Try it out
Lees hoofdstuk 1
Op het randje van de eeuwigheid
 
Boek kaft: Op het randje van de eeuwigheid

De storm raasde, bliksemschichten jaagden op me als een troep bloedhonden, de donder brulde tegen me. Toen er licht door de duisternis stroomde, keek ik omhoog door de kletterende regen en zag een muur van vooruitstekende rotsen boven de weg opdoemen, hun lange armen wijzend als beulen.
De wind dreef me voort als een gigantische hand in mijn rug. Ik probeerde mijn hielen in te graven, maar de weg was modderig, ik kon mijn voeten niet onderscheiden in het kolkende bruine goedje dat me naar beneden zoog.
Mijn hart ging tekeer alsof een nachtelijke achtervolger me op de hielen zat. Mijn lichaam droop als een diepe kloof in een donkere wolk.
Waarom voelde mijn rechterarm zo zwaar aan? Mijn wijsvinger trilde. Mijn rechterslaap deed pijn door een druk die ik niet kon verklaren. Ik voelde een koud oog op me gevestigd, een schimmige cycloop die me bedreigde, en zich in mijn richting bewoog.
Waar was ik? Wat gebeurde er? Hoe kwam ik helemaal alleen op deze weg, blootshoofds in dit afschuwelijke tumult?
Ik herinnerde me nog dat ik naar mijn berghut gereden was… de rest was wazig.
Windvlagen duwden me vooruit, lieten even los om dan nog harder te duwen. Alles wat ik kon zien door mijn druipende, stekende ogen was de grond die onder mijn voeten door ging. Mijn broek was kletsnat, mijn jagersjas een doorweekte spons. Ik huiverde.
Mijn knieën kraakten en mijn hoofd begon te draaien in het grijze geweld. Ik wist niet meer wat onder of boven was.
‘Help me! God, help – ’ Ik struikelde en kreunde. Ik zou net zo goed tegen de kabouters kunnen praten.
Ik hoorde een hevig lawaai als van een enorm zeildoek dat flappert in de wind. Ik keek over mijn schouder, en viel verlamd van angst op de grond. Het geluid was het klapperen van de gigantische vleugels van een reptielachtig schepsel met uitwaaierende klauwen. Het leek een draak – nee, een vliegende dinosaurus, een pterodactylus met dode ogen en gekartelde tanden.
Het scheen te zwaar om te kunnen vliegen, maar het vloog, en het kwam achter me aan. Ik rees op uit de modder en rende met de wind mee, maar het slaan van die vleugels zwol aan tot het in mijn oren donderde. Ik voelde de luchtstroom van de hete adem van het schepsel. Ik rook een geur alsof er duizend lucifers tegelijk werden aangestoken – zwavel. Ik zwaaide wild met mijn armen en viel weer in de modder. Het monster dook naar beneden.
Ik spande al mijn spieren, het beest scheerde rakelings over me heen. Hoe kon het missen?
Speelde het met me, wilde het me angst aanjagen voor het me doodde?
Ik zag het roofdier rondcirkelen, het hield zijn blik op me gevestigd als een scherpschutter op zijn doelwit. Die ogen, koud en wreed – haaienogen. Het beest lachte spottend. Had het plezier in mijn angst? Ik voelde een intelligentie veel hoger dan de mijne, oeroud en peinzend. De gedachte aan een berekenende geest in iets zo grotesks deed een elektrische golf van angst door me heen schieten.
Eindelijk draaide het monster om en verdween achter het gordijn van regen. Ik staarde in het kolkende grijs waarin het was weggevaagd. Had ik het werkelijk gezien? Ik kwam overeind, wenste dat mijn benen sterk zouden zijn. Ik rende, mijn voeten worstelden zich door het slijk. Ik moest een schuilplaats zoeken.
Achter me hoorde ik het zwiepende zeil weer, luider en luider.
