Try it out
Lees hoofdstuk 1
Just as I am -biografie
 
Boek kaft: Just as I am -biografie

Deel 1 1918 1942

Het begin

Just as I am – Billy Graham Hoofdstuik 1 Op de boerderij

De roerige jaren twintig en de depressie van de jaren dertig

Iedere dag stond de lange, magere boer met zijn ellebogen op het houten hek geleund de lucht af te zoeken naar wolken. Voor hem stonden de veel te kleine, bruin geworden rijen maïs. Hij schoof zijn hoed achterover, waardoor zijn voorhoofd zichtbaar werd – het enige stukje wit op zijn zongebruinde gezicht. Geen regen betekende geen oogst. Met hangende schouders slofte hij over het warme, stoffige pad terug naar de boerderij, waar ik vanuit de deuropening naar hem stond te kijken. Toen ik de bezorgdheid op zijn vermoeide gezicht las zonk de moed me in de schoenen. Die man was mijn vader...
Toen ik nog klein was, was de Park Road bij het dorpje Charlotte, North Carolina, nauwelijks meer dan een hobbelige zandweg die zich dwars door de vele hectaren akkerland slingerde. Ons witte huis met groene sierlijsten stond een eindje bij de weg vandaan en keek uit op de uitgestrekte weilanden waar ons vee graasde. Daarachter lag een groen heuvellandschap. Hier ben ik geboren – 7 november 1918, vier dagen voor de wapenstilstand waarmee een einde aan de Eerste Wereldoorlog kwam en één jaar voor het einde van de Russische Revolutie.
Onze boerderij was niet het eerste huis op dit stuk grond. Er had al eens een houten hut gestaan, na de Burgeroorlog gebouwd door mijn grootvader William Crook Graham, een veelvuldig vloekende en alcohol nuttigende veteraan die de oorlog uit was gekomen met een kogel in zijn been.
Mijn tante Eunice zei altijd dat het religieuze besef van haar vader niet verder ging dan dat hij probeerde een oprecht man te zijn. Gelukkig had zijn vrouw, een godvrezende Schotse die Maggie McCal heette, een goede invloed op het karakter van hun acht dochters en drie zonen. Zij leerde hun wat het betekent om de Schrift te kennen. Alle kinderen ontwikkelden een diep geloof; een aantal kleinkinderen (ik voorop) werd predikant.
De eerste keer dat ik van dichtbij een sterfgeval meemaakte was toen mijn oma van mijn moeders kant, Lucinda Coffey overleed. Oma had het vaak over haar man, Ben Coffey, die in de Burgeroorlog zwaar gewond was geraakt. Toen hij met een verbrijzeld linkerbeen op het slagveld lag, kreeg hij een schampschot langs zijn hoofd, waardoor hij aan één oog blind werd. Enige tijd later moest zijn been worden geamputeerd. De commandant schreef een aanbevelingsbrief voor hem: ‘Ben was een goeie jongen...een betere soldaat is er nooit geweest.’ Zijn kameraden wisten te vertellen dat hij een hoge moraal bezat. Ik heb hem nooit gekend; hij stierf in 1916 op vierenzeventigjarige leeftijd.
Toen oma Coffey stierf zat ik nog op de basisschool. Catherine en ik werden uit de klas gehaald. Haar sterven werd een voorbeeld van het sterke geloof van onze familie. Ze ging overeind zitten in haar bed en zei bijna lachend: ‘Ik zie Jezus. Hij strekt zijn armen naar me uit. En daar is Ben! Hij kan zien en heeft zijn beide benen nog.’ Ze werd begraven bij een groot aantal andere familieleden op het grote kerkhof van de presbyteriaanse kerk in Steele Creek.
Voor een kind van de roerige jaren twintig, dat tijdens de Depressie in de puberteit was, bleek het goed toeven op het platteland. Wij Schotse presbyterianen, die zich strikt aan de morele waarden van ons geloof hielden, werden nauwelijks aangetast door de wilde levensstijl van de jaren twintig, waarbij dans en drank de boventoon voerden. Toen in 1929 de economie in elkaar stortte konden wij boeren redelijk goed leven van wat de oogst ons opleverde. Ook toen mijn vader zijn spaargeld – 4.000 dollar – verloor bij het faillissement van de boerenbank in Charlotte.
Dat wil niet zeggen dat het een onbezorgde tijd was. En toch hebben mijn ouders en ik nooit het gevoel gehad dat het harde boerenleven gelijk stond aan een leven vol ontberingen. We geloofden allemaal in hard werken. Het zuiden van de Verenigde Staten was de klap van de Burgeroorlog en de tijd daarna nooit helemaal te boven gekomen. Nu Charlotte een welvarende plaats is, kun je je moeilijk voorstellen dat de streek waar ik ben opgegroeid zestig jaar geleden nog zo verschrikkelijk arm was. Tijdens de Depressie zakte de melkprijs naar een dubbeltje per liter en kon ons boerenbedrijf maar nauwelijks overleven. Na de beurskrach van 1929 en het verplichte sluiten van alle openbare instellingen onder president Roosevelt in 1933 ging mijn vader bijna failliet. Aanvankelijk vertrouwde hij erop dat de boerenbank van Charlotte weer open zou gaan, maar dat was niet het geval. Hij kon zelfs geen cheques uitschrijven om zijn rekeningen te betalen. Hij moest weer helemaal opnieuw beginnen. Het duurde maanden voor hij over de financiële klap heen was.
