Try it out
Lees hoofdstuk 1
Het territorium
 
Boek kaft: Het territorium

1

De jonge man zat met de .357 revolver in zijn handen op zijn bed en wreef het roestvrijstalen omhulsel met de shawl van zijn moeder tot hij in het gepolijste oppervlak zijn verwrongen spiegelbeeld kon zien. Hij maakte de loop open en liet de cilinder ronddraaien, zodat alle zes hulzen op het bed vielen. Met een afwezige blik in de ogen zette hij voorzichtig een nieuwe ronde in.
Hij haalde de cocaïne te voorschijn, die al voor de levering van de volgende dag was ingepakt. Hij pakte een korstig stukje op, rook eraan, hield het tegen zijn tong, vroeg zich af of hij het zou gaan roken of niet. Misschien kon hij daardoor vergeten wat hij zijn vriendjes niet kon vertellen.
‘Ze hebben me belazerd. Die sukkels hebben ’t helemaal fout gedaan. Dit is hun buurt niet. Dit is hun set niet. Maar dat kan ik toch niet tegen ze zeggen. Wat moet ik doen?’
Hij richtte de revolver op de foto’s en krantenknipsels aan de muur – vooral op één bepaalde foto uit de krant. Langzaam draaide hij zijn pols, wreef de loop zachtjes langs zijn neus, hield de loop vervolgens een paar centimeter bij zich vandaan. Hij tuurde in de verleidelijke loop, en hield de revolver zó dat het licht een stukje in de donkerte viel, en hij zich afvroeg wat daar achter lag. Zijn trillende wijsvinger speelde met de trekker.

Met grote passen en opvallende soepelheid beende de breedgeschouderde man door de supermarkt. Doelgericht stuurde hij zijn winkelwagentje door het looppad en wist hij behendig het winkelpubliek van de vrijdagmiddag te ontwijken – de mensen die kennelijk alle tijd hadden en weinig te doen.
Aan zijn zwarte Givency-pak en dure schoenen te oordelen kon hij directeur of jurist zijn. Maar hij was journalist voor de Oregon Tribune, waar de meeste collega’s in hun alledaagse kloffie werkten. Maar Clarence Abernathy had een image hoog te houden.
Geneva had hem op zijn mobiele nummer gebeld en gevraagd of hij op weg naar huis wat boodschappen wilde halen. Nu was hij op weg naar de groentenafdeling voor de granny smith-appels.
‘Granny smiths zijn die groene,’ had ze hem nog gezegd. Alsof hij dat niet wist.
Hij was op weg naar de kassa en had in de vaart een grote doos cruesli meegegraaid, toen hij uit zijn gedachten opschrok door een ruwe, boze stem.
‘Hou je kop! Begrepen? Hou je kop, zei ik! Afblijven!’ Het klonk alsof er een vulkaan van woedende woorden aan het uitbarsten was.
Een vadsige man van midden veertig, ongeveer net zo oud als Clarence, stond een eindje verderop in het looppad. Hij droeg een haveloos T-shirt met bierreclame erop. Clarence zag hoe de man een jongetje van hoogstens een jaar of zes bij het oor vastgreep. Even werd het jongetje met zijn voeten van de grond getild, zijn ogen wijd opengesperd van angst.
Zijn geschreeuw klonk als een brandalarm door de supermarkt. Terwijl de tranen het jochie over de wangen liepen trok de man nog een stukje harder aan zijn oor en gaf hem een klap tegen het hoofd.
‘Hou je kop, zei ik toch!’ Weer tilde hij zijn hand op – als een tennisracket klaar voor de service. De arm kwam met kracht neer, maar werd op een paar centimeter boven de samengeknepen ogen van het jochie tegengehouden.
De man in het biershirt keek naar de grote hand die zijn arm in een houdgreep hield. De spelbreker had vijf dozen muesli omgestoten terwijl hij was komen aanrennen.
‘Wat mot je...?’ De dikke man draaide zich om, zodat hij de verstoorder aan kon kijken. In plaats van in een paar ogen keek hij naar een adamsappel. De spelbreker was enorm lang en enorm breed gebouwd. Zo iemand aan wie je je zou vastklampen bij een tornado en voor wie je hard wegloopt als je hem in een donker steegje tegenkomt.
‘Je doet dat joch pijn,’ zei hij op bedaarde toon met een diepe basstem.
De man keek opzij en zag dat de hele supermarkt stond toe te kijken.
‘Wie denk je wel dat je bent, jij...’ sputterde hij. Blijkbaar wist hij niet goed wat hij nu moest zeggen.
