Try it out
Lees hoofdstuk 1
Deadline
 
Boek kaft: Deadline

1

De knalgele kaart viel met de tekst naar beneden op de grond. Hij bukte zich om hem op te rapen en draaide hem nieuwsgierig om. Er stond maar één zinnetje op, vier woorden in hoofdletters van het lettertype Pica. Een serveerster, die het tafeltje naast hem schoonveegde, keek toevallig in zijn richting. Ze zag zijn handen beven en zijn ogen groot worden van ontsteltenis en ongeloof en vroeg zich af wat er op die kaart kon staan om zo’n schok te veroorzaken.
Alsof een ijzige hand zich om zijn hand sloot werd hij gedwongen het verwarde trauma van de afgelopen acht dagen met totaal andere ogen te bekijken. Langzaam vormde hij de vier woorden met zijn lippen, alsof ze daardoor minder bedreigend en bizar zouden worden.

Drie paar ogen keken naar de 68 cm beeldbuis. De place-kicker van Kansas City zette zijn linkervoet stevig neer en haalde met zijn rechter uit tegen de bal. De samengebalde energie van zijn ploeggenoten leek de bal die extra vijftien centimeter boven de lat uit te tillen. Van vijftig meter was een veldgoal gescoord, de eerste helft was voorbij. ‘Zo gaat-ie goed!’ Doc en Finney sloegen over Jake’s hoofd heen in een symbolisch overwinningsgebaar de handen in elkaar.
‘Helemaal niet. Doe me een lol, zeg!’ Het vreugdegejoel van zijn kameraden klonk Jake als een extra belediging in de oren. Zijn Seahawks gingen met tien punten achterstand de kleedkamer in.
De drie jeugdvrienden – nu dokter, zakenman en journalist – zaten onderuit gezakt op de bank, Doc aan de ene kant, Finney aan de andere. Zoals gewoonlijk zat Jake Woods tussen hen in, met zijn voeten op een krukje met een kussen erop. Ze droegen alledrie een spijkerbroek, Finney een marineblauw Microsoft Windows sweatshirt, Doc een opvallend kastanjebruin poloshirt en Jake een versleten vaalgrijs sweatshirt met een onleesbaar geworden opdruk.
Deze zondagmiddag begon voor de drie mannen zoals vrijwel elke zondagmiddag in de afgelopen twintig jaar. Geen van hen kon vermoeden dat deze middag totaal anders zou eindigen.
‘Oké mannen,’ kondigde Finney aan, ‘tijd voor een pizza; wie gooit?’ Deze gang van zaken was routine, een automatisme. Ze hadden het van jongs af aan al duizenden keren gedaan, om uit te maken wie er het eerst aan slag was of wie popcorn moest kopen tijdens de wedstrijd. In de volwassen versie gooiden ze in de rust twee, desnoods drie keer kruis of munt. De verliezer moest pizza’s halen en betalen. Aan thuisbezorgen deden ze niet. Terwijl de winnaars met duivels genoegen toekeken en commentaar leverden, reed de verliezer zo snel hij kon heen en weer naar Gino, om maar zo min mogelijk van het derde speelkwartier te missen.
Met zijn vierkante schouders en kaarsrechte rug had Doc het air van een beroepsmilitair, hoewel hij al vijfentwintig jaar niet meer in uniform was geweest. ‘Weet je wat, Finn,’ zei hij, terwijl hij zijn vriend een por in zijn zij gaf, ‘laten we Woody alvast sturen, dan gooien we straks wel.’
Jake Woods, die de toss nu al drie weken achter elkaar verloren had, wierp hem een ‘kop dicht en gooi nou maar’-blik toe. Hij stak zijn forse kaak quasi-beledigd naar voren, alsof hij zeggen wou dat een meermalen bekroond columnist als hij zich zo’n belediging niet hoefde laten welgevallen. Ondanks de meedogenloze reputatie die hij in deze stad genoot, was het moeilijk voor te stellen dat die slonzige Jake in staat was de kwieke, zelfverzekerde Doc te intimideren. Zoals hij daar stond, met zijn vormeloze pantoffels van schapenvacht, zijn haar in de war, zijn borstelige, piekerige wenkbrauwen en een baard van twee dagen, was Jake in zijn weekendkloffie.
‘Wacht even,’ zei Jake, terwijl hij een kwartje uit zijn zak haalde. ‘Deze keer gooi ik. Volgens mij spelen jullie vals. Laten we maar eens kijken hoe jullie het er bij een eerlijke worp vanaf brengen. Goed, deze is voor jullie tweeën – ik neem het op tegen de verliezer. Kruis of munt, Finn?’
Finney’s gezicht vertrok in geveinsde spanning, alsof hem gevraagd was een vrije trap van vijftig meter te nemen. ‘Ik bezwijk haast onder de spanning.’
‘Kop dicht en zeg wat,’ zei Doc. ‘Ik heb honger. Je hebt straks wel tijd om ervoor te bidden.’ Toen het kwartje zijn hoogste punt bereikt had, riep Finney: ‘Munt.’ Het landde op de salontafel, die er vanaf een afstandje vlak en glanzend uitzag, maar van dichtbij talloze putjes vertoonde van het jarenlange kruis of munt gooien in de rust. Het kwartje kwam op zijn zijkant terecht en bleef schijnbaar eindeloos rondjes draaien.
‘Krijg nou wat!’ mompelde Doc, terwijl hij naar de salontafel staarde. Het kwartje was opgehouden met rollen, maar viel niet om. Onzeker balancerend bleef het precies op zijn kant staan. Het was geen kruis en geen munt.
‘Hoe groot is de kans dat zoiets gebeurt?’
‘Meisjes, kom eens kijken!’
De ‘meisjes’, stuk voor stuk achter in de veertig, waren dikke vriendinnen. Dat kon ook haast niet anders. Als vrouwen van de drie musketiers – of de drie grote lummels, zoals zij ze soms noemden – waren de meisjes veroordeeld om veel met elkaar op te trekken. Dat konden ze dan maar beter leuk vinden en dat deden ze dus ook. Janet was niet meer zo vaak van de partij sinds ze drie jaar geleden van Jake gescheiden was. Maar ze waren als goede vrienden uit elkaar gegaan – een prettige, moderne scheiding – en Sue en Betsy haalden