Ondanks die tegenslagen verloor mijn vader nooit zijn gevoel voor humor. Hij had alle reden om gedeprimeerd en terneergeslagen te zijn, maar was dat helemaal niet. Natuurlijk had hij zijn slechte momenten, bijvoorbeeld wanneer de regen maar niet wilde komen en het gewas niet wilde groeien, of als er een goede koe doodging. Maar ondanks de moeilijkheden kon mijn vader om veel dingen lachen. De mensen uit de buurt vonden het heerlijk om langs te komen, al was het alleen maar om mijn vader moppen te horen tappen. Door zijn droge humor bleven we vrolijk.
Opgroeien in deze tijd betekende het leren kennen van de waarde van het geld. Mijn vader leerde mij al vroeg wat het vrije bedrijf inhield. Als er een kalfje op de boerderij werd geboren, gaf hij het soms aan mijn vriend Albert McMakin en mij om het groot te brengen. Als het dier slachtrijp was, gingen we er zelf mee naar de markt en deelden we de winst.
We wilden altijd graag op de hoogte blijven van wat er in de wereld gaande was, maar in onze krant stond meestal alleen het plaatselijke nieuws. De radio stond nog in de kinderschoenen. Toen mijn vader zijn eerste radio had gekocht probeerde hij het radiostation van Pittsburgh op te zoeken. Met ingehouden adem zaten we rond het piepende toestel. Toen papa na lang morrelen aan de drie knoppen eindelijk iets verstaanbaars had weten te vinden, begonnen we enthousiast door elkaar heen te roepen.
Korte tijd later hadden we als eerste gezin in de buurt een radio in de auto. Als mijn ouders in het dorp boodschappen gingen doen, lag ik op de achterbank naar die geheimzinnige geluiden te luisteren – al die onverstaanbare berichten die zomaar van de andere kant van de wereld kwamen. Het geluid had een vreemde, holle echo, alsof het uit een betoverde schelp kwam. Ik was vooral onder de indruk van de toespraken die met de schreeuwende, bijna hypnotiserende stem van ene Adolf Hitler door de radio dreunden. Hoewel ik de taal niet kon verstaan werd ik er bang van.
Dit was echter ver van mijn bed. Het belangrijkste in mijn jonge leven was de driehonderd hectare land die mijn vader en zijn broer Clyde van hun vader hadden geërfd. Samen hielden zij het melkveebedrijf van de Graham Brothers gaande. Vader hield zich bezig met het zakelijke gedeelte en de boerderij zelf, terwijl moeder aan de keukentafel de boekhouding deed. Oom Clyde had de verantwoordelijkheid voor de melkverwerking.
De jongere broer van mijn vader was een toegewijde zakenpartner. Oom Clyde richtte zich bij bijna alle te nemen beslissingen omtrent de boerderij naar mijn vader. Toen ik nog klein was, woonde hij bij ons. Hij hield van plezier maken. Ooit had hij bij een rondreizende verkoper een hele krat wonderlotion gekocht waarmee hij zijn haar zou kunnen terugkrijgen. Toen het absoluut niet bleek te werken, was hij maar nauwelijks teleurgesteld.
Hoewel hij vrijgezel was, hebben we nooit geweten of hij wel eens een vriendin had. Toen hij tegenover ons een huisje wilde bouwen, zei mijn moeder schertsend: ‘Misschien gaat hij wel trouwen!’
Hoe konden we weten dat dat inderdaad het geval was? In de tweede klas had ik een lerares die Jennie Patrick heette. Ze was afkomstig uit een invloedrijke familie in South Carolina. Ik had niet durven dromen dat mijn oom Clyde stiekem achter haar aanzat! Toen hij op een dag in zijn nette pak (en dat kwam bijna nooit voor) in zijn auto stapte om weg te rijden, hield mijn vader hem tegen.
‘Waar ga je heen, Clyde?’ vroeg mijn vader verbaasd.
‘Ik ga trouwen,’ stotterde hij met een rode kleur en een glimlach op zijn gezicht.
Dat was de enige huwelijksaankondiging die we kregen – en daarmee de enige kans voor mijn moeder om zich voor te bereiden. Tante Jennie bleek geweldig te kunnen koken en had voor mij een speciaal plekje in haar hart omdat ik in haar klas had gezeten. Zij en oom Clyde kregen twee kinderen, beide jongens, die net als hun ouders opgroeiden in het geloof. Eén van hen, Ed, is predikant geworden, een fantastische man die leiding heeft gegeven aan de grootste presbyteriaanse gemeente in westelijk North Carolina. Zijn oudere broer Clyde werkte in een winkel in Charlotte, waar hij zich in de loop der jaren wist op te werken.
In de jaren van het ‘Wilde Westen’ vertrok de oudste Graham broer, mijn oom Tom, naar Oklahoma, waar hij met een Indiaanse van de Cherokee-stam trouwde. Zijn werk bestond uit het verkopen van katoenverwerkingsmachines. De zaken gingen goed. Iedere zomer kwam het echtpaar voor een vakantie van twee weken naar North Carolina en logeerde bij ons. Zo’n grote auto als die van hen (met alles erop en eraan) had ik nog nooit gezien. Hoe de grote en dikke oom Tom, samen met zijn vrouw (die ongeveer dezelfde omvang had als hij), in het kleine logeerbed kon slapen is altijd een groot mysterie voor mij geweest.