‘Maakt niet uit wie ik ben. Maar je doet dat jochie pijn.’ Hij wierp de kleine jongen een brede glimlach toe. Maar hij liet de arm niet los. ‘Is dat jouw zoon?’
‘Yeah.’
‘Behandel ’m dan zoals een vader met z’n zoon omgaat.’
‘Daar heb je niks mee te maken.’
‘Jawel. Een heleboel. Zeg dat je hem geen pijn meer doet.’
‘Ik hoef niks tegen jou te zeggen, jij–’
‘Verkeerd geantwoord,’ fluisterde Clarence, en kneep harder. De arm van de man begon hevig te kloppen, en er sprongen tranen in zijn ogen.
‘Probeer nog maar een keer.’ De glimlach was niet gespannen, niet bedreigend. De greep daarentegen wel.
‘Oké,’ hijgde de man.
‘Oké wat?’
‘Ik doe hem geen pijn meer.’
Clarence liet los. Het had hem geen enkele moeite gekost de arm bijna tot moes te knijpen. Dezelfde grote hand legde hij op het hoofd van de kleine jongen.
‘Pas goed op jezelf, jongen.’ Het jochie knikte met grote ogen. Clarence wendde zich tot de vader. ‘Fijne dag nog,’ zei hij, alsof ze net over het prijsvoordeel van de grotere doos cruesli hadden staan praten.
Toen hij naar zijn wagentje terugliep glimlachte Clarence de omstanders geruststellend toe. Sommigen knikten goedkeurend, anderen wisten niet wat ze ervan moesten denken.
Onwillekeurig legde Clarence zijn hand op het twee centimeter grote litteken net onder zijn rechteroor. Het was een litteken van tweeëndertig jaar oud, gemaakt door een paar pubers in Mississippi, die de tienjarige Clarence en zijn zesjarige zusje met kapotgeslagen bierflessen hadden bewerkt. Eén van de scherpe flesjes had de gapende wond veroorzaakt die nu een litteken was geworden.
Kalm glimlachend wandelde hij naar de kassa. Zijn uiterlijke rust verhulde de wilde verwarring vanbinnen. Iedereen ging voor hem aan de kant.

De volgende ochtend was het de tweede dag van september, een zonnige zaterdag zoals daar in de staat Oregon veel van zijn. De lucht was fris; een teken dat er een vroege herfst op komst was. Dit was zo’n dag waarvan de mensen in andere staten zeggen dat Oregon die nooit heeft, en die schijn willen de mensen van Oregon graag ophouden.
Clarence Abernathy stond vroeg op. Hij was blij dat het weer weekend was. Hij las een paar hoofdstukken uit bijbelse adviezen voor gezondheid en geluk en ging vervolgens twee uur in de tuin aan de slag – grasmaaien, snoeien, kantjes bijwerken – zodat het er weer prachtig uitzag. Zijn tuin was altijd de mooiste van het rijtje.
‘Krijgt papa een knuffel?’ zei hij tegen de achtjarige Keisha, die trots in haar maillot rondstapte. Zonder schroom wierp ze zich in zijn armen. ‘Veel plezier op balletles.’
Clarence stompte Jonah van elf speels in de maag. ‘En jij veel plezier met voetballen. Laat ze maar een staaltje Abernathy-talent zien!’
‘Oké papa. Tot morgen.’
Clarence pakte een stukgelezen kinderboek van de plank en legde zijn gereedschap in de auto.
Geneva kwam naar buiten en omhelsde hem. ‘Ik hou van je, schat,’ zei ze.
‘En ik van jou. Ga lekker voor kindertaxi spelen vandaag.’
‘Hoe laat ben je terug vanavond?’
‘Volgens mij zijn Jake en ik wel tot vanmiddag laat bezig met het eruithalen van de vloerbedekking van Dani. Daarna nog even met de kinderen spelen en wat napraten. Een uur of tien, denk ik.’
‘Zorg dat je in elk geval om elf uur terug bent, oké? Ik ken Dani en jou. Als jullie met kletsen beginnen, houden jullie nooit meer op.’ Geneva glimlachte. ‘Ik wacht op je, maar ik kan niet veel later dan tot elf uur opblijven.’
‘Weet ik,’ zei Clarence. ‘Misschien breng ik deze keer wel granny smiths mee.’
‘Dat zit wel goed. De golden delicious zijn ook lekker. We hadden sowieso geen appeltaart nodig.’
