Try it out
Lees hoofdstuk 1
Het kruis van Christus
 
Boek kaft: Het kruis van Christus

Hoofdstuk 2

Waarom stierf Christus?

Waarom stierf Christus? Wie was voor zijn dood verantwoordelijk?
Veel mensen hebben geen enkel probleem met deze vragen en hebben hun antwoorden klaar. Voor hen spreken de feiten voor zichzelf. Jezus ‘stierf’ niet, zo zeggen ze; Hij werd als een misdadiger in het openbaar ter dood gebracht. Zijn leer werd als gevaarlijk, zelfs als subversief beschouwd. De Joodse leiders werden woedend omdat Hij geen respect voor de wet zou hebben en door de provocerende uitspraken die Hij deed, terwijl de Romeinen hoorden dat Hij zichzelf tot koning der Joden uitriep, waardoor Hij de autoriteit van de keizer aantastte. Voor beide groeperingen was Jezus dus een revolutionaire denker en prediker en sommigen beschouwden Hem ook als een revolutionaire activist. Hij verstoorde de openbare orde zo zeer dat ze van Hem af wilden. En daarom maakten ze gemene zaak met elkaar om dat voor elkaar te krijgen. Voor de Joodse Raad werd Hij van godslastering beschuldigd. Voor de Romeinse rechtbank werd Hij beschuldigd van politieke opruiing. Maar of Hij nu van opstand tegen God of van opstand tegen de keizer beschuldigd werd, de uitkomst was in beide gevallen hetzelfde. Hij werd als een bedreiging voor de openbare orde beschouwd en dat kon niet getolereerd worden. En daarom werd Hij geliquideerd. Waarom stierf Hij? Ogenschijnlijk stierf Hij omdat Hij de wet overtrad, maar in werkelijkheid werd Hij het slachtoffer van bekrompen geesten en werd Hij de martelaar van zijn eigen grootheid.
Een van de fascinerende kenmerken van de verslaggeving van de evangelieschrijvers over het verhoor van Jezus1 is dat ze de juridische en morele factoren dooreen mengen. Zij wijzen er allen op dat zowel voor de Joodse als voor de Romeinse rechtbank een zekere wettelijke procedure werd gevolgd. De gevangene werd gearresteerd, in staat van beschuldiging gesteld, verhoord en er werden getuigen opgeroepen. Daarop deed de rechter uitspraak en sprak het vonnis uit. Maar de evangelisten maken ook duidelijk dat de gevangene onschuldig was aan de tenlastelegging, dat de getuigen vals waren en dat het doodvonnis een enorme gerechtelijke dwaling was. De reden hiertoe was dat er sprake was van persoonlijke, morele factoren, die de loop van het recht beïnvloedden. Kajafas, de Joodse hogepriester en Pilatus, de Romeinse stadhouder, waren slechts beambten van kerk en staat, die hun officiële taak naar behoren vervulden; ze waren gevallen en feilbare mensen, die, zoals wij allemaal, door duistere hartstochten gedreven werden. Want we hebben altijd gemengde gevoelens. Soms slagen we erin om bij wat we in het openbaar doen een zekere rechtschapenheid op te brengen, maar achter die façade gaan gewelddadige en zondige emoties schuil, die plotseling tevoorschijn kunnen komen. Als ze hun verhaal vertellen over de gevangenneming, het verhoor, het vonnis en de executie van Jezus, stellen de evangelisten deze verborgen zonden aan de kaak. Dat was een van de doelstellingen van hun verslag, want de Evangeliën werden gebruikt voor het morele onderwijs van bekeerlingen.

De Romeinse soldaten en Pilatus De mensen die direct voor Jezus’ dood verantwoordelijk waren, waren natuurlijk de Romeinse soldaten die het vonnis uitvoerden. De daadwerkelijke procedure van zijn kruisiging wordt echter niet door de evangelisten beschreven.