Onze schuur had een zinken dak. Op regenachtige dagen deed ik niets liever dan wegkruipen in die schuur om op een geurige baal stro naar het tikken van de regen te liggen luisteren. In dit kleine heiligdom kon ik tot mezelf komen en mezelf beter leren kennen. Als ik tegenwoordig in een drukke stad kom, waar ook ter wereld, trek ik me graag terug in een kerk die toevallig open is om daar in de koele, schemerige stilte over van alles en nog wat na te denken. Thuis, in de bergen, loopt er een klein paadje boven het huis langs, waar ik graag kom om in mijn eentje te wandelen en met God te praten.
We hadden altijd een collie – minstens één – en bovendien een hoop katten. Dat laatste hoort natuurlijk bij een boerderij! Ik wist niets over de instinctieve vijandschap tussen hond en kat en heb in mijn onwetendheid wel eens een kat in het hondenhok opgesloten. Na een nacht samen waren ze vrienden voor het leven. Misschien is dat wel het begin van mijn oecumenische overtuiging geweest: het helpen van mensen die het niet met elkaar eens kunnen worden en een manier proberen te vinden om ze toch nader tot elkaar te brengen.
Toen ik nog heel klein was had ik een paar geiten. Samen met Catherine (die een paar jaar jonger was dan ik) liet ik me door de geiten rondtrekken in mijn houten karretje. Dan speelden we boerderijtje en deden net of we papa hielpen met het binnenhalen van het hooi. Mijn favoriete geit was Billy Junior met zijn lange hoorns en rossige vacht. Helaas had hij de neiging om Catherine aan te vallen. Zij was stiller dan de rest van ons kinderen; misschien vormde zij een gemakkelijk slachtoffer voor de geit. Het is een geluk dat we Catherine nog bij ons hebben kunnen houden. Als baby heeft ze een open veiligheidsspeld ingeslikt. De zeldzame, ingewikkelde chirurgische ingreep om de veiligheidsspeld uit haar slokdarm te halen heeft de plaatselijke kranten nog gehaald. Omdat mijn ouders vaak in het ziekenhuis waren, moest ik in het dorp bij mijn tante Lill logeren. Het was maar afwachten of Catherine het zou overleven.
Zelf heb ik als kind ook op het randje van de dood gezweefd. Toen ik ziek was liet mijn moeder mij jodium slikken in de veronderstelling dat het een medicijn was. De oplossing kwam van tante Jennie, die aanraadde mij wat dikke room te geven zodat de jodium daardoor onschadelijk werd gemaakt. Als ze niet zo snel had gereageerd, had ik het waarschijnlijk niet overleefd.
Toen ik te groot voor de geitenkar werd leerde ik fietsen. Er rende altijd een hele horde geiten en honden achter mijn fiets aan (de katten waren daar natuurlijk te trots voor), tot plezier van de weinige buren die we hadden en de mensen die met de auto langsreden. Mijn vader had een paard waar wij kinderen op mochten rijden. Toen we ouder werden mochten we zonder zadel op de ezels rijden – Mag, Emma en Bessie. De dieren die wat rustiger waren lieten ons zelfs op hun rug staan.
Ik was blij toen ik op mijn zesde ontdekte dat mijn ouders voor een klein broertje hadden gezorgd. Toen Melvin te groot was om mee te spelen, werden we vrienden voor het leven. Toen ik een jaar of negen was verhuisden we van het houten huis met de sanitaire voorzieningen buitenshuis naar een stevig stenen huis met twee verdiepingen en een badkamer en wc, dat mijn vader voor negenduizend dollar had gebouwd. Melvin en ik deelden een kamer waar niet veel meer in stond dan onze bedden en een witte klerenkast. Iedere dag was het hard werken voor papa en oom Clyde, waarbij ze werden geholpen door een paar knechts. Ik, en later ook Melvin, hielpen mee zodra we groot en sterk genoeg waren om niet meer in de weg te lopen. Omdat ik ouder was dan Melvin werd ik eerder dan hij ingewijd in de geheimen van de landbouw en het melken. Aanvankelijk kon ik mij vanwege het verschil van zes jaar redelijk staande houden, maar al snel gingen we gelijk op dankzij mijn beperkte lengte en zijn uit de kluiten gewassen postuur. Toen ik ging studeren, kreeg hij onze slaapkamer voor zichzelf. In die tijd deed hij aan gewichtheffen. Als hij het gewicht liet vallen, schudde het hele huis op zijn grondvesten Mijn ouders vonden het geweldig – hij werd er zo gespierd van. Daarmee was hij een goeie kandidaat voor het zware werk op de boerderij, zoals ploegen. Ook ik drukte mezelf wel eens op en vroeg dan aan Catherine om mijn spierballen te voelen. Maar ze kon niet veel meer ontdekken dan twee kleine bulten. Zij giechelde en ik wist allang dat ik geen Atlas was.
Of het nu op koeien, paarden of land aankwam – papa was goed in de verkoop. Hij kon alles verhandelen. Vaak nam hij me mee als hij bij potentiële kopers op bezoek ging om één van onze koeien aan te prijzen. Tijdens zo’n bezoek aan een boerderij een kilometer of tien verderop kwam ik tussenbeiden toen mijn vader alle mooie eigenschappen van het dier in kwestie opsomde.
‘Papa, die koe schopt hartstikke onder het melken,’ bracht ik hem in herinnering. ‘Ze is nogal onrustig.’
Op de terugweg had hij een paar tips voor me die ik nooit meer zou vergeten!
Vanwege tijd- en geldgebrek waren uitjes met het gezin vrij schaars. Het enige wat mijn ouders zichzelf en ons af en toe gunden was een zaterdagmiddagje uit. Dan werden we in de auto gepropt en naar de dichtstbijzijnde kruidenierswinkel of zelfs naar Niven’s Drugstore in Charlotte gereden. Op zo’n heerlijke middag kocht papa iets voor ons: een ijsje of frisdrank, altijd één van de twee. Dan bleven we bij moeder in de auto zitten terwijl hij naar de kapper ging om zich te laten scheren.