Clarence reed weg in zijn felrode Bonneville SSE en ging gemakkelijk achterover zitten in het zachte, beige leer van de bekleding. Hij reed door de nette wijken van de voorstad naar het centrum, luisterde naar gouwe ouwe liedjes op de radio en bedacht hoe het zou zijn om op het platteland te wonen – over drie weken was het zover en gingen ze verhuizen.
Toen hij bij de flat van zijn vriend en collega bij de krant, Jake Woods, kwam aanrijden, kwam Jake net naar buiten lopen.
‘Jake! Hoe is het, jongen?’
‘Hé, Clabern.’ Jake noemde hem altijd Clabern, omdat dat zijn wachtwoord op de computer van de Tribune was, de afkorting voor Clarence Abernathy. ‘Mooi weertje, hè?’
Op weg naar Dani praatten de mannen over het veranderde beleid op de redactie van de Tribune, de recente vorderingen van de commissie voor multiculturele vorming en ideeën voor nieuwe columns.
‘Ik ben benieuwd naar je zus,’ zei Jake. ‘Vertel eens wat over haar.’
‘Dani is vier jaar jonger dan ik. Achtendertig is ze nu.’
‘En niet getrouwd?’
‘Niet meer. Haar man is vijf jaar terug bij haar weggegaan. Hij ging aan de drank en drugs, hij dealde ook. Dani heeft me dat heel lang verzwegen. Pas toen Roy met de kinderen erbij coke zat te snuiven klopte ze bij me aan.’
‘En wat heb je gedaan?’
‘Ik ben erheen gereden en heb de hele boel door de wc gespoeld.’
‘De cocaïne?’
‘Ja.’ Clarence zei er niet bij dat Roy ook een tijdje met zijn hoofd in de wc had gehangen. ‘Volgende dag is-ie vertrokken. Nooit meer wat van gehoord. Pas na een hele tijd vertelde ze dat hij haar had geslagen. We zijn heel vertrouwd met elkaar, maar ze heeft het me daarvoor nooit verteld. Ze zei: “Als je voor moord in de bak komt, Antsy, zorg dan dat het iemand is die meer voorstelt dan Roy.”’
‘Antsy?’
‘Een bijnaam.’
Jake trok zijn wenkbrauwen op.
Clarence zuchtte. ‘Toen ik klein was riep onze moeder ons altijd als we gingen eten.
Natuurlijk kwamen we nooit meteen. Bij de derde keer roepen schreeuwde ze altijd: “Clar-ents.”
Dani was toen drie of vier, en ze dacht dat ik echt zo heette. Dus heeft ze er Antsy van gemaakt.’
‘Fijn dat je me dat even vertelt, Antsy.’
‘Dani is de enige die me zo noemt. En zeg het tegen niemand, wil je. Anders blijf ik het horen.’
‘Je geheim is veilig bij mij, Antsy.’
Clarence nam de afslag richting noorden. Na een paar kilometer zag hij een auto met vier lekgestoken banden, kapotte ruiten en een leeggehaald interieur langs de weg. Hij zag kleine winkels waar de winst van maanden was geïnvesteerd in stalen tralies om te zorgen dat de koopwaar er de volgende dag ook nog was. Ze reden langs de middelbare school met het zware gietijzeren hek rond het schoolplein. Tegenwoordig hadden ze hier een metaaldetector om de leerlingen op wapens te onderzoeken. Hij zag twee pubers met T-shirts aan die hij in zijn eigen wijk ook al had gezien. Op het ene T-shirt stond ‘No Fear’ en op de ander: ‘Life is short. And then you die.’
‘Steeds meer jeugdbendes de laatste tijd,’ zei hij tegen Jake, terwijl er een jonge Crip langsliep, die een groep Bloods met zijn stoere gebaren uitdaagde het tegen hem en zijn vriendjes op te nemen. Een eindje verderop werden op de hoek van de straat drugsdeals gesloten.
‘Waar is de politie als je ze nodig hebt?’
Clarence keek naar de kinderen met baseballpetten achterstevoren op hun hoofd, of met de klep naar links of rechts. Anderen droegen kleurrijke bandana’s. Hij wist dat het allemaal een betekenis had, maar omdat hij een echte bewoner van de nette buitenwijken was, probeerde hij er niet teveel over na te denken.
Hij zag jongens in grijze, oversized dickeys en kaki-beige werkbroeken die als een zak om hun lichaam hingen. Hij zag zwarte broekriemen met verchroomde of zilveren bende-initialen. Witte tennisschoenen met zwarte veters en zwarte tennisschoenen met witte veters. Gouden kettingen en zwarte geweven kruisen om hun hals.
