Try it out
Lees hoofdstuk 1
Dochter van twee moeders
 
Boek kaft: Dochter van twee moeders

Hoofdstuk 1

De muur was hoog en geel. Boven haar hoofd enkele handgeschilderde posters, waarop Indiase filmsterren de illusie van hun spel weergaven in hun mooie, verstarde gezichten.
Ze stond daar tegen het gebouw geleund, terwijl haar ogen probeerden de indrukken rondom in zich op te nemen.
Veel Victoriaanse huizen, aangevuld met onmiskenbaar oosterse details, statig peinzend in een ver verleden.
Voor haar ogen ontvouwde zich een grote hoeveelheid impressies en kleuren, die ze probeerde in te drinken met de gulzigheid waarmee een pasgeborene de moedermelk tot zich neemt.
Ze zag de vrouwen in hun veelkleurige sari’s over het marktterrein rondlopen, al dan niet onwillige kinderen met zich meezeulend.
Brahmanen in het wit zochten hun weg in de drukte, marktkooplui met karrenladingen vol koopwaar lieten de mensen uiteengaan.
Ze had nog het meest oog voor de kinderen, die haar opnamen met donkere, wijze ogen, waaruit een heel leven sprak.
De doordringende geur van wierook, kruiden, mest, urine, verval was overal om haar heen voelbaar in de lucht.
De zon werd warmer nu, maar had nog niet de intensiteit van de late ochtend bereikt.
Vlakbij, over het slechte, uitgesleten wegdek liep en reed men alle kanten op in een verwarde chaos.
Voetgangers en koeien liepen veiligheidshalve in de goot, fietsers, scooters, taxi’s, bussen en vrachtwagens gebruikten het middelste en meest begaanbare deel van de weg. Ook hier al hiërarchie volop.
Bordjes aan de kant van de weg waarschuwden: ‘If you want to donate blood, please do it on the bloodbank, not on the road.’ En: ‘Life is a journey, complete it!’ Geen overbodige luxe, met al die doden, die dagelijks in het verkeer vielen.
De bedrijvigheid op de Crawford-markt was enorm. Op de grootste markt van Bombay leek het, alsof men elkaar probeerde te verdringen van te smalle plaatsen, de ene koopman probeerde de andere te overtroeven door zijn stand nog aantrekkelijker te maken. Kleuren van tarwe, rijst, gierst in grote open jutezakken, saffraan, paprika, courgette, alles gerangschikt naar soort en kleur.
‘Zo veel... zo ongelofelijk veel...’ fluisterde ze, terwijl ze probeerde te begrijpen wat ze zag.
De marktkooplui, ieder een kenner van z’n eigen waar, lonkten naar de toeristen. ‘Come, come, good price, only for you, come... come!’ In een stalletje met etenswaren, blikjes cola en onduidelijke souvenirs stonden verschillende afbeeldingen van ‘Christus met het heilige hart’, ‘Vishnoe’, de fluitspelende jongeling met zijn herderinnetjes, en het olifantengodje, hoe was zijn naam ook al weer. Was het niet Ganesh?
‘Madam… you want a portrait of Jesus Christ… ah… I have a good price for you!’
‘Jezus in de uitverkoop...’ mompelde ze. Het klonk wat treurig.
‘Dat zeg je ook niet, als je in de evangelische boekwinkel staat...’
Ben natuurlijk weer, hij moest altijd ad rem zijn.
‘Dit kan je toch nauwelijks evangelisatie noemen. Dit is godsdienst gebruikt als koopwaar...’
‘Hier waarschijnlijk heel acceptabel. Trouwens, hoeveel beter zijn wij af in ons land, waar toch ook steeds meer semi-religie overal de kop opsteekt.’
Ze keek nog eens naar de afbeeldingen, en de man, die haar ogen op zich voelde gericht, begon nu zijn volle aandacht aan haar te geven.
‘Madam, you want?’
Ze keek hooghartig een andere kant op, en Ben glimlachte naar haar.
Een opvallende verschijning, groot, blond, een reus, verdwaald in een wereld vol kleine, vaak tengere mensen.