Vader en moeder gingen zelden ‘uit’. Ongeveer eens per jaar bezochten ze een buurtavond in de gemeenschapsruimte een paar kilometer verderop, met bingo en muziek. ‘My Blue Heaven’ was het lievelingsliedje van mijn vader. Ook gingen ze wel eens naar de film. Dan namen ze ons mee – tenslotte waren we één groot gezin. Omdat de filmcensuur toen nog niet bestond was er verbijsterend veel naakt op het witte doek te zien. Op een gegeven moment verscheen er een aankondiging van een nieuwe film, waarbij een adembenemende scène te zien was van een vrouw die naakt aan het zwemmen was. Mijn moeder greep me bij de hand en beval: ‘Ogen dicht!’ Ik was nog niet oud genoeg om te schrikken, maar natuurlijk was ik erg nieuwsgierig.
We verheugden ons altijd op de twee, drie dagen per jaar die we ‘vakantie’ noemden. Meestal gingen we naar het strand, hetgeen een rit van vier uur ’s morgens tot twee uur ’s middags betekende. Bij aankomst informeerde mijn vader bij verschillende pensions naar de prijzen en kozen we het goedkoopste uit. Meestal lukte het hem een kamer met ontbijt te krijgen voor één dollar per nacht per persoon.
Mijn moeder ging graag naar de Magnolia Gardens bij Charleston in South Carolina. Dat was meestal een dagtrip. We bezochten de tuin met de bloemen en bleven ergens overnachten om de volgende ochtend weer naar huis te gaan. Het leukste aan zo’n uitje vond ik dat we meestal samen gingen met tante Ida, haar man Tom Black en hun kinderen, onder wie mijn nichtje Laura, die als een zusje voor ons was. Ze woonden op een boerderij een kilometer of zes bij ons vandaan.
De eerste echte reis die ik me kan herinneren was een rit van zeshonderd kilometer met het hele gezin naar Washington. Mijn neef Frank Black zat achter het stuur, maar had weinig zin in een uitgebreide toeristische route omdat hij zo snel mogelijk weer terug wilde naar zijn vriendinnetje. Veel hebben we daardoor niet gezien, maar het Washington Monument werd tot bovenop beklommen.
Op een zomerdag namen mijn vader en oom Tom Black ons allemaal mee naar Oklahoma om oom Tom Graham, tante Belle en de neven en nichten in Tahlequah op te zoeken. We vertrokken met twee volgepropte auto’s. Het was een duizelingwekkende reis. De meeste wegen waren niet geasfalteerd – er lag alleen maar een laagje zand overheen. Het kostte ons drie dagen en een groot aantal lekke banden om Oklahoma te bereiken. Op een avond moesten we in Arkansas ergens langs een eenzame weg stoppen om een band te verwisselen. We waren de andere auto al kwijtgeraakt, de auto waarin neef Ervin Stafford achter het stuur zat, die de route kende omdat hij in Tahlequah op school had gezeten.
Terwijl mijn vader de band verwisselde zaten wij kinderen in de duistere stilte te wachten. We waren bang, en dat was nog zacht uitgedrukt. We dachten dat we begluurd werden door vreemde wezentjes. Toen stopte er een auto.
‘Waar komen jullie vandaan?’ vroeg de chauffeur.
‘North Carolina,’ antwoordde papa.
‘Dan zou’k maar voorzichtig wezen,’ zei de vreemdeling. ‘Er zit naar volk langs deze weg. Je wordt zó beroofd, of zelfs vermoord.’
Binnen een recordtijd had mijn vader de band verwisseld! Maar toch was het voor een twaalfjarige een zware reis. Papa wilde beslist niet meer betalen dan een dollar per overnachting. Zelfs in die tijd was dat heel weinig.
Eindelijk kwamen we in Oklahoma aan, het centrum van de Cherokee natie, waar de Cherokee-indianen woonden die de verschrikkelijke ‘tranenmars’ hadden overleefd. We bleven een paar dagen. Het was heerlijk bij mijn oom en zijn gezin in Tahlequah.
Al die avonturen zorgden ervoor, dat dit de gelukkigste jaren van mijn jeugd waren ook al was het hard werken toen ik oud genoeg was om op de boerderij te helpen. Tot op de dag van vandaag kan ik me nog herinneren dat ik in moeders grote tuin aan het ploegen was en achter een ezel aanliep om na het zaaien de mest over het land te verspreiden. In de lente, zomer en herfst hadden we hectaren met maïs, tarwe, rogge en haver. Ook was er een hectare land waarop groenten werden verbouwd. Op al die velden werkten Melvin, de McMakins en ik. Als om half drie ’s nachts de wekker afging wilde ik het onding het liefst op de grond smijten en me weer onder de warme dekens nestelen. Maar al snel hoorde ik dreunende voetstappen op de stille overloop, waar ik, zo leek het wel, een paar minuten daarvoor nog had gelopen met mijn appel en de witte kater om mijn bed op te zoeken. Als ik die voetstappen hoorde wist ik dat mijn vader onderweg was om mij uit mijn bed te halen, zodat ik op mijn beurt Pedro, één van de knechten, kon wakker maken. Bovendien wist ik dat er pas ontbeten werd als het melken was gedaan. Vlug rolde ik mijn bed uit.