Vanuit zijn ooghoek keek Clarence naar Jake. Zijn vriend zat de taferelen te bekijken met een blik alsof hij voor het eerst op de maan was.
Clarence snoof de geur van North Portland op, de muffe geur van oude gebouwen in de laatste weken van zomerzon. Dit was niet het paradepaardje van Portlands pas gerenoveerde stadscentrum, een actie die was neergekomen op een poging om een oude filmster wat op te lappen. Nee, hier kon je geen facelift in herkennen. Natuurlijk waren er visuele hoogtepunten, mooie winkeletalages en nette huizen, maar over het algemeen vond Clarence het eruitzien als een verlaten knekelveld.
Hij wierp een snelle blik in de zijstraten naar de afgeleefde huizen en tuintjes met de omvang van een grote zakdoek. Daar, rechts van hem stond het karkas van Zola supermarkt, één van de laatste oude middelgrote winkels. Hoewel het gebouw al minstens vijftien jaar leegstond, hingen er nog steeds verschoten, kleurloze posters met aanbiedingen voor de ruiten. ‘Negenendertig cent per pond?’ vroeg Jake. ‘Benieuwd wat dat was.’
De cijfers op het zongebleekte gele bord waren nauwelijks zichtbaar, de naam van het product was allang verdwenen. Dit waren de laatste overblijfselen van een beschaving die ooit floreerde, maar nu in puin lag.
Clarence sloeg rechtsaf. Dit was Jackson Street. Ongeveer ieder vierde huis was goed onderhouden. De bloementuinen waren oases in de woestijn. Maar de meeste huizen in deze straat hadden ingezakte daken, afgebladderde verf en tuinen waar het onkruid welig tierde. De meeste opritten waren bezaaid met troep – roestige metaalplaten, rottende stukken hardboard, afgedankte stukken gereedschap. Clarence stopte bij nummer 920. Hij wierp een kritische blik op het huis van zijn zus en zag het dofgrijze stuk tape op haar slaapkamerraam aan de voorkant van het huis.
Weer iets om te repareren.
Felicia en Celeste, Dani’s tweeling van vijf jaar, renden naar buiten en brulden ‘oom Antsy, oom Antsy’. Met hun twintig kilo sprongen ze in zijn uitgestrekte armen. Moeiteloos hield hij hen vast, in iedere arm één. Hij tilde hen de lucht in, terwijl ze giechelend aan zijn armen hingen. Trots liet hij de kinderen aan Jake zien, die breed glimlachte en hem goedkeurend toeknikte.
Clarence zwaaide naar Dani, die aan de linkerkant van het huis in haar rozentuintje stond te werken, dat sterk afstak tegen de rommelige en met onkruid begroeide tuin van haar buren.
Hoewel de rozen twee maanden geleden al op hun mooist waren geweest, hadden de laatste zomerrozen het onder Dani’s toezicht nog goed weten vol te houden.
‘Hé, zusje!’ Met zijn ogen op Dani gericht gaf Clarence de meisjes als twee zakken aardappelen aan Jake door. Jake grijnsde verrast toen de kinderen met hun handjes zijn gezicht betastten. Ze waren niet verlegen. Vrienden van oom Antsy waren ook hun vrienden. Clarence rende op Dani af.
‘Hé, grote broer!’ Dani’s meisjesachtige lach gleed als een golf over haar ronde, vochtige gezicht. Ze had een mooi, egaal gezicht, afgezien van een wit litteken rechts van haar keel afkomstig van een kapot bierflesje op diezelfde avond in Mississippi.
Jake keek toe hoe Clarence Dani optilde. Hij lachte, zij giechelde. Jake was een beetje jaloers op Clarence, die zo’n goede band met zijn zus had.
‘De Here Jezus is mijn beste vriend,’ zei Felicia op plechtige toon tegen Jake, alsof dat het meest belangrijke was wat er over haar te weten viel. Ineens leek het nog maar een paar dagen geleden dat zijn dochter Carly, die nu negentien was, zo groot was als Felicia nu. Toen Clarence Dani aan Jake voorstelde, stak ze haar hand uit. ‘Ik heb veel over je gehoord,’ zei ze met een ondeugende glimlach.
‘Maar ik heb nog veel meer over jou gehoord.’
Ze liepen naar binnen en gingen aan de keukentafel zitten. Wanneer zou ze nou ooit eens een nieuwe krijgen, vroeg Clarence zich af. Hij had haar al vaak aangeboden er eentje te kopen, maar ze had altijd bedankt. Ze schonk hen een glas donkerrode limonade in. De ijsblokjes tinkelden tegen de glazen terwijl ze met elkaar spraken.
