Try it out
Lees hoofdstuk 1
De laatste week
 
Boek kaft: De laatste week

Achter het stoplicht kwam wat ruimte in het verkeer en met een flinke peut gas en een zwiep naar links kon hij nog mooi om die groene Renault heen met die rooie bos krullen achter het stuur. Soepel trok de Volkswagen op.
Een felle lichtschittering verblindde hem. Was het het zonlicht op de glanzende lak?
Op datzelfde moment zwaaide de Renault onverwachts naar links. Gertjans eerste reactie was vol op de remmen en gelijktijdig het stuur omgooien. De Renault draaide echter volledig mee en raakte de rechterkoplamp, die jammerlijk aan stukken sprong. Gertjan slipte door en schoof dwars over de weg, waarbij hij het kleine Renaultje in zijn slip meenam. Rakelings langs hem schoot, luid claxonnerend, half over de stoep, zijn tegenligger. Nogmaals splinterend glas en kreunend staal en toen stond hij stil. De motor schokte nog even en sloeg af.
Wat was er gebeurd? Zijn hart bonkte in zijn keel en zijn handen trilden. Om hem heen hoorde hij geclaxonneer en gierende remmen. Uit zijn ooghoeken zag hij links naast hem iets groots op zich afkomen. Hij zette zich schrap om de klap af te wachten en kneep zijn ogen stijf dicht. En toen was het stil, geen klap. Op een meter afstand van zijn portier stond een witte bestelbus. Even zat Gertjan stil, zijn ingehouden adem kwam met een zucht vrij. Het geluid van gierende remmen hield op. Toen stapte hij wat onvast uit de auto, met een scheef oog naar de witte bus. Die stond echt stil. Hij liep om zijn auto heen om te zien wat voor schade de rooie krullen hadden aangericht. Achter en voor hem stonden allemaal auto’s stil en van overal kwamen mensen aanrennen. Iemand anders was eerder bij het portier van de groene Renault en trok de deur open. Gertjan boog zich voorover en keek naar binnen.
De auto was leeg.

Rome. In de bovenste kamer van de villa hield de airconditioning de temperatuur koel. Koud, zouden anderen zeggen, maar die kwamen hier nooit. De lichtgrijze schermen voor de ramen filterden zorgvuldig het licht zodat een zachte schemer de inrichting van de kamer verhulde. In de schaarse lichtbundeltjes die langs de randen van de schermen glipten, dansten ragfijne stofdeeltjes. Er was trouwens niet veel te zien. Twee rechte stoelen aan weerszijden van een robuust bureau en een comfortabeler leren stoel in de hoek. Op het bureau stonden de gebruikelijke bureaubehoeften: een computerscherm, een fax, een telefoon en wat papieren.
Aan de bovenrand van het bureau bevond zich een klein bedieningspaneel. Op een bijzettafeltje naast de leren stoel stond een karaf met twee glazen. Leeg.
‘Het is zover’.
De man in de leren stoel opende langzaam zijn ogen en keek in de richting waar de stem vandaan was gekomen. De stem was hoog en schor geweest, uitgesproken met droge tong. In de donkerste hoek van de kamer stond een magere man van de grond op. Traag schudde hij zijn handen langs zijn lichaam af, alsof deze nat waren en hij het overtollige water afschudde. Hij stapte naar voren, ietwat onvast en stram en keek de man in de leren stoel aan. Een zwakke glimlach lag op zijn smalle lippen. Zijn sluike zwarte haar hing slap langs zijn gezicht tot op zijn smalle schouders. Zijn trekken waren half oosters, half Italiaans. Hoewel zijn houding en zelfs zijn gekreukte pak een vermoeide indruk maakten, straalden zijn koolzwarte ogen een enorme energie uit. De glimlach verbreedde zich toen zijn blik die van de man in de leren stoel ontmoette en opnieuw schudde hij zijn handen af, nu iets krachtiger.
De blik in de ogen van de man in de stoel verried geen enkele emotie. Ook hij had het geluid gehoord, of meer gevoeld eigenlijk. Maar niets verried de heftige sensatie die binnen in hem woedde. Hij toonde ouder dan de magere man, zijn stugge zwarte haar was wit langs de slapen, maar zijn gezicht was vrijwel rimpelloos. Ook hij stond op. Zijn gestalte was imposant. Het donkere krijtstreeppak van Italiaanse snit was maatwerk. Zijn ogen waren onverwacht licht. Op een bepaalde manier was hij knap, maar de koele uitdrukking maakte hem ongenaakbaar. De baard van enkele dagen contrasteerde met de rest van zijn voorkomen. Zijn gelaatstrekken waren niet tot een bepaald ras te herleiden, alsof de volkeren zich vermengd hadden.
Hij wendde zich af van de andere man en liep op het bureau toe. Met een druk op een van de knoppen van het bedieningspaneel zoemden de schermen voor de ramen naar boven en de kamer baadde in het licht van de middagzon. De pupillen in de stalen ogen van de man vernauwden zich toen hij in het volle licht van het raam stond. Met een zwaai gooide hij het raam open en hij keek omhoog naar de blauwe lucht.
‘En nu ik!’
Hij hoefde niet naar het opeens toegenomen geclaxonneer en geschreeuw uit de stad te luisteren om te weten wat er was gebeurd. Hij wist het al.
De magere man liep naar het bureau en knipte de computer aan. Vervolgens drukte hij op een van de knoppen van het bedieningspaneel en een damesstem meldde zich via een intercom.
‘Laat Zoeraja de mailings uitdoen. Het is zover.’
‘Jawel mijnheer.’
‘En laat daarna Chiran komen, we hebben honger.’
Binnen enkele minuten werden over de gehele wereld via faxen, telexen en internet verschillende berichten verzonden. Als een sneeuwbal die uitgroeide tot een lawine rolde de berichtenrij door.