Joe McCall, een andere knecht, riep de koeien binnen met zijn ‘Whoe-iii, whoe-iii, whoe-iii!’ Iedere koe rende automatisch haar eigen stal binnen, waar we de riemen om haar hals vastmaakten en, als ze een beetje bokkig was, kettingen om haar achterbenen legden. Dan zette ik mijn krukje en een tinnen emmer op de grond onder het achterwerk, drukte mijn hand tegen de warme buik en ging met de uiers aan de slag. Intussen moest ik oppassen dat ik de steeds heen en weer zwaaiende staart niet in mijn ogen kreeg. Dat ritueel herhaalde ik iedere ochtend bij twintig koeien, en elke middag melkte ik diezelfde koeien een tweede keer als ik uit school kwam. Met mijn soepele vingers nam het karwei ongeveer twee uur in beslag – vijf minuten per koe, dat was niet slecht.
Vervolgens haalde ik met een grote spade de verse, warme koemest weg, om daarna de boel in de koeienschuur wat op te ruimen. Samen met de andere knechts haalde ik vers hooi uit de hooischuur ernaast, of voer uit één van de silo’s om de troggen bij te vullen.
Mijn lievelingskarwei was het dragen van de melkbussen naar het gebouwtje waar de melk werd verwerkt en mijn oom Clyde toezicht hield. Vroeger, toen ik nog niet groot genoeg was om bij het melken te helpen, zat ik toe te kijken hoe de sterke mannen de grote, zilverkleurige bussen in het heldere water uit de bron zetten om ze te laten afkoelen, voordat de melk gebotteld en bij de mensen in het dorp afgeleverd werd.
Het liefst keek ik toe als Reese Brown aan het werk was. Hij was vijftien jaar lang voorman op onze boerderij en misschien wel de best betaalde boerenknecht van de omgeving – waardoor andere boeren nogal eens op mijn vader mopperden. Reese, een zwarte, zeer intelligente man, was één van de beste vrienden van mijn vader. Zo’n sterke man als hij heb ik nooit meer gezien. Bovendien had hij een enorm uithoudingsvermogen. Iedereen had een diep respect voor hem en zelf had ik altijd het gevoel dat er niets was wat Reese niet wist of kon. Als ik iets deed wat hij niet in orde vond, corrigeerde hij mij. Ook leerde hij mij ontzag voor mijn vader te hebben. Hij was als een oom voor me. Ik speelde met zijn kinderen en zat bij zijn vrouw aan de keukentafel van haar beroemde karnemelkkoekjes te snoepen. Ze woonden in een huisje op het terrein van de boerderij.
Als rond half zes ’s ochtends het hele melkproces was gedaan, was het tijd om in de warme boerderij te gaan ontbijten. Terwijl wij in de schuren aan het werk waren, hakte moeder hout voor het fornuis, ruimde op in huis en maakte een ontbijt voor de mannen die onderhand trek begonnen te krijgen. Samen met Catherine en de keukenmeid lepelde ze de borden vol met graanpap, verse eieren, ham of spek en warme, zelfgebakken broodjes – het gebruikelijke ontbijt op een boerderij – en zoveel melk als wij, de niet-koffiedrinkers wilden. Susie Nickolson, de zwarte vrouw die twintig jaar lang voor moeder zou werken, was als een tweede moeder voor ons. Het was een drukke, maar prettige tijd.
Na al mijn harde werk in de frisse ochtendlucht, gevolgd door moeders lekkere eten, had ik het gevoel dat ik alles aankon – alles, behalve school. Omdat ik soms maar drie of vier uur per nacht sliep, kon ik vaak in de klas mijn ogen niet openhouden. Ik denk dat die vermoeidheid ertoe heeft bijgedragen dat ik lage cijfers haalde. Op de basisschool ging het nog goed, maar daarna haalde ik alleen maar magere zesjes.
Het slaapgebrek kan er ook de oorzaak van zijn geweest dat ik in de eindexamenklas voor Frans zakte. De zomer daarna reden mijn vriend Winston Covington en ik iedere dag met zijn auto naar een leraar Frans die ons twee uur lang bijles gaf.
Mijn allereerste schooldag herinner ik mij maar al te goed. Verschrikkelijk! Moeder had boterhammen voor me gesmeerd en gezegd dat ik die in de pauze kon opeten. Ze had er niet bij verteld dat er twee pauzes waren! De eerste was om tien uur en duurde maar tien minuten; toen we weer de klas in moesten had ik mijn boterhammen al op. De tweede pauze duurde langer en was rond lunchtijd. Ik had niets meer te eten. Aan het einde van de schooldag (om drie uur) had ik zo’n honger dat ik het gebouw uitgestormd ben. Dat stond de hoofdmeester niet aan. Voor straf draaide hij mijn oor om.
Zodra ik kon lezen zette mijn moeder mij zoveel mogelijk aan het lezen. Ik kon mij helemaal verliezen in de avonturen van Robin Hood. Verder las ik veel jongensboeken. Het liefst las ik Tarzan-boekjes, die om de paar maanden uitkwamen en maar één dollar kostten. Ik kon nauwelijks wachten tot het volgende boekje uitkwam en mijn moeder naar de winkel ging om het te kopen. In het bos achter ons huis probeerde ik, tot groot genoegen van Catherine, het liaan-slingeren en de tarzankreet uit.