‘Waar is Ty?’ vroeg Clarence.
‘Geen idee. Ik heb problemen met die jongen, Antsy. Ik weet dat hij van me houdt, maar hij is veertien en hij wil niet luisteren naar mama. Die jongen heeft een vader nodig.’
Clarence knikte.
‘Ik heb een advertentie in de Tribune gezet voor een vader.’ Dani keek Jake bloedserieus aan. ‘Maar ja, ik had er natuurlijk geen foto van mij bij moeten zetten.’ Dani begon te lachen,
eerst een gegrinnik, toen aanzwellend tot een hartelijke schaterlach. Jake glimlachte. Hij mocht haar nu al.
‘Je ziet er goed uit, zus,’ zei Clarence. En dat klopte, ondanks haar oud geworden gezicht, de grijze haren en de extra pondjes.
Tyrone kwam in zijn blauwe overall de voordeur binnenwankelen. Zodra hij met zijn puber-radar merkte dat er volwassenen aanwezig waren, liep hij snel door naar zijn kamer.
‘Ty, kom eens – je oom Antsy is er,’ riep Dani. ‘En zijn vriend Jake Woods. Van de krant.’ Ty mompelde iets en bleef hardnekkig naar de vloer kijken. Deze veertienjarige jongen straalde de onafhankelijkheid van een achttienjarige uit. Onmiddellijk na zijn verplichte optreden verdween hij weer. Clarence had de felle kleuren van de bandana gezien.
‘Waarom draagt hij de kleuren van de Crips?’
‘Dat is nou precies wat ik bedoel, Antsy. Ik weet het niet. Hij zegt dat die kleuren niet meer voor een bepaalde bende gelden. De één zegt dat het klopt, anderen weer niet. Ik verlies hem aan de buurt. Hij gaat met gangbangers om. Hij wil er graag bij horen. Hij haalt slechte cijfers op school, het gaat echt niet goed. Die jongen heeft een vader nodig, of tenminste een man tegen wie hij kan opkijken. Ik weet niet wat ik moet doen. Hoe moet ik dit allemaal tegenhouden?’
‘We hebben het hier al vaker over gehad, zusje. Ga verhuizen! Wegwezen hier. Ik wil je wel geld lenen. Ik zoek een huis voor je bij ons in de buurt.’
‘In de voorstad? Dat is niks voor mij.’
‘Je moet een veilige plek hebben. Maakt niet uit waar, zolang je de kinderen maar niet aan slechte invloeden blootstelt.’
‘O, zijn er in de voorsteden geen slechte invloeden? Kom op, Antsy. Ik heb daar nooit gewoond, en ik zou er ook niet kunnen wonen. De mensen kennen elkaar daar niet; dat heb je zelf altijd gezegd.’
‘En in de stad word je neergestoken om wat kleingeld door iemand die je bij z’n voornaam aanspreekt, is dat wat je wilt? Als dat “elkaar kennen” is, zou ik liever niemand kennen.’ ‘Zo is het niet, Antsy. De mensen zorgen voor elkaar. We hebben veel problemen, dat wel, maar het brengt ons bij elkaar. Ik moet gewoon zorgen dat ik m’n zoon niet verlies.’
‘Wil je Ty ellende besparen, hem van de drugs en de bendes vandaan houden? Dan moet hij hier weg. Zorg voor een andere omgeving. Dat is het enige.’
‘Het wordt beter hier. Wethouder Norcoast heeft een nieuw plan opgezet.’ Dani negeerde de cynische blik van haar broer. ‘Het is echt een goed plan. Ik ben bij de publieke besprekingen geweest. We kunnen veel verbeteren als we samenwerken. Kom hier wonen, Antsy. Er staan huizen te koop.’
‘Het verbaast me dat ze niet allemaal te koop staan. Wie wil hier nou wonen?’ Clarence zag meteen dat hij haar had gekwetst. ‘Sorry, zusje. Zo bedoelde ik het niet.’
‘Ik ben blij dat je elke week met de kinderen komt spelen,’ zei Dani. ‘Maar als jullie dichterbij zouden wonen en Ty wist dat hij altijd bij je terecht kon, dan zou hij misschien...We hebben goede voorbeelden nodig, grote broer. De gemeenschap kan mensen zoals jij goed gebruiken.’