Als we alleen maar van de Evangeliën uit moesten gaan, zouden we niet geweten hebben wat er precies gebeurde. Er zijn echter andere documenten uit die tijd waarin de procedure van een kruisiging beschreven wordt.2 De gevangene werd eerst in het openbaar vernederd door al zijn kleren uit te trekken. Hij werd dan op zijn rug op de grond gelegd en zijn handen werden aan een horizontale balk (de patibulum) vastgespijkerd of gebonden en zijn voeten aan de verticale balk. Het kruis werd dan overeind gezet in een gat in de grond dat daarvoor gegraven was. Gewoonlijk werd er een houten pen aangebracht waarop het slachtoffer enigszins kon zitten, waardoor het volle gewicht niet aan de spijkers hing, om zo te voorkomen dat hij zou losscheuren. En daar hing hij dan, hulpeloos blootgesteld aan lichamelijke pijn, aan de spot van de omstanders, de hitte van de dag en de koude van de nacht. De kwelling duurde meestal een paar dagen.
Dit alles wordt niet door de schrijvers van de Evangeliën vermeld. Als we alle gegevens die zij doorgeven bij elkaar voegen, dan lijkt het erop dat Jezus naar Romeins gebruik, eerst zijn eigen kruis naar de plaats van de terechtstelling moest dragen. Vermoedelijk struikelde Hij echter onder het gewicht daarvan, want een zekere Simon uit Cyrene in Noord-Afrika, die op dat moment juist de stad binnenkwam, werd gedwongen het kruis van Jezus te dragen. Toen ze aankwamen op de plaats Golgotha (wat schedelplaats betekent), werd Jezus wat wijn met mirre vermengd aangeboden, wat als een soort verdovingsmiddel gebruikt werd om de pijn te verlichten. Maar hoewel Hij die volgens Mattheüs wel proefde, weigerde Hij die te drinken. Vervolgens schrijven alle vier de evangelisten eenvoudigweg ‘en zij kruisigden Hem’ (Matth. 27:32-35; Marc. 15:21-25; Luc. 23:26-33; Joh. 19:17-18). Dat is alles. Daaraan voorafgaand hebben ze min of meer gedetailleerd beschreven hoe de soldaten Hem in het Praetorium (de verblijfplaats van de stadhouder) bespot hebben: ze kleedden Hem in een purperen mantel, plaatsten een doornenkroon op zijn hoofd en gaven Hem een rietstaf in zijn rechterhand, blinddoekten Hem, spogen en sloegen Hem in het gezicht en op het hoofd en ze vroegen Hem te vertellen wie Hem geslagen had. Ze knielden ook voor Hem neer om Hem spottend hulde te brengen. Maar de evangelisten geven geen verdere bijzonderheden over de kruisiging zelf; ze verwijzen geen enkele keer naar de hamer, de spijkers of de pijn, of zelfs maar naar het bloed.
Alles wat ze ons zeggen is: ‘zij kruisigden Hem.’ Dat wil zeggen dat de soldaten hun gruwelijke plicht uitvoerden. Uit niets blijkt dat ze dat graag deden en er wordt ook niet verteld dat ze bijzonder wreed of sadistisch waren. Ze volgden alleen maar bevelen op. Het was hun taak. Ze deden wat ze moesten doen. En terwijl ze dat deden, zo vertelt Lucas ons, bleef Jezus hardop voor hen bidden ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’ (Luc. 23:34).
Hoewel de evangelisten ons de indruk geven dat de Romeinse soldaten in feite niet schuldig waren aan de kruisiging van Jezus (en ze voegen daaraan later nog toe dat de bevelvoerende centurion ten slotte tot geloof kwam, of tenminste dat het daarop leek), is dat geenszins het geval met de Romeinse stadhouder die het bevel tot de kruisiging gaf. ‘Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden. Zij dan namen Jezus... en zij kruisigden Hem’ (Joh. 9:16-18). Pilatus was schuldig. In feite staat zijn schuld in ons credo geschreven, waarin gezegd wordt dat Jezus werd gekruisigd ‘onder Pontius Pilatus’.