Plotseling was de vurige adem weer boven me. Ik hield mijn armen over mijn hoofd, en toen ik in de modder viel voelde ik dolken in me steken, klauwen die in mijn nek drongen, dwars door spieren en pezen heen. Ik gilde en werd omhoog getrokken.
Het beest liet mij in de modder terugvallen, de echo van mijn kreet verdween in de genadeloze storm.
Omhoog. Ik moest blijven bewegen.
Het flauwe zicht op een uitstekende steen op een helling pakweg veertig meter verderop behoedde mij ervoor me weer aan de aarde te moeten overgeven. Ik strompelde voort en naar boven, op zoek naar een schuilplaats. Het riep herinneringen bij me op aan het waden door de rijstvelden in Vietnam, als we de veiligheid van een bunker zochten.
Terwijl ik worstelde met de storm, voelde ik iets warms over mijn rechterschouder sijpelen. Ik stak mijn linkerhand in mijn jasje, en voelde dat mijn flanellen shirt doorweekt was van bloed. Mijn nek klopte. Langzaam en pijnlijk draaide ik mijn hoofd heen en weer.
Terwijl ik dat deed, zag ik het gevleugelde beest cirkelen. Het stortte zich op me als een steen van een rots. Ik rolde me op, drukte mijn lichaam tegen de modderige weg.
Op het moment dat het mijn hals schramde hoorde ik een angstaanjagend gebrul. Het kwam niet van het beest, noch van mij, maar van een immense, donkere vorm die over de grond joeg, een beest dat ik nauwelijks zien kon, een massa bont dat opgewaaid werd door de wind. Het gebrul daverde door de lucht en de kop van het vliegende monster werd met geweld naar achteren gezwiept. Het krijste woedend terwijl het stikkend en sputterend wegdraaide, met koude afschuw in de ogen.
Ik snakte naar adem en voelde me voor een ogenblik opgelucht. Wat voor een vijand kon een vreselijker schepsel dan ik me ooit had kunnen voorstellen, vrees aanjagen? Wat was erger om te ontmoeten, het vliegende beest of het jagende?
Ik dwong mezelf de resterende tien meter naar de rotsige schuilplaats af te leggen. Op het moment dat ik daar aankwam, sloeg een windvlaag me tegen de uitstekende rots. Verdoofd viel ik met uitgespreide armen neer. Op de grond vonden mijn graaiende vingers een holte, een groef in de voet van de rots. Achter me, op slechts twee meter afstand zag ik het dier op de grond, zijn grote kop hief zich brullend naar de hemel. Was ik de gazelle en dit de leeuw die het maal van de hyena kwam opeisen? Ik duwde mijn lichaam verder de holte in, maar stond nog altijd bloot aan de beesten en aan de elementen.
Ik lag plat op mijn gezicht en omhelsde de steenachtige grond. Ik probeerde grip te krijgen, verder te bewegen, maar ik kon het niet. Mijn lichaam werkte niet, maar mijn geest wel. Ik ben realistisch, sceptisch, zei ik tegen mezelf. De dinosaurus kon niet echt zijn, de jagende woesteling kon niet echt zijn. Maar mijn stekende nek en bonzende hart en het gebrul van wilde beesten vertelden mij het omgekeerde. Ik wilde mezelf dwingen wakker te worden, maar het ging niet. Ik kneep mijn ogen dicht en verlangde naar de verlossing van dromen of bewusteloosheid; alles scheen me beter dan dit.
Toen ik mijn ogen opendeed, bevond ik me in een vochtige duisternis. Ik spuugde zand uit en hoorde een echo. Achter mijn voeten kwam licht door een opening. Ik moest verder gekropen zijn dan ik dacht, een grot in. Ik wist het niet meer.
Ik was uitgeput, ik was nog maar een gekronkeld hoopje mens, te pijnlijk om zich te bewegen.
Langzaam werd mijn geest helder, ondanks een martelende hoofdpijn. Ik voelde me verlamd in deze uiterst ongewone toestand. Alles wat ik had geweten was ver van me weg. Hier was niemand anders dan ik en woedende beesten en de natuur, die gek geworden was.