‘Chai, chai?’ Een paar kinderen kwamen vragend op hen af, een grote aluminium theepot en een paar kopjes meedragend.
‘Laten we een kopje nemen. Thee is altijd goed en veilig om te drinken,’ zei Ben. Toen hij Esmee aarzelend zag kijken naar de gedeukte theepot, vervolgde hij: ‘Minstens twee liter per dag, weet je nog, dat die G.G.D.-arts dat uitdrukkelijk adviseerde, om...’ Ze knikte.
Ieder namen ze een beker vol met thee, en betaalden de kinderen wat paisa’s.
‘Dhanjabad,’ riepen ze, wachtend tot de bekers leeg waren, zodat ze weer op zoek konden gaan naar andere dorstige zielen.
Esmee keek hen na, terwijl ze door de menigte liepen, soms vervaarlijk zwaaiend met de gloeiende ketel, hun kleine lichamen wat gebogen door het gewicht.
‘Zou dat hun dagtaak zijn?’ vroeg ze voor zich heen.
‘Waarschijnlijk wel, en misschien zijn ze dan nog goed af ook.’ Ben meende het.
Haar aandacht werd al weer getrokken door twee andere kinderen, die in de goot naast elkaar speelden. Smerig water sijpelde over hun kleine handen, hun ogen glommen door het nieuw ontdekte spelletje.
‘Ik had nooit gedacht, dat het zo zou zijn... zo chaotisch, zo...’
‘Zoveel mensen, geluiden, geuren... Zoveel schoonheid en verval, rijkdom en armoede... Ik voel me een volkomen vreemde in een onbekende wereld...’
‘Esmee, probeer niet om Bombay te begrijpen. Laat je meedrijven op alle indrukken om je heen, maar verdrink er niet in.’ Ben klonk als een geduldige, oudere broer.
‘Ben?’ Het klonk aarzelend.
‘Ja?’
‘Heb jij ook wel eens het gevoel gehad, dat je in de verkeerde film bent beland? Ik bedoel...’
‘O, ja, ik denk, dat iedereen dat weleens heeft.’ Hij klonk in ieder geval begrijpend.
Ze keken beiden naar het tafereeltje vlakbij, waar een grote, vaalwitte koe een paar kolen bij een groentekraampje at.
Uiteindelijk vond de eigenaar van de koopwaar, dat het heilige dier nu wel genoeg aan z’n trekken was gekomen en met veel herrie joeg hij het beest weg.
‘Wie weet, jaagt hij z’n eigen overgrootvader wel weg!’ probeerde Ben haar af te leiden van sombere gedachten, die haar verwarden.
Esmee glimlachte, maar werd weer ernstig. ‘Is het niet wreed, een maatschappij waarin ieder zijn lot heeft verdiend?’
‘Begint onze maatschappij ook niet steeds meer zulke trekken te vertonen?’
‘Nou, dat ben ik niet met je eens. De voorzieningen worden minder, maar ze zijn er tenminste wel.’
‘Wat dacht je van de gekte van de 24-uurseconomie, waarin we steeds meer worden meegesleept? En al die mensen aan de rand van de samenleving, die steeds moeilijker aansluiting vinden in de maatschappij?’
‘Jij kijkt er nu eenmaal anders tegen aan, omdat het jouw werk is die mensen te begeleiden.’
Beiden zwegen, terwijl hun ogen afgleden naar de kinderen in de goot. Zij stonden nu in het water, en het spoelde over hun bruine, blote voetjes heen.
‘Kijk eens naar die kinderen in de goot, Ben. Zouden zij ooit wat bereiken in dit land?’
Beiden keken ze naar de twee kinderen, die vies maar onbekommerd speelden.
‘Wie weet, hoe gelukkig ze zijn in hun wereldje. Zolang ze zich nog niet bewust zijn van alles om hen heen.’ Ben klonk bedachtzaam. Toen, om zich heen kijkend, vervolgde hij:
‘Laten we Deb maar eens gaan opzoeken. We moeten voorkomen, dat we meteen de eerste dagen al blut raken door alle koopjes die ze ziet.’