Maar moeder lette er op dat er ook serieuze dingen werden gelezen. Toen ik nog geen tien jaar oud was, kende ik heel de Westminster Shorter Catechismus uit mijn hoofd. Toen ik eens op bezoek was bij een tante van wie we uit de Bijbel moesten lezen, kwam ik al na tien minuten weer bij haar terug om te vertellen dat ik een heel boek uit de Bijbel had gelezen. Ze prees me en zei dat ik een bijzonder kind was (ik had de brief van Judas ontdekt, het kortste boek in het Nieuwe Testament. Eén bladzijde!). Ook liet moeder me The Book of Knowledge, een encyclopedie, lezen.
Ds. W.B. Lindsay, de dominee van onze kerk, was een vriendelijk, godvruchtig man. Toch deed hij me sterk aan een begrafenisondernemer denken, want voor zover ik wist had hij nooit een leuk verhaal te vertellen. Ik vond zijn preken bijbels verantwoord maar saai. Toch had ik net als de rest van het gezin ontzag voor hem. Zoals hij was, dacht ik, moest een heilige eruit zien. Een ontmoedigende gedachte, want ik vond dat ik als heilige-in-spé nog een lange weg te gaan had! De vrouw van dominee Lindsay... die kon wel op mijn bijval rekenen! Ze zat op de voorste rij en stak haar horloge naar hem op als het tijd was om een punt aan de preek te draaien. Toen ik op bijbelkamp was, gooide ik op een dag een bijbel naar iemand die er één nodig had maar aan de andere kant van de kamer zat. Onmiddellijk kwam mevrouw Lindsay aangestoven en bulderde in mijn gezicht: ‘Zul je dat nooit meer doen! Dat boek is het Woord van God.’
Zelfs in de jeugdgroep kon dominee Lindsay het niet spannend voor mij maken. We zongen alleen maar psalmen, tijdens de dienst op de Sabbat (we waren te streng om Zondag te zeggen). Een nare bijkomstigheid van de middelbare school was dat er op een gegeven ogenblik een verandering in het scholensysteem plaatsvond, waardoor wij kinderen van het platteland van de Woodlawn-school naar het Sharon-college aan de rand van de stad werden gestuurd. Wij nieuwkomers keken de leerlingen die er al waren dreigend aan en zij keken niet minder dreigend terug. Het duurde minstens een half jaar voordat we aan elkaar gewend waren. Dat eerste jaar op het Sharon-college heb ik aan meer knokpartijen meegedaan dan in mijn hele schooltijd. En een paar keer was ik degene die slaag kreeg.
Na school ging ik altijd direct naar huis, trok mijn oude kleren aan en snelde naar de stallen om de koeien te melken. Meestal waren er twee of drie mannen om te helpen en zaten we samen over van alles en nog wat te praten. Na het werken kwam de baseball-training, het huiswerk, en de activiteiten met kerk en vrienden.
In de zomervakantie was er niet veel meer vrije tijd. Naast de routineklusjes op de boerderij hielp ik onze melkboer Tom Griffin met het bezorgen van de melk in Charlotte, een stadje met meer dan vijftigduizend inwoners. Het was altijd gezellig met Tom; hij vertelde me over zijn klanten sterke verhalen die veel te mooi waren om waar te zijn. Ik weet nog dat we iedere dag een paar flessen melk bij Randolph Scott afleverden. Later zou hij een beroemd acteur worden. Als volwassenen speelden we vaak golf. Toen hij stierf, leidde ik de begrafenisplechtigheid.
Het leven op onze kleine boerderij was weinig beschermd. Je kon niet om de natuurlijke loop van leven en dood heen. Honden, katten, koeien. Op een ochtend lag het opgezwollen karkas van één van onze koeien aan de oever van de rivier, die dwars door ons land stroomde. Een eindje stroomopwaarts bevond zich een textielmolen. De eigenaren stortten giftig afval in de rivier, waardoor je er niet meer in kon zwemmen omdat het giftige water je dood kon betekenen als je het binnenkreeg. We moesten een schutting bouwen om het vee bij de rivier vandaan te houden.
Wanneer er een koe doodging, tuigden we de ezels op en sleepten de dode koe naar een hoek van de wei, waar ze begraven werd. De rest van de kudde liep achter ons klaaglijk te loeien, alsof ze voelden dat er iets verdrietigs was gebeurd. Bij onze koeienbegrafenissen was er in elk geval niet zo’n pompeuze bloemenzee aanwezig – zoals ik dat al een paar keer bij andere begrafenissen had meegemaakt.
Vlakbij ons huis was een begraafplaats. Op een dag – ik was toen nog klein – liepen mijn vader en ik erlangs toen we op jacht waren. Het was al bijna donker. Ik pakte zijn hand stevig vast. Ook toen ik al ouder was, lag ik ’s nachts vaak te denken aan wat er met me zou gebeuren als ik dood was. Ik vond het vreselijk om te moeten bidden: ‘If I should die before I awake, I pray the Lord my soul to take’. Door dat gebedje wist ik helemaal zeker, dat ik beslist nooit begrafenisondernemer wilde worden. Autorijden was de grote liefde van iedere jongen. Ik begon al op mijn achtste, toen Reese Brown mij in onze oude pickup-truck leerde rijden. Op mijn twaalfde reed ik in onze kleine Ford. In die tijd – en in dat afgelegen gebied – maakten we ons niet druk over een rijbewijs.