‘Denk nou een keer niet aan de gemeenschap maar aan jezelf en je kinderen. Echt waar, zusje, de stad is van de junks, de dealers, de pooiers en de gangbangers. Ze hebben alles overgenomen. Daarom woont jouw grote wethouder Norcoast niet in een buurt als deze. Waarom zou hij ook? Waarom zou ik ergens moeten gaan wonen waar ik elke avond m’n deur drie keer op slot moet doen en hopen dat er niet één of andere junk met een uzi m’n deur openschiet om me te beroven? Wat is daar het nut van?’
‘Dat je iets teruggeeft aan de mensen waar je bij hoort, dat je de buurt helpt.’
Clarence had een hekel aan die discussies die ze al honderden keren hadden gevoerd. Hij schudde zijn hoofd en gaf Dani een zoen op haar wang, alsof hij daarmee wilde zeggen: ‘We worden het nooit met elkaar eens, maar ik hou toch van je.’ Hij keek Jake aan. ‘Tijd om aan het werk te gaan. Tenminste, als je mans genoeg bent om mij bij te houden.’
Clarence en Jake begonnen de versleten vloerbedekking uit de woonkamer te halen. Daarna waren de kleine klusjes aan de buurt. Jake repareerde een lekkende kraan, terwijl Clarence in Dani’s slaapkamer het raam opmat voor een nieuwe ruit.
Om vier uur keek Jake naar buiten. Daar was ze. Janet kwam langzaam, zoekend naar de huisnummers, aanrijden in Jake’s felblauwe Mustang.
‘Tot kijk, Dani. Was leuk om je te ontmoeten,’ zei Jake.
Dani gaf Jake een onverwachte omhelzing. ‘Tot ziens, Jake. Dank je wel voor je hulp.’
‘Kom even mee, dan stel ik je aan Janet voor,’ zei hij tegen haar. De vrouwen stonden even met elkaar te praten, toen kroop Jake achter het stuur. Terwijl hij wegreed, draaide hij het raampje omlaag en riep: ‘Dag Antsy.’
Clarence keek hem dreigend aan. ‘Dag Jakey.’
Terwijl ze terug naar binnen liepen zei Dani: ‘Je kunt de stad niet zomaar opgeven, grote broer. Je kunt me hier wel weghalen, maar wie gaat de Hills van Jack Street weghalen? En de Deveny’s die op Brumbelow wonen? En meneer Wesley en zijn kinderen op Moffat Street? En de oude Hattie Burns hier tegenover? We hebben mensen als jij nodig, Clarence.’
‘Ik hoorde al van Geneva dat je het er met haar over hebt gehad. Je kunt van alles proberen zusje, maar mij krijg je niet zover. Mijn droom is niet veranderd. Ik wil een huis op het platteland, zelfs nog verder weg van de stad dan waar we nu gaan wonen – maar het is in elk geval een begin. Mooie velden, bomen, bloemen, paarden en rust en veiligheid voor mijn kinderen. Dat wil ik. En dat wil ik ook voor jou, zusje. Dat is toch niet zo’n slechte droom?’ ‘Jij en je dromen, Antsy,’ zuchtte Dani. ‘Je zou op z’n minst een keer naar onze kerk kunnen komen en je voor het jongerenwerk opgeven. Dat is wel het minste wat je kunt doen.’
‘De kerk is ver rijden.’
‘En als ik nou een deal met je maak, grote broer? In plaats van zaterdag kom je op zondag naar de kerk en speel je ’s middags met de kinderen. Dan zien we Geneva, Keisha en Jonah ook nog eens. De meisjes zouden het leuk vinden om met ze te spelen. En jij zou je zaterdag helemaal voor jezelf alleen hebben, en je kunt lekker in je nette buurt zitten.’
Clarence deed alsof hij het niet hoorde. Hij draaide zich om, want er was lawaai bij de voordeur. Celeste en Felicia waren er weer, gevolgd door Hattie Burns. De oude vrouw keek Clarence woest aan.
‘Moet je horen, Clarence. Deze meisjes hier zeggen dat je ze verhalen voorleest. En nu willen ze niet eens bij oma Hattie video kijken. Ze willen liever dat jij voorleest. Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt!’
Ze gaf hem een dikke pakkerd. Hattie, die voor iedereen een echte grootmoeder was, deed hem denken aan zijn moeder; zacht, warm, knuffelig, maar met een autoriteit waar zelfs slimme jongens nooit aan durfden te tornen.
‘Ga je weer over Aslan lezen?’ vroeg Felicia met grote ogen.
‘En Lucy en Susan?’ vroeg Celeste.
‘En Peter en Edmund,’ zei Clarence. ‘Vergeet de jongetjes niet! Ja, ik heb het boek meegenomen. Als we klaar zijn hebben we nog zes vervolgboeken! Is dat niet geweldig?’