Hij liep de menigte in, stopte abrupt om zich om te draaien en zijn hand naar Esmee uit te steken.
Over het uitwaaierende marktterrein liepen ze verder, totdat Ben Deborah’s korengele haar ontdekte in een klein winkeltje, grenzend aan de markt.
Ze liepen naar binnen om Deborah mee te tronen.
‘Deb, we willen graag nog wat meer van de stad zien...’ Ben legde een arm om haar stevige schouder.
Wat tegensputterend liep Deborah met hen mee, haar pas gedane aankopen aan Esmee tonend: ‘Esmee, kijk eens, wat een prachtige shawls ik heb gekocht, voor jou ook, en...’ Ze keek schuin naar Ben, die haar kritisch bekeek. ‘Ik heb flink afgedongen op de prijs, hoor, maak je geen zorgen!’ Ze lachte twee kuiltjes in haar wangen, en Esmee liet de zachte stof door haar vingers glijden, terwijl ze zei: ‘Je hebt toch niet te weinig betaald, hoop ik, de mensen hebben hier al zo weinig!’
‘Ach, lieve Esmee, met al je goede bedoelingen zou jij de markt hier om zeep helpen... iedereen verwacht immers, dat je minder geeft dan gevraagd wordt!’
Esmee deed de shawls weer terug in de fel roze plastic zak. Sinds er plastic in omloop was, zag je dat overal liggen. Onverteerbare resten van een andere beschaving.
Ze liepen gedrieën verder, langs de hokken en kooien, waarin honden en vogels gelaten wachtten op iemand die hen mee zou nemen. Naarmate het warmer werd, leken ze zich meer terug te trekken in hun kleine onderkomen.
Een elegant geklede vrouw nam de theeketel, en dronk daaruit, zonder de tuit met haar mond te raken. Glimlachend veegde ze haar natte lippen af aan haar sari.
Tussen de vogelkooien in zaten drie mannen op de grond, verdiept in hun kaartspel, waarbij het geld ritselend van de ene hand in de andere verdween.
Esmee keek naar Deborah en Ben, die zich zo zeker voortbewogen in deze beangstigende, onbekende wereld.
Uiterlijk waren zij in schril contrast met de mensen rondom hen, maar zij hadden zich snel aangepast aan dit vreemde land.
Esmee veegde haar lange zwarte haren uit haar gezicht, en wenste dat ze een vlecht had ingedaan.
Het werd steeds warmer, en het leek of de hoge huizen de warmte in een stenen omhelzing vasthielden.
Natuurlijk had ik kunnen weten, dat het zo zou zijn. Ik voel mij een volslagen vreemde in deze stad, waarin toch mijn oorsprong ligt.
Was het zo naïef om te hopen op herkenning, een herinnering aan een tijd toen ik mij nog niets kon herinneren?
Deborah en Ben liepen vóór haar, baanden haar een weg, pratend en lachend.
Zij hadden de brede straten achter zich gelaten en zochten hun weg door de stegen van de stad.
En daar, tussen hooggemuurde huizen, waar een smalle streep zon de vuile straat raakte, zag zij het tafereeltje.
Een gezin had een plaatsje veroverd door een vaal, gerafeld kleed in de steeg te leggen. Een oude mand, een paar potten, heel hun armoede uitgestald op dat ene plekje.
Gelatenheid op het gezicht van de man en de vrouw, een kleine baby aan haar borst, handjes graaiend in haar lange haren, die rafelig over haar schouders hingen.
Twee, bijna naakte, kinderen speelden op de rand van het kleed met wat steentjes. In hun hand een zwarte broodkorst, het voedsel van de armen. Beschaamd keek Esmee naar de lelijkheid van de armoede, die zich gewetenloos manifesteerde in wat mooi hoorde te zijn.
Deborah zag haar, trok haar tegen zich aan, alsof ze haar wilde beschermen tegen de pijn van zoveel onrechtvaardigheid.
‘Is het erger dan je dacht?’ fluisterde ze.
