Try it out
Lees hoofdstuk 1
De Bijbel: Gods woord voor vandaag
 
Boek kaft: De Bijbel: Gods woord voor vandaag

1 God en de bijbel

Ons eerste onderwerp, ‘God en de bijbel’, voert ons tot het onderwerp van openbaring. Als tekst gebruik ik daarvoor Jesaja 55:8-11. Daarin spreekt God zelf:

Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten. Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt en daarheen niet weerkeert, maar doorvochtigt eerst de aarde en maakt haar vruchtbaar en doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de zaaier en brood aan de eter, alzo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend.

Uit deze geweldige tekst zijn minstens drie belangrijke lessen te leren.


DE REDELIJKHEID VAN OPENBARING
Er zijn mensen die met het idee van openbaring op zichzelf al moeite hebben. Het idee dat God zichzelf zou openbaren aan de mens, vinden ze ongeloofwaardig. ‘Waarom zou Hij dat doen?’ zo vragen zij ‘en hoe zou Hij dat kunnen doen?’ Mijn antwoord is dat de duidelijke noodzakelijkheid van goddelijke openbaring het idee alleszins redelijk maakt. De meeste mensen hebben zich altijd weer overweldigd gevoeld door de mysteries van het menselijk leven en de menselijke ervaring. De meeste mensen hebben dan ook toegegeven dat ze wijsheid van buitenaf nodig hebben, als ze de betekenis van hun eigen bestaan en zeker dat van God, zo God bestaat, ooit willen begrijpen. Laat ik u op Plato wijzen. In de Phaedo zegt hij dat we de zeeën der duisternis en twijfel moeten bevaren met het kleine ‘vaartuig’ van ons eigen verstand. En hij voegt daar dan aan toe, dat ‘als de mens niet enig woord van God kan vinden dat hem met groter zekerheid en veiligheid leidt, ik moet erkennen dat dit niet zonder risico is.’
Zonder openbaring, zonder goddelijke instructie en aanwijzing, voelen wij mensen ons als een boot die stuurloos op volle zee voortdrijft; als een blad van een boom dat door de wind wordt weggewaaid; als een blinde die in het duister rondtast. Hoe kunnen we de weg vinden? Belangrijker nog, hoe kunnen we Gods weg vinden zonder zijn aanwijzing? De onmogelijkheid voor de mens om God te vinden uitsluitend door zijn eigen intellect, wordt zeer duidelijk in de verzen 8 en 9 van mijn tekst duidelijk gemaakt. ‘Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen,’ verklaart de Here. ‘Zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten.’ Met andere woorden: Er bestaat een grote kloof tussen Gods geest en de geest van de mens. De tekst brengt een tegenstelling tot uitdrukking tussen de wegen en gedachten van God enerzijds en de wegen en gedachten van de mens anderzijds. Dat wil zeggen dat er tussen wat wij denken en doen en wat God denkt en doet een ontzaglijke kloof bestaat. De gedachten en wegen van God zijn net zoveel hoger dan de gedachten en wegen van de mens, als de hemelen hoger zijn dan de aarde; dat wil zeggen oneindig.
Denk eens na over Gods gedachten. Hoe kunnen we zijn gedachten ontdekken of weten wat Hij denkt? Waarom kunnen we zelfs elkaars gedachten niet lezen? We proberen het wel. We kijken naar elkaars gezicht om te zien of we glimlachen of boos kijken. We kijken elkaar in de ogen om na te gaan of ze vijandigheid of vriendelijkheid uitstralen, of ze somber of vrolijk staan. Maar dat is een riskante zaak. Als ik hier zwijgend, met een onbewogen gezicht op de preekstoel zou staan, zou u er niet de flauwste notie van hebben wat ik dacht. Probeer dat maar eens. Laat ik eens even mijn mond houden. Weet u nu waaraan ik dacht? Heeft u enig idee? Nee? Dan zal ik het u vertellen. Ik stelde mij voor dat ik de toren van de All Souls kerk aan het beklimmen was! Maar dat wist u niet. U had er geen idee van wat ik dacht. Natuurlijk niet. U kunt mijn gedachten niet lezen. Als we zwijgen is het onmogelijk elkaars gedachten te leren kennen. Dan is het nog onmogelijker (als er tenminste maten van onmogelijkheid bestaan) om door te dringen tot de gedachten van de almachtige God. Zijn verstand is oneindig. Zijn gedachten zijn zo verheven boven die van ons als de hemelen verheven zijn boven de aarde. Het is belachelijk ons voor te stellen dat we ooit tot Gods verstand zullen kunnen doordringen. Er bestaat geen ladder waarlangs ons kleine verstand kan opklimmen tot zijn oneindige verstand. Er bestaat geen brug die we over de grote kloof van oneindigheid kunnen leggen. Er bestaat geen enkele manier waarop we God kunnen bereiken of begrijpen.
Het is dan ook alleszins redelijk om te zeggen, dat we nooit in staat zullen zijn om achter Gods gedachten te komen, als Hij niet zelf het initiatief neemt om ze ons te openbaren. Als God zichzelf niet bekend maakt aan ons, zullen we Hem nooit leren kennen en alle altaren van de wereld zullen, net als dat altaar dat Paulus te Athene zag, het tragische opschrift dragen ‘AAN EEN ONBEKENDE GOD’(Hand. 17:23).
Op die plaats begint onze studie. De plaats van nederigheid voor de oneindige God. Het is ook de plaats van wijsheid, als we de redelijkheid van het idee van openbaring gaan inzien.