De meisjes straalden toen hij Het betoverde land achter de kleerkast te voorschijn haalde. Twee jaar geleden was hij begonnen met voorlezen. Toen had Ty ook nog zitten luisteren.
Clarence liep naar de grote slaapkamer die de tweeling met Dani deelde. Intussen renden de meisjes naar de woonkamer om de antieke leunstoel te halen die het dierbaarste bezit van de moeder van Clarence en Dani was geweest. Ze gingen ieder aan één kant van de stoel staan, tilden hem op en droegen de stoel als twee troondraagsters naar oom Antsy.
De bedden van Felicia en Celeste stonden in een hoek van hun moeders kamer. Drie jaar geleden, toen de vader van Clarence nog sterk was, hadden de twee een paneel tussen de bedden in getimmerd, om hen dat knusse gevoel te geven waar kinderen zo van houden. Dani zei altijd dat ze de kamer met de meisjes deelde zodat ze ’s nachts niet bang zouden zijn. Maar Clarence wist dat ze het ook voor zichzelf deed. Dani had hun gezelschap hard nodig.
Trots liet Felicia haar nieuwe lunchtrommeltje met een giraffe met bolle ogen erop zien.
‘Is-ie niet mooi, oom Antsy?’
‘Hij is prachtig, Felicia.’ Hij pakte haar en Celeste op en zwaaide de twee moeiteloos boven zijn hoofd heen en weer.
‘Heb ik jullie al gezegd hoeveel jullie op jullie moeder lijken toen ze klein was?’
Ze giechelden – dat zei hij altijd als hij ze zag. Langzaam liet hij ze vanaf het plafond zakken en zette ze zachtjes op het bed. Oom Antsy was de grootste en sterkste man ter wereld.
Met hem erbij hoefden ze nooit bang te zijn.
De meisjes gingen op het bed van mama zitten. Clarence las hen bijna een uur lang voor, tot het tijd was om te eten. Ze aten varkensbouten, aardappelen en kool, oom Antsy’s lievelingseten. Na de taart van zoete aardappels en koffie stopten Dani en Clarence de kinderen in bed. Broer en zus bleven nog lang zitten praten over vroeger, hun jeugd in Mississippi, de jaren in de achterbuurten van Chicago en het verhuizen naar Oregon. Ze vergaten de tijd. Om tien voor half twaalf belde Geneva op om te vragen of alles wel in orde was. Om kwart voor twaalf gaf hij zijn zusje een nachtzoen en liep hij naar de deur.
‘Antsy... beloof dat je zult bidden over de vraag of je naar deze buurt moet verhuizen, en kom in elk geval naar de kerk. Dan kun je contact houden met de buurt. Ik geloof echt dat het jou ook veel goed zou doen.’
‘Je bent zo hardnekkig als een pitbull, zusje.’ Clarence schudde zijn schouders, liet zijn armen losjes langs zijn lichaam hangen en keek haar aan met een houding alsof de hele wereld van hem was.
‘Yeah right, mama, het zou echt goed voor me zijn. Joints draaien, beetje honkballen, high worden. Dan ga ik oversized kleren kopen, een bandana om m’n kop, lekker noncho erbij lopen, goed idee, hé. Yo, hoe lijkt je dat, zusje?’
Hij trok zijn broek een stukje omlaag, zodat net de bovenste twee centimeter van zijn ondergoed zichtbaar was. Dani sloeg haar hand voor haar mond.
‘Hé yo, nu ben ik ’n echte gangbanger. Waarom de rijkelui uithangen op de tennisbaan als je met je bendekleuren kunt flaneren, showen met je revolver, en lekker knokken met je maatjes?’ ‘Heel grappig.’ Dani probeerde niet te lachen, maar ze proestte het uit. ‘Kom op, Antsy. Er is hier meer dan bendes en drugs, dat weet je ook wel. Beloof alsjeblieft dat je erover nadenkt.’ Met haar grote, bruine ogen keek ze hem smekend aan.
‘Oké,’ zei hij, terwijl hij zijn handen omhoog stak, waarbij hij bijna het plafond raakte. ‘Beloofd.’
‘Mooi zo. Je bent een lieve broer.’ Ze gaf hem een zoen op zijn wang en omhelsde hem stevig. Hij had zich altijd graag door haar laten knuffelen.
Clarence stapte in zijn auto en reed door de wijk terug naar huis. De straat glansde van de lichte, nachtelijke nazomerregen waardoor het buiten koel en aangenaam fris was. Eén op de drie straatlantaarns werkte niet. Sommige waren gewoon stuk, andere kapotgeschoten bij wijze van oefen-doelwit voor de bendejongens. Traag kroop de zwarte olie over de natgeregende straten.