Vanaf de derde klas van de middelbare school vroeg ik mijn vader regelmatig of ik de auto mocht lenen om naar een honkbalwedstrijd te gaan, of ’s avonds om uit te gaan. Bij één zo’n gelegenheid kwam er bijna een einde aan mijn carrière als chauffeur. We waren uit met een paar vrienden en ik wilde stoer zijn. Mijn beste vrienden op school waren Sam Paxton, Wint Covington en Julian Miller (zijn vader was uitgever van de Charlotte Observer). Ik kwam met vaders auto in de modder terecht. Binnen een paar minuten zaten we tot over de bumper in de zuigende moddertroep. Ik was een kuil in gereden. Ik schaamde me ongelukkig, omdat ik naar het dichtstbijzijnde huis moest om mijn vader op te bellen en hem te vragen ons er met een paar ezels uit te komen trekken. Dat hij het niet erg grappig vond heeft hij duidelijk laten merken.
Als ik achter een stuur kroop overviel mij een wilde levenslust. Ik probeerde zo hard mogelijk te rijden, vooral als er een vriendinnetje naast me in de auto zat. Vaker dan eens nam ik één bepaald meisje mee – een leuke meid die altijd rechtop in de geleende felgele cabriolet ging staan en met veel bombarie een koeiebel luidde. Zo raasden we langs menige landweg.
Hoe zat het verder met de meisjes? Ik mocht Jeanne Elliot graag. Haar moeder maakte tussen de middag de lunch klaar voor de weinige kinderen die het zich konden permitteren om in het restaurantje van de school te eten. Zij maakte altijd heerlijke vruchtensappen klaar. Tijdens mijn hele middelbare schooltijd ging ik met Jeanne om, maar we waren alleen maar goede vrienden en hadden geen verkering.
Wel had ik af en toe een vriendinnetje. We zaten dicht bij elkaar en zoenden wat – net als de andere kinderen van die leeftijd – maar ik ging nooit verder. Soms had ik dezelfde gedachten en verlangens als andere pubers, maar de Heer gebruikte het sterke geloof van mijn ouders en hun liefde en discipline als voorbeeld voor mij om me op het rechte, smalle pad te houden. De enige met wie ik wilde vrijen was de vrouw met wie ik ook zou gaan trouwen.
Op een avond hadden we een toneelrepetitie op school en lukte het één van de meisjes mij naar een donker klaslokaal te lokken. Ze stond erom bekend dat ze veel vriendjes had. Voordat ik doorhad wat er gebeurde vroeg ze of ik met haar wilde vrijen.
Mijn hormonen waren natuurlijk niet minder actief dan die van andere jongens van mijn leeftijd. Over zo’n moment als dit had ik vaak genoeg gefantaseerd. Maar toen het moment eenmaal daar was, riep ik stilletjes om Gods hulp en rende zo hard als ik kon het klaslokaal uit. Ik leek Jozef uit het oude Egypte wel, die voor Potifars vrouw moest vluchten.
Mijn terughoudendheid op seksueel gebied had niets te maken met het feit dat ik niets van ‘het leven’ afwist. Natuurlijk praatten we als vrienden over spannende onderwerpen waar ik het met mijn ouders nooit over had. Pedro, die ondanks zijn goedhartigheid een behoorlijk ruwe bonk was, was mijn ‘leraar’ op dat gebied. Hij vertrouwde mij zijn erotische avonturen met vrouwen toe en ik zat met rode oortjes naar hem te luisteren.
Het was Pedro die mij tabak leerde kauwen. De dag dat mijn vader mij zag pruimen was meteen de laatste werkdag voor Pedro! En ik kreeg een pak slaag. Ook mijn geëxperimenteer met sigaretten werd door vader de kop ingedrukt. Het enige wat hij rookte was af en toe een ‘goeie sigaar’.
Maar alcohol dronk hij totaal niet. Hij had een heel bijzondere methode om Catherine en mij ervan af te helpen nog voordat we er ooit aan waren begonnen. Op de dag dat alcohol officieel voor jongeren verboden werd, kocht vader een paar flesjes bier en nam hij ons mee naar de keuken. Hij gaf ons een hele fles die we leeg moesten drinken. Alles. Ik was nog geen vijftien en kon alleen maar aannemen dat er wel een stukje logica achter papa’s werkwijze moest zitten. Zowel Catherine als ik hadden meteen al een hekel aan de vieze biersmaak en lieten dat ook duidelijk merken.
‘Van nu af aan weet je het dus,’ zei vader. ‘Als jullie vrienden je alcohol willen laten drinken, zeg dan dat je het al hebt geproefd en dat je het niet lekker vindt. Dat is de enige reden die je ze hoeft te geven.’
Zijn methode was niet erg netjes, maar wel effectief. Bovendien bleef ik zo fit voor mijn grote hobby, honkbal. Jammer genoeg stond ik steeds reserve, waardoor ik maar af en toe kon spelen als er iemand ziek was. Ik was niet slecht in het veld, omdat ik ver kon gooien. Maar een bal raken kon ik niet. Dat gebrek heeft me ook later bij het golfen parten gespeeld...
Ik weet nog steeds niet of het door mijn vader kwam dat ik op het eerste honk werd gezet – hij was namelijk voorzitter van de ouderraad (hoewel hij zelf alleen maar lagere school had gehad). Ik geloofde liever dat ik vanwege mijn atletische kwaliteiten op die plek was gekomen. Ik heb een tijdje van een sportcarrière gedroomd, maar het talent voor honkbal was duidelijk niet aanwezig. Toch heb ik de plaatselijke krant nog gehaald toen we met de school speelden. Als reserve mocht ik invallen en op de één of andere manier kwam mijn naam in het sportgedeelte van de krant terecht.