DE MANIER VAN OPENBARING

Als we aannemen dat het redelijk is dat God zichzelf openbaart, hoe doet Hij dat dan? In principe op dezelfde manier waarop wij onszelf aan elkaar openbaren en bekend maken, dat wil zeggen door zowel daden als woorden, door dingen die we doen en zeggen.
Creatieve kunst is altijd één van de belangrijkste middelen geweest tot menselijke zelfexpressie. We zijn ons ervan bewust dat er iets in ons is dat tot uiting moet komen en we doen ons best dat te realiseren. Voor sommige mensen is het geëigende middel muziek of poëzie, voor anderen de beeldende kunsten: tekenen, schilderen of fotografie, keramiek, beeldhouwen, houtsnijkunst of architectuur, dansen of drama. Het is interessant dat van deze artistieke uitingen de pottenbakkerij in de Schrift voor God het meest gebruikt wordt – vermoedelijk omdat de pottenbakker in de dorpen van Palestina een bekend figuur was. Zo wordt er van God gezegd dat Hij de aarde en de mens die daarop woont ‘gevormd’ of ‘geformeerd’ heeft (bijv. Gen. 2:7; Ps. 8:3; Jer. 32:17). Bovendien wordt Hijzelf in zijn werken gezien. ‘De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen’ (Ps. 19:2; Jes. 6:3). Of zoals Paulus aan het begin van zijn brief aan de Romeinen schrijft: ‘Daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen [de heidenwereld] openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien’ (Rom. 1:19-20). Met andere woorden, net zoals menselijke kunstenaars zichzelf uiten in hun schilderstukken, beeldhouwwerken of muziek, zo heeft de goddelijke Kunstenaar zich geopenbaard in de schoonheid, evenwichtigheid, samenstelling en orde van zijn schepping. Daaruit leren we iets over zijn wijsheid, macht en trouw. Dit wordt gewoonlijk de ‘natuurlijke’ openbaring genoemd, omdat die ons gegeven wordt in en door de ‘natuur’.
Hier wijst mijn tekst echter niet op, maar wel op de tweede en meer directe manier waarop wij onszelf aan elkaar bekend maken en God zich aan ons bekend gemaakt heeft, namelijk door woorden. Tussen mensen is de spraak het meest volledige en geschiktste communicatiemiddel. Ik heb al eerder gezegd dat ik, als ik zwijgend met een onbewogen gezicht op de preekstoel zou staan, voor u niet te doorgronden zou zijn en u niet zou weten wat erin mij omging. Maar nu is de situatie anders. Nu weet u wél wat er in mij omgaat, want ik zwijg niet meer. Ik spreek; ik breng mijn gedachten onder woorden. De woorden van mijn mond dragen de gedachten van mijn geest aan u over.
De spraak is dan ook het beste communicatiemiddel en de spraak is het belangrijkste middel dat door de bijbel wordt gebruikt om Gods zelfopenbaring te illustreren. Kijk nog eens naar mijn tekst, de verzen 10 en 11: ‘Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt en... doorvochtigt eerst de aarde en maakt haar vruchtbaar en doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de zaaier en brood aan de eter, alzo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn.’ Let op de tweede verwijzing naar de hemel en de aarde: omdat de hemelen hoger zijn dan de aarde, kan de regen neerdalen op de aarde om die nat te maken. Let er ook op dat de schrijver van Gods gedachten rechtstreeks overgaat naar de woorden die Gods mond spreekt: ‘alzo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn... het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend.’ De overeenkomst is duidelijk. Zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, maar de regen uit de hemel neerdaalt om de aarde te bewateren, zo zijn Gods gedachten hoger dan onze gedachten, maar ze dalen op ons neer, omdat zijn woorden van zijn mond uitgaan waardoor zijn gedachten voor ons tot uitdrukking worden gebracht. Zoals de profeet eerder zei: ‘De mond van de Here heeft het gesproken’ (Jes. 40:5). Hij verwees naar één van zijn eigen godspraken, maar hij beschreef die als een boodschap die uit Gods mond kwam. Of zoals Paulus het in 2 Timotheüs beschreef: ‘Alle Schrift is door God ingegeven (theopneustos: letterlijk ‘door God ingeademd’, 2 Tim. 3:16). Dat wil zeggen, de Schrift is Gods Woord dat uitgaat van Gods mond. Nu ik duidelijk heb gemaakt wat mijn tekst tot uitdrukking brengt, is het van belang daaraan nog een aantal kwalificaties toe te voegen om ons een beter begrip te geven van de manier waarop God zijn Woord gesproken heeft.