Gertjan boog zich verder voorover.
‘Hoezo leeg,’ dacht hij hardop. ‘Waar is ze gebleven?’
‘Bent u in orde?’
De man naast hem keek hem onderzoekend aan.
‘Die draait zomaar naar links en rijdt me klem als ik aan het inhalen ben. Ik weet niet waar ze is, waar is dat gekke mens?’
‘Wie bedoelt u?’
‘Nou ja zeg, de bestuurder van deze auto. Ik was aan het inhalen, niets aan de hand, kon makkelijk, en opeens schiet ze me daar naar links en rijdt me hartstikke klem. Je ziet het.’
De man pakte een tasje van het dashboard van de auto en zocht er het rijbewijs uit. Toen hij het opensloeg verstarde hij.
‘Nee...’
Gertjan keek de man aan. Het bloed was uit zijn gezicht weggetrokken en uit zijn ogen sprak paniek. Hij ontweek de blik van Gertjan. ‘Ze is weggelopen, ik zag haar gaan, die kant op.’ Met zijn arm maakte hij een vage beweging om zich heen. Inmiddels had zich een kleine menigte om de auto’s verzameld en er werd gewezen en door elkaar heen geroepen. De man die het portier had geopend, verdween tussen de mensen. Het rijbewijs lag op de grond.
‘Zal ik even bellen?,’ vroeg een man met een dikke bril en hield hem een zaktelefoon voor. Op de achtergrond werd driftig getoeterd.
‘Hoezo, weggelopen, dat kan helemaal niet!’
‘In gesprek,’ constateerde de bril en keek verbaasd naar zijn telefoon.
Gertjan greep de telefoon en tikte 1-1-2 in. In gesprek.
‘In gesprek? Hoeveel lijnen hebben die lui dan!’
Nog eens. De telefoon ging over. Twee maal, drie maal, vier maal... ‘Wat doen ze daar allemaal?’
‘Alarmcentrale 1-1-2, zegt u het maar.’
‘Ja hallo, Van der Woude hier. Ik heb zojuist een aanrijding gehad op de hoe heet het hier...’
‘Schoterweg,’ werd er geroepen. De man met de bril was er weer bij.
‘Schoterweg,’ herhaalde Gertjan.
‘Euh... gewonden?’ onderbrak de telefoniste. Wat klonk dat onvast voor iemand die dagelijks dit soort telefoontjes moest ontvangen.
‘Nou ja, nee, ik weet het niet, ze is weg...’
‘Ogenblikje...’
Op de achtergrond klonk wat gesmoord gemompel. Een hand was half op de hoorn gelegd. Gertjan ving nog iets van ‘instructies’ en ‘afkappen’ op. Wat was dit voor een vreemd gedoe?
‘Meneer?’
Hé, dat was iemand anders.
‘Ja?’
‘We hebben op dit moment nog andere meldingen met een hogere urgentie. Tot onze spijt kunnen wij u nu niet doorverbinden en aangezien er geen gewonden zijn stellen wij voor dat u met de betrokkene tot een oplossing komt en de rijbaan vrijmaakt.’
‘Ja wacht even, ik zeg net dat die verdwenen...’
‘Tuut-tuut-tuut-’
Verbaasd staarde Gertjan naar het toestel in zijn hand.
‘Is de verbinding verbroken?’ vroeg de man met bril. ‘Zal ik het nog eens proberen?’
Gertjan gaf de telefoon terug en zakte naar achteren tegen de groene Renault. De eerste schrik was inmiddels van verbazing overgaan in ergernis. Daar staan we dan.
‘Ja maat, doen we nog wat?’ Een getatoeëerde Amsterdammer trok een wenkbrauw richting kaalgeschoren kruin.
‘Help even drukken dan,’ stelde Gertjan voor.
‘Mooi zo, maatje. Hup volk, klauwen uit de mouwen en douwen!’ De Amsterdammer beende om het Renaultje heen en zette zijn grote handen tegen de motorkap. Toen er beweging in bleek te komen, liepen anderen toe en met vereende krachten schuurde de Renault zijn groene lak langs het metallic blauw van de Volkswagen. De linkerspiegel brak af en viel aan stukken op de straat.