Toen hij langs de huizen reed stelde Clarence zich voor hoe de bewoners het dagelijkse ritueel doorliepen van de sloten op ramen en deuren controleren. Als schildpadden die in hun schild kruipen, trokken veel gezinnen uit deze buurten zich kort na donker terug in hun huizen voor de veiligheid. Een aantal tieners hing nog steeds op straat rond, sommigen van hen waren lopend, anderen reden op een goedkope fiets, weer anderen in een auto, hoewel er een paar bestuurders bij waren die nog lang niet oud genoeg waren voor een rijbewijs. Toen hij de Martin Luther King Boulevard opreed zag hij overal initialen in graffiti, de visitekaartjes van de gangs, de jeugdbendes. Het waren net wolven die hun terrein moesten afbakenen. Hij dacht aan Tyrone. Hij moest Dani helpen. Ty moest niet meer met die jonge vandalen rondhangen. Ja. Daar zou hij wel voor zorgen.
Clarence reed langs een politieauto met twee geüniformeerde agenten erin. Hij schrok en wisselde wantrouwige blikken met de mannen.
‘Boem! Boem! Boem!’ Hij kromp ineen. Dat was het gedempte geluid van vuurwerk. Of waren het geweerschoten?
De agenten maakten rechtsomkeert en gingen op het geluid af. Even bedacht Clarence of hij ook om moest keren. Maar waarom? Als hij in deze buurt op ieder geluid reageerde dat ook maar een beetje op geweervuur leek, dan kwam hij nooit thuis. Hij reed een stukje verder en hoorde toen een sirene. Weer een politieauto. Gevolgd door een ambulance op topsnelheid. Kan me niet schelen wat je zegt, zusje. Ik ga je daar weghalen voor het te laat is.
Clarence zette zijn favoriete christelijke radiozender op. Hij hoorde de predikant zeggen: ‘God wil dat zijn kinderen gezond en gelukkig zijn. Herinner Hem aan zijn belofte, en Hij zal zijn engelen sturen om je te beschermen. Hij zal ervoor zorgen dat je een goed leven kunt leiden, en Hij zal je beschermen tegen pijn en verdriet.’
Een half uurtje later draaide Clarence de oprit van zijn huis in. Plotseling trapte hij op de rem. In het licht van de voordeur liep een blauwachtige gestalte koortsachtig heen en weer. Geneva? Het was na middernacht.
Toen hij het gezicht van zijn vrouw zag trok hij de handrem aan nog voordat de auto goed en wel was gestopt. Met een schok stond de auto stil. Hij sprong naar buiten en rende naar de deur.
‘Wat is er? Wat is er gebeurd? Iets met de kinderen?’
‘Oh, liefje,’ snikte Geneva. Ze sloeg haar armen om hem heen en klampte zich aan hem vast. Ze zei iets, maar Clarence kon haar niet verstaan.
‘Rustig, Geneva! Wat is er gebeurd?’
‘Ik werd gebeld. Door Hattie Burns. Dani...’
‘Wat? Wat is er met Dani?’
‘Neergeschoten. Dani is neergeschoten!’

Recensies uit de krant
3-1-1999Ventilator
9-1-1999Vision
23-4-1999Nederlands Dagblad
15-9-1999Stichting Nederlandse bibliotheek dienst
13-10-1999Reformatorisch Dagblad
Recensies van lezers
NaamLeo
Rapportcijfer10
RecensieDit vervolg op Deadline krijgt van mij exact dezelfde beoordeling.
NaamV.Matroos
Rapportcijfer10
RecensieDit boek heb ik twee keer gelezen. Ik vond het nog beter dan Deadline. De auteur heeft zich kunnen verplaatsen in het leven van een zwart persoon in Amerika en is toch in staat gebleken om te benadrukken dat we allemaal mensen zijn, met al onze gebreken, ondanks de kleur van onze huid. Het christendom loopt als een rode draad door het verhaal op een zeer plezierige manier. Het verhaal heeft ook enige overeenkomst met de manier waarop in Nederland tegen zwarte mensen aangekeken wordt. Nogmaals een prachtig en compleet verhaal!
NaamF. Schuring
Rapportcijfer9
RecensieDit vervolg op Deadline vond ik zelfs nog beter. Een zwaar boek hoor ik van diverse bekenden, maar wanneer je doorbijt, een ongelofelijk mooi boek over de essentie van je leven.
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584