Ten eerste, Gods Woord (dat nu in de Schrift is vastgelegd) hangt ten nauwste samen met zijn handelen. Anders gezegd, Hij sprak tot zijn volk zowel door daden als door woorden. Hij maakte zichzelf aan Israël bekend in zijn geschiedenis en Hij bracht de Israëlieten tot ontwikkeling door hen zowel met zijn behoud als met zijn oordeel bekend te maken. Hij bevrijdde de Israëlieten uit de slavernij van Egypte; Hij bracht hen veilig door de woestijn en vestigde hen in het beloofde land; tijdens het tijdperk van de Richters bewaarde Hij hun nationale identiteit; Hij gaf koningen om hen te regeren, ondanks het feit dat hun verlangen naar een menselijke koning ten dele een afwijzing van zijn eigen koningschap betekende; zijn oordeel kwam over hen voor hun aanhoudende ongehoorzaamheid toen ze in ballingschap naar Babel werden gevoerd; en toen bracht Hij hen terug naar hun eigen land en stelde hen in staat hun eigen nationaliteit te herstellen en hun eigen tempel te herbouwen. En boven dat alles zond Hij voor ons zondaren en voor ons behoud zijn eeuwige Zoon, Jezus Christus, om geboren te worden, te leven en te werken, te lijden en te sterven, uit de dood op te staan en zijn Heilige Geest uit te storten. Door deze daden, eerst in de geschiedenis van het Oude Testament, maar bovenal in Jezus Christus, openbaarde God zich daadwerkelijk en persoonlijk.
Om die reden brengen sommige theologen onderscheid aan tussen ‘persoonlijke’ openbaring (door Gods daden) en ‘leerstellige’ openbaring (door zijn woorden) om dan vervolgens de laatste af te wijzen ten gunste van de eerste. Dit is echter een ongelukkige en niet noodzakelijke tegenstelling. Het is niet nodig om te kiezen tussen deze twee vormen van openbaring. God gebruikte ze beide. Bovendien hangen ze nauw met elkaar samen. Want Gods woorden geven een verklaring voor zijn daden. Hij inspireerde zijn profeten om uit te leggen wat Hij met Israël deed en Hij inspireerde zijn apostelen om uit te leggen wat hij door Christus deed. Het is waar dat het proces van goddelijke zelfopenbaring zijn hoogtepunt vindt in de persoon van Jezus. Hij was Gods Woord geopenbaard in het vlees. Hij toonde de heerlijkheid van God. Hem zien betekende het zien van de Vader (verg. Joh. 1:14, 18; 14:9). Niettemin zou deze historische en persoonlijke openbaring ons niets baten, als God niet tevens de betekenis van de persoon en het werk van zijn Zoon geopenbaard zou hebben. We moeten dan ook de valstrik vermijden om de ‘persoonlijke’ en ‘leerstellige’ openbaring als twee alternatieven tegenover elkaar te zetten. Het is juister om te zeggen dat God zich geopenbaard heeft in Christus en in het bijbels getuigenis over Christus. Het één is niet compleet zonder het ander.
