. Het is noch menselijk, noch kerkelijk. En omdat het goddelijk is, moeten we ons eraan onderwerpen.
We verleggen onze aandacht nu van Paulus’ geloofsbrieven als schrijver naar zijn schrijfdoel, van zijn gezag naar zijn evangelie.

Recensies uit de krant
6-1-2000NBD/Biblion
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584