Het enige wat ik thuis aan sport deed was samen met mijn vader hoefijzers gooien onder een grote eikenboom en tussen de middag en ’s avonds na het huiswerk met de sportieve McMakin-jongens honkballen naar elkaar gooien. De jongens van McMakin heetten Albert, Wilson en Bill. Hoewel Bill een paar jaar ouder was dan ik werd hij mijn beste vriend. We gingen regelmatig samen vissen en jagen in de bossen.
Het gezin McMakin had een grote invloed op mijn kijk op moraal en werken. De roodharige, snelpratende Mr. McMakin had de mooiste tomaten in de verre omtrek en verbouwde ook veel andere groenten die hij op de markt in Charlotte verkocht. Voor hem werkte ik evenveel als voor mijn vader. Ik vond het heerlijk. In de zomer is het mij (met hulp van Albert) één keer gelukt dertien van die prachtige tomatenplanten te kweken. Ik hoopte dat ik er een dollar per plant voor kon krijgen. Ironisch genoeg kon een honkballer, die predikant was geworden en rond die tijd op het hoogtepunt van zijn evangelisatie-loopbaan was, mij nog niet zo boeien. Hij heette Billy Sunday. Toen ik vijf was nam mijn vader me mee naar een bijeenkomst in Charlotte waar Sunday zou spreken. Ik vond die grote massa mensen overweldigend en hield me keurig stil tijdens de dienst omdat mijn vader had gezegd dat de predikant me anders zou roepen om me te laten arresteren!
Rond 1930 hield ik mijn eerste toespraak. Ik was Uncle Sam op een bonte avond op de Woodlawn-school, compleet met lange baard en een pandjesjas. Toen ik de speech na eindeloos repeteren uit mijn hoofd kende was mijn moeder door al dat geoefen de wanhoop nabij. Mijn knieën trilden, mijn handen waren nat en ik beloofde mijzelf plechtig dat ik nooit meer in het openbaar zou spreken! Maar Mrs. Boylston, de hoofdonderwijzeres van Woodlawn, zei tegen moeder dat ik talent had voor spreken.
Mijn jongste zusje Jean werd in 1932 geboren. Toen ik ging studeren was zij nog klein, maar ik herinner me nog goed dat het een ontzettend lief meisje was. Ik weet nog goed dat we allemaal dodelijk bezorgd waren toen ze polio kreeg – dat was rond de tijd dat Ruth en ik gingen trouwen. Wat waren we God dankbaar toen ze weer beter werd.
Mijn vader en moeder hadden een sterke wil. Ze moesten wel, want anders hadden ze nooit met de ontberingen en tegenslagen om kunnen gaan waarmee onze boerderij in de jaren twintig en dertig te kampen had. Zij hadden geaccepteerd dat het leven moeilijk kon zijn en dat je discipline moest opbrengen en aarzelden nooit die ook aan ons kinderen op te leggen. Soms kreeg ik straf als ik Catherine had geplaagd of Melvin in de problemen had gebracht, maar meestal was het omdat ik zelf iets verkeerd had gedaan.
Ondanks de strengheid en pakken slaag is er nooit sprake geweest van kindermishandeling. Hoewel mijn ouders straften zodra hun kinderen straf verdienden, kreeg ik nooit zomaar slaag of straf om dingen die je als kind onmogelijk kunt doorgronden. In tegendeel, mijn ouders waren erg open en eerlijk. Nooit kreeg ik te horen dat ik op een bepaalde tijd thuis moest zijn. Ik wist dat ik om drie uur weer op moest en dat ik maar een paar uur slaap kreeg als ik te laat naar bed ging.
Ik leerde gehoorzamen zonder vragen te stellen. Liegen, bedriegen, stelen en vandalisme stonden ver van mij af. Ik leerde dat luiheid de verschrikkelijkste onder de zonden is en je met werken eer en waardigheid oogst. Ik zette mijn eigen bezigheden met plezier aan de kant om de koeien te melken, de urinoirs schoon te houden en de mest op te ruimen – niet omdat het leuk werk was, maar omdat er voldoening schuilde in hard werken.
Er moet wel eens spanning tussen mijn ouders zijn geweest, iets waarvan wij kinderen niets mochten merken. Ik geloof dat mijn ouders af en toe in elkaar waren teleurgesteld en over zowel kleine als grote dingen meningsverschillen konden hebben. Maar als er werd gekibbeld, heb ik nooit één grof woord horen vallen. Mijn vader en moeder (vooral mijn moeder) konden elkaar soms aanvliegen als er iets mis was, maar samen konden ze alle moeilijkheden aan en gingen ze moedig verder.
Het bijbellezen was niet zomaar een vroom ritueel. Mijn moeder vertelde ons altijd dat ze vanaf hun trouwen iedere dag uit de Bijbel lazen en er zo een meditatief moment voor het hele gezin was ontstaan. Dit boek was het Woord van God, waarmee zij de hemelse hulp inriepen om het gezin samen te binden.
Altijd als mijn moeder met één van ons bad, en altijd als mijn ouders voor hun kinderen baden, beseften zij dat zij afhankelijk waren van God voor het verkrijgen van wijsheid, kracht en moed om het leven aan te kunnen, wat er ook mocht gebeuren. Daarnaast vroegen zij God hun kinderen in Zijn Koninkrijk op te nemen.

Recensies uit de krant
11-1-1997Bode-Express
3-3-1997Stichting Nederlandse bibliotheek dienst
12-4-1997De Regenboog
12-12-1997Centraal weekblad
21-12-1997EO Visie
1-1-1998De oogst
1-1-1998Voetius
10-1-1998Fries Dagblad
30-1-1998Centraal weekblad
1-2-1998Nederlands Dagblad
3-2-1998Uitdaging
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584