Ten tweede, Gods Woord is tot ons gekomen door menselijke bewoordingen. Als God sprak, deed Hij dat niet door uit een heldere, blauwe hemel hoorbaar tot mensen te roepen. Nee, Hij sprak door de profeten (in het Oude Testament) en door de apostelen (in het Nieuwe Testament). Bovendien waren deze menselijke vertegenwoordigers van Gods openbaring werkelijke mensen. De goddelijke inspiratie was geen mechanisch proces waardoor de bijbelschrijvers tot een machine of een bandrecorder werden gereduceerd. De goddelijke inspiratie was een persoonlijk proces, waarbij de bijbelschrijvers gewoonlijk in het volle bezit van hun vermogens waren. We behoeven de bijbel slechts te lezen om te zien dat dit zo is. De verhalende schrijvers (en in de bijbel, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament komen veel historische verhalen voor) gebruikten historische verslagen. Sommige daarvan worden in het Oude Testament aangehaald. Aan het begin van zijn Evangelie vertelt Lucas ons dat hij er grote moeite voor gedaan heeft om alles nauwgezet na te gaan. Bovendien ontwikkelden al de bijbelschrijvers hun eigen persoonlijke schrijfstijl en werkten ze hun eigen theologische aandachtspunten uit. Vandaar de rijke diversiteit van de Schrift. Maar ondanks hun gevarieerde benadering was het God die door hen sprak.
Deze waarheid over het dubbele auteurschap van de bijbel (het Woord van God en het woord van mensen, of beter gezegd, het Woord van God door de woorden van mensen heen) is het getuigenis van de bijbel zelf. De oudtestamentische wet bijvoorbeeld wordt soms genoemd ‘de wet van Mozes’ en soms ‘de wet van God’ of ‘de wet van de Here’. In Hebreeën 1:1 lezen we dat God sprak tot de vaderen door de profeten. In 2 Petrus 1:21 lezen we echter dat mensen van Godswege gesproken hebben, waarbij ze geïnspireerd werden door de Heilige Geest. Dus zowel God als de mens sprak. Zij spraken ‘over’ Hem en Hij sprak ‘door’ hen. Beide stellingen zijn waar.
Bovendien moeten we die twee stellingen bij elkaar houden. Evenals in het vlees geworden Woord (Jezus Christus) het goddelijke en het menselijke element samengaan en elkaar niet tegenspreken, zo is dat ook het geval in het geschreven Woord (de bijbel). Deze analogie, die al vroeg in de kerkgeschiedenis ontwikkeld werd, wordt nu vaak bekritiseerd. En het is duidelijk dat hij niet helemaal juist is, daar Jezus een persoon was, terwijl de bijbel een boek is. Niettemin blijft de analogie zijn nut hebben als we de beperkingen daarvan maar in het oog houden. We moeten bijvoorbeeld nooit de goddelijkheid van Jezus zodanig bevestigen dat daardoor zijn menselijkheid wordt ontkend, noch zijn menselijkheid zodanig bevestigen dat zijn godheid daardoor wordt ontkend. Zo is dat ook met de bijbel. Enerzijds is de bijbel het Woord van God. God sprak en besloot zelf wat Hij zou zeggen, maar niet op zo’n manier dat daardoor de persoonlijkheid van de menselijke schrijvers vervormd werd. Anderzijds is de bijbel het woord van mensen. Mensen spraken en hadden daarbij de vrije beschikking over hun vermogens, maar niet op zo’n manier dat daardoor de waarheid van de goddelijke boodschap verwrongen werd.
Het dubbele auteurschap van de bijbel heeft gevolgen voor de manier waarop we de bijbel lezen. Omdat die het woord van mensen is, moeten we hem bestuderen zoals ieder ander boek, daarbij gebruik makend van ons verstand om de woorden en de zinsbouw, de historische oorsprong en zijn literaire compositie te onderzoeken. Maar omdat de bijbel ook het Woord van God is, zullen we hem bestuderen als geen enkel ander boek, op onze knieën, nederig, God smekend om verlichting en om de bediening van de Heilige Geest, zonder wie wij nooit zijn Woord kunnen begrijpen.

Recensies uit de krant
9-1-1997Waarheidsvriend
Recensies van lezers
NaamBastiaan Oostendorp
Rapportcijfer9
RecensieEen heldere beschrijving, van het christendom, dat God door de handen van de discipelen heen werkte vind ik mooi verwoord, mens en van god afkomstig tegelijk ,alsof het een soort toelaten is van de kracht god's, en dat gebed duidelijk maakt in hoeverre, je die kracht toelaat, om de persoonlijke openbaring van God in je leven zich kenbaar te laten worden.
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584