‘Kan dat ook anders,’ probeerde Gertjan nog, maar toen de kale reus zijn slechte gebit blootgrijnste liep Gertjan terug om de auto’s heen. Wat maakt het nog uit. ‘Waar wou je hem hebben,’ grijnsde de reus, maar had geen behoefte aan een antwoord. De bril wees behulpzaam naar de stoep.
Gertjan startte de motor. Voorzichtig een beetje gas geven. Och, dat klonk nog best normaal. Vooruit, achteruit.
‘Oh meneer!’
Vriendelijk lachend stak de bril een kaartje door het kapotte linkerraam naar binnen.
‘Ik heb nog even het autonummer voor u genoteerd.’
Glad vergeten met al dat gedoe.
‘Bedankt.’
Gertjan nam het kaartje aan. Op de voorkant van het visitekaartje stond de naam van de bril: Huib Bruil, schade-expertise.
Langzaam kwam het verkeer iets in beweging op de Schoterweg.
Een snelle blik op zijn horloge leerde hem dat hij toch zeker een half uur verloren had.
Op de hoek van de Zaanenstraat draaide Gertjan linksaf de Schoterweg af en sloot zich tot zijn ergernis direct aan bij een nieuwe opstopping.
Nee hè. Evelien zal wel ongerust worden. En dat pilsje in het zonnetje in de tuin kon hij ook wel schudden.
Uit veel auto’s waren de mensen al uitgestapt en ze liepen nu allemaal door elkaar heen. Gertjan stapte ook uit en liep mee naar voren. Fietsers wurmden zich door de menigte. Dwars over de straat stonden drie auto’s op elkaar, twee ervan frontaal. Een oudere man zat op de grond met een rooddoorweekte zakdoek aan het hoofd. Hij leunde tegen het wiel van zijn Mercedes. In de achterste auto hing een vrouw lijkbleek half opzij in de gordels. De Citroën 2CV was haast onherkenbaar vervormd op de Mercedes. Aan alle kanten werd geroepen, gepraat en gewezen.
‘Wat is hier gebeurd?,’ vroeg Gertjan aan een van de omstanders. De dame keek hem zijdelings aan.
‘Ik weet het niet precies. Een tegenligger kwam op zijn weghelft en heeft hem geraakt.’
Ze knikte even naar de oudere man op de grond.
‘En die mevrouw zat er achterop. ‘t Is wat hè...’
‘En waar is de chauffeur van die ene auto dan?’
‘Weg denk ik, ze zeggen dat hij er vandoor gegaan is.’
Gertjan keek naar de eend. Vond voorkant tot halverwege de cabine zat deze volledig in elkaar en de voorruit was verbrijzeld. Het stuur was in de voorbank gedrukt. Daar kon geen mens meer levend uit zijn gekomen, laat staan dat-ie kan weglopen.
‘Is er een ambulance onderweg?’
‘Ze hebben een kwartier geleden gebeld maar er komt niemand...’
Gertjan voelde een duw in zijn rug. Verontwaardigd keek hij om in het gezicht van de kale Amsterdammer.
‘Maatje!’
Het slechte gebit werd weer uitbundig gedemonstreerd.
‘Heb je het weer voor elkaar of is er iemand anders aan de beurt?’
Deze man genoot ervan! Met afgrijzen bekeek Gertjan de man die zich alweer verder naar voren werkte.
‘Jongens, we gaan weer douwen,’ juichte hij, ‘want als je op de politie moet wachten staan we hier morgen nog.’

Recensies uit de krant
3-1-2000JBB
1-8-2001Stichting Nederlandse bibliotheek dienst
Recensies van lezers
NaamLenny Haarman
Rapportcijfer9
RecensieIk ben 15 en heb het boek nu al 2 keer gelezen. Ik vind het echt een super cool boek!!! Ik vind het wel erg eng vooral het deel dat Nagheela (nineke) bijna levend geofferd wordt. Gelukkig loop het "goed" af. Ik kijk uit naar het nieuwe boek van Mnr. de Gruijter!!!
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584