Ik voelde in de zak van mijn natte jagersjasje naar het doosje lucifers dat ik meegenomen had uit de hut. Ik telde ze en vloekte. Vier maar. Voorzichtig streek ik er eentje langs het natte doosje, drie keer, en toen een keer langs de wand van de grot. Eindelijk een vonk. Zachtjes blies ik tegen de vlam, en hij werd groter.
De achterwand was slechts een armlengte van mij af, de hoogte van de grot was iets minder dan twee meter.
Ik keek naar beneden en zag in het dunne, grijze stof de afdruk van een laars, groter dan de mijne. Was ik bewusteloos geweest? Had iemand me hierheen gesleept, weg van de storm en de beesten?
Een plotselinge windvlaag kwam de grot binnen en blies de lucifer uit. Ik ontstak een tweede en keek naar de grond. De voetafdruk was verdwenen. Ik staarde naar de plek waar ik hem zojuist nog had gezien. Niets.
Ik moest het me verbeeld hebben, of misschien was hij toch van mij geweest. Ja, ik had mezelf hierheen gesleept. Ik had mezelf gered, zoals ik altijd had gedaan. Ik was alleen, ik Nick Seagrave, opnieuw aan mijzelf overgeleverd.
Ik hoorde het geluid van voetstappen en zware ademhaling vlak bij de ingang. Ik huiverde. Het grondbeest achtervolgde me, was zo dichtbij dat ik zijn vochtige warmte voelen kon, zijn dierlijke geur ruiken. Ik kon niet ophouden met beven. Slechts mijn hoofdpijn en de pijn in mijn nek weerhielden me ervan me volkomen aan mijn angst over te geven.
Na een lange, huiverende stilte trok ik mijn jasje uit en scheurde de linkermouw van mijn shirt. Met bevende vingers wond ik die om mijn hals om de wonden te verbinden.
Het grondbeest viel stil. Ik had een tijdje tegen de rotswand aan gezeten, en mijn rug en benen raakten verkrampt. Ik rekte me uit. Ik probeerde de minst pijnlijke houding te vinden, en rolde me op als een oude soldaat die zich ingraaft voor een lange nacht.

Recensies uit de krant
5-1-2000Vision
19-4-2002Reformatorisch Dagblad
6-12-2002Stichting Nederlandse bibliotheek dienst
Recensies van lezers
Naamleo
Rapportcijfer9
RecensieEen boeiend boek waarin goed naar voren komt dat het niet altijd makkelijk is om de juiste weg te kiezen naar God.
NaamHennie
Rapportcijfer10
RecensieNa het lezen wist ik dat mijn leven nooit meer het zelfde zou zijn. en Godzijdank is dat ook zo gegaan, twee jaar nadat ik het in 1 dag uit had, deed ik belijdenis van mijn geloof. en ik ben zo dankbaar dat Gods geest doormiddel van dat boek zo in mijn leven tekeer is gegaan. op de bijbel na is dit Het Boek!!
NaamBert
Rapportcijfer10
RecensieEen indringend boek. Waard om meerdere keren te lezen. Het zit vol met diepere lagen van betekenis, allegorieen die je langzamerhand meer gaat begrijpen. De diepte van je zonden (nooit geweten dat begeerte zoiets slechts is....) en Gods weg (" de rode weg" ) om ons daaruit te redden, de weg in dit leven die vol met hindernissen is, de gigantische strijd tussen goed en kwaad, het vooruitzicht op de eeuwige heerlijkheid, het zijn dingen waarvan Randy Alcorn de betekenis heeft proberen te doorgronden. Ook voor niet-gelovigen een aanrader, vanwege het spannende verhaal!!
NaamF. Schuring
Rapportcijfer9
RecensieEen zeer indrukwekkend boek. Ook in dit boek beschrijft Randy Alcorn weer het gevecht om jou/uw leven. Fictie die de realiteit van uw/jou leven verheldert en concreet maakt.
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584