Het is bekend dat Pilatus door keizer Tiberius werd aangesteld als procurator (d.w.z. stadhouder) over de grensprovincie Judea en dat hij die functie van 26-36 na Christus vervulde. Hij kreeg de reputatie een bekwaam administrateur te zijn, met het kenmerkende Romeinse gevoel voor ‘eerlijk spel’. Maar door de Joden werd hij gehaat omdat hij hen minachtte. Zij waren zijn provocerende daad aan het begin van zijn ambtstermijn, het binnenbrengen van de Romeinse vaandels in Jeruzalem zelf, niet vergeten. Josephus beschrijft nog één van zijn dwaasheden, namelijk dat hij het geld dat voor de tempel gegeven werd misbruikte voor het bouwen van een aquaduct.3 Velen denken dat hij in de daarop volgende opstand ‘het bloed van een aantal Galileeërs vermengd had met hun offeranden’ (Luc. 13:1). Dit zijn slechts een paar voorbeelden van zijn opvliegendheid, gewelddadigheid en wreedheid. Volgens Philo beschreef koning Agrippa I hem in een brief aan keizer Caligula als ‘een zeer onbuigzaam mens, die zowel genadeloos als koppig was’.4 Zijn alles beheersende doel was de handhaving van de openbare orde en die lastige Joden stevig onder controle te houden en zonodig ieder opstand of dreiging daarvan meedogenloos te onderdrukken.
Het beeld dat ons in de Evangeliën van Pontius Pilatus geschetst wordt, komt met deze buiten-bijbelse bronnen overeen. Toen de Joodse leiders Jezus naar hem toebrachten met de woorden: ‘Wij hebben bevonden, dat deze ons volk verleidt’ en daaraan toevoegden: ‘Hij verbiedt de keizer belasting te betalen en van zichzelf zegt, dat Hij de Christus, de Koning is’ (Luc. 23:2), kon Pilatus daar niet omheen. Bij het daarop volgende verhoor wijzen de evangelisten op twee belangrijke punten.
Ten eerste was Pilatus overtuigd van Jezus’ onschuld. Kennelijk kwam hij onder de indruk van de fiere houding, zelfbeheersing en politieke argeloosheid van zijn gevangene. Hij verklaarde dan ook drie keer dat hij geen schuld in Hem vond. De eerste verklaring legde hij af toen op vrijdagmorgen de dag aanbrak en toen het sanhedrin de zaak naar hem doorverwees. Pilatus luisterde naar hen, stelde Jezus een paar vragen en na dit voorlopig verhoor stelde hij: ‘Ik vind geen schuld in deze mens’ (Luc. 23:4; Joh. 18:38).
De tweede keer was toen Jezus terugkeerde van Herodes, die Hem eveneens verhoord had. Pilatus zei tot de priesters en het volk: ‘Gij hebt deze mens bij mij gebracht als iemand, die het volk afvallig maakt en zie, ik heb Hem in uw tegenwoordigheid verhoord en in deze mens geen enkele grond gevonden voor datgene, waarvan gij Hem beschuldigt. En ook Herodes niet; want hij heeft Hem tot ons teruggezonden. En zie, er is niets door Hem bedreven, dat de dood verdient’ (Luc. 23:13-15; verg. Joh. 19:4-5). Daarop riep de menigte: ‘Kruisig Hem! Kruisig Hem!’ Pilatus antwoordde voor de derde keer: ‘Wat heeft deze dan toch voor kwaad gedaan? Ik heb niets in Hem gevonden, waarop de doodstraf staat’ (Luc. 23:22; Joh. 19:6). Bovendien werd de persoonlijke overtuiging van de stadhouder nog bevestigd door een boodschap die zijn vrouw tot hem zond: ‘Bemoei u toch niet met die rechtvaardige, want ik heb heden in een droom veel om Hem geleden’ (Matth. 27:19).
Pilatus’ herhaalde uitspraak dat Jezus onschuldig was, vormt de eigenlijke achtergrond voor het tweede punt waar de evangelisten de nadruk opleggen, namelijk zijn ingenieuze pogingen om te vermijden partij te moeten kiezen. Hij wilde Jezus niet veroordelen (omdat hij ervan overtuigd was dat Hij onschuldig was) en tegelijkertijd wilde hij Hem niet vrijspreken (aangezien de Joodse leiders geloofden dat Hij wel schuldig was). Hoe kon hij deze twee met elkaar in tegenspraak zijnde meningen verzoenen? We zien dat hij zich in allerlei bochten wringt als hij probeert Jezus vrij te laten en de Joden tevreden te stellen, dat wil zeggen tegelijkertijd rechtvaardig en onrechtvaardig te zijn. Hij probeert dat op vier manieren.
Ten eerste, als hij hoort dat Jezus een Galileeër is en daarom onder de jurisdictie van Herodes valt, zendt hij Hem voor verhoor naar Herodes in de hoop dat hij zijn verantwoordelijkheid om een beslissing te nemen op hem kan afschuiven. Maar Herodes zendt Jezus terug zonder Hem veroordeeld te hebben (Luc. 23:5-12).
Ten tweede probeert hij halve maatregelen te nemen: ‘Ik zal Hem dus geselen en dan loslaten!’ (Luc. 23:16, 22). Hij hoopte dat de menigte tevreden zou worden gesteld met iets minder dan de doodstraf en dat hun bloeddorst zou overgaan als ze zijn opengescheurde rug zouden zien. Dat was verachtelijk. Want als Jezus onschuldig was, zou Hij onmiddellijk vrijgelaten moeten worden zonder eerst gegeseld te worden.
Ten derde probeerde hij het juiste te doen (Jezus vrijlaten) vanuit een verkeerde motivatie (omdat de menigte Hem zou willen vrijlaten). Zich herinnerend dat het de gewoonte van de stadhouder was om op het paasfeest de een of andere gevangene amnestie te verlenen, hoopte hij dat het volk Jezus voor deze gunst zou kiezen. Dan zou hij Hem uit clementie in plaats vanuit rechtvaardigheid vrij kunnen laten. Het was een slim, maar tevens een schandelijk idee en de menigte verijdelde zijn plan door in plaats daarvan de vrijlating te eisen van een beruchte misdadiger en moordenaar, Barabbas. Ten vierde probeerde hij plechtig te verklaren dat hij onschuldig was. Hij nam een schaal water en waste ten aanschouwen van de menigte zijn handen en zei: ‘Ik ben onschuldig aan zijn bloed’ (Matth. 27:24). Toen, nog voor zijn handen droog waren, gaf hij Jezus over om gekruisigd te worden. Hoe kon hij zo’n grote schuld op zich laden direct nadat hij zichzelf onschuldig had verklaard?
Het is gemakkelijk Pilatus te veroordelen en geen oog te hebben voor ons eigen, eveneens vaak slinkse gedrag. We proberen maar al te vaak onder onze volledige toewijding aan Christus uit te komen door ook allerlei uitvluchten te zoeken.We laten de beslissing graag aan een ander over, of we nemen onze toevlucht tot een compromis, of we eren Jezus om de verkeerde reden (bijv. als leraar en niet als Heer), of we belijden Hem met de mond en in ons hart verloochenen we Hem.
In het verhaal van Lucas staan drie dingen die erop wijzen wat Pilatus uiteindelijk zou gaan doen: ‘hun geschreeuw werd al sterker’, ‘Pilatus besliste, dat aan hun eis moest worden voldaan’ en ‘hij gaf Jezus over aan hun wil’ (Luc. 23:23-25). Hun geschreeuw, hun eis, hun wil; daar bezweek Pilatus voor. Hij wilde Jezus vrijlaten (Luc. 23:20), maar hij wilde ook de schare tevreden stellen (Marc. 15:15). De menigte won. Waarom? Omdat ze tot hem zeiden: ‘Indien gij deze loslaat, zijt gij geen vriend van de keizer; een ieder, die zich koning maakt, verzet zich tegen de keizer’ (Joh. 19:12). Daarmee was de zaak beklonken. Hij moest kiezen tussen eer en ambitie, tussen principe en pragmatisme. Hij had al drie keer eerder moeilijkheden met keizer Tiberius gehad. Een vierde keer kon hij zich niet veroorloven.
Natuurlijk, Jezus was onschuldig, natuurlijk, het recht eiste dat hij Hem zou loslaten. Maar hoe kon hij voor de onschuld en het recht opkomen als hij daarbij geen rekening hield met de wil van het volk, geen rekening hield met de nationale leiders en bovenal als hij daardoor een opstand zou ontketenen, waardoor hij de gunst van de keizer zou verspelen? Zijn geweten werd overschreeuwd door de luide kreten van het pragmatisme. Hij koos voor het compromis omdat hij een lafaard was.

Recensies uit de krant
19-4-1997Nederlands Dagblad
31-7-1997De oogst
21-8-1997De waarheidsvriend
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584