‘Hoe kun je je hierop ooit voorbereiden...? Weet je, waaraan ik steeds maar denk? Ik had het ook kunnen zijn, die vrouw met de baby, dat kind, spelend in de goot...’
‘Daarom is het goed geweest, dat er een andere mogelijkheid voor jou was. Ik had me niet gerealiseerd...’ Deborah aarzelde, terwijl Esmee haar vragend aankeek.
‘Wat?’
‘Dat het je zoveel zou doen, om deze stad, deze mensen te zien. Sinds we hier zijn, is het, of je een vreemde spanning met je meedraagt...’
‘Maar jullie zien het ook, en toch...’
‘En toch?’ vroeg Deborah met een aarzeling in haar stem.
‘Het lijkt, alsof het jullie niets doet...’
Ze waren bijna bij de uitgang van de steeg gekomen. Het zonlicht scheen hen in gele warmte tegemoet.
‘Geloof me, Esmee, Ben en ik hebben er ook moeite mee.’
‘Het blijft onmenselijk, die bedelaars, die mensen, die eigenlijk niet eens het recht hebben om er te zijn, en jullie... jullie lopen er zomaar langs...’
‘Esmee, we zijn nu eenmaal geen wereldverbeteraars. Jouw reactie is ongetwijfeld eerlijker, de onze realistischer. Als wij deze mensen geld zouden geven, maakten wij ze tot bedelaars. Zij vroegen niets, dus is het misschien beter hen voorbij te gaan.’ Ben keek haar aan, probeerde met zijn woorden haar onbehaaglijke gevoel te verdringen.
Ze hadden nu de uitgang van de steeg bereikt. Licht, lucht, ruimte.
Esmee was zo in gedachten, dat ze de mismaakte bedelaar niet zag en bijna over hem struikelde. ‘O, sorry, sorry!’ Vreemd hees klonk haar stem.
De man boog zijn verweerde hoofd, bracht moeizaam twee handen naar elkaar in een groet. Zijn tandeloze mond lispelde: ‘Paisa...paisa?’
Esmee pakte wat roepies uit haar halsportefeuille en gaf die aan hem. De man keek ongelovig naar het kleine fortuin in zijn klauwachtige handen en keek Esmee aan. Dhanjabad, dhanjabad.’
Ben en Deborah glimlachten heimelijk naar elkaar als twee trotse ouders, die hun kind goed hadden opgevoed.
‘Die hoeft een week niet meer te bedelen!’ zei Ben.
Esmee ademde diep, terwijl ze in het zonlicht stond. Haar kleine gestalte in het volle licht, haar donkere ogen vol gedachten.
Het inferno van Dante heeft een naam, een gezicht... in gedachten zal ik het Bombay noemen.
Twee straatkinderen hadden het gebeuren met de bedelaar aandachtig gadegeslagen.
Ze kwamen steeds dichterbij, eerst aarzelend, toen moediger. Ze gingen voor Esmee staan, keken naar haar op met mooie vochtig bruine ogen.
‘Madam, please, madam... paisa?’
‘Oké,’ redde Ben de situatie.’ Jullie krijgen allebei een chocoladereep, als jullie ons naar het huis van de ‘Sisters of Charity’ brengen.’ Toen ze hem, niet begrijpend, bleven aanstaren, probeerde hij het nog eens: ‘Sister Mary...?’
‘Ah,’ reageerden de kinderen met oplichtende ogen. ‘Sister Mary! You come, come...’
Ben keek een moment vlug naar Esmee. Ze begreep het, knikte even. De kinderen liepen in een rap tempo voor hen uit, af en toe wenkend met hun handen.
‘Come, come.’
Toen zagen ze hen lopen, de zusters. Als vredesduiven, in wit-blauw, met hun boodschap van barmhartigheid.

Recensies uit de krant
10-9-2002De Korenaar
14-11-2002De Noordoost Polder
30-11-2002Vrije Evangelische gemeente Beverwijk
2-12-2002Zelf doeners in adoptie
4-12-2002Stichting Nederlandse bibliotheek dienst
3-3-2003Adoptie tijdschrift
1-5-2003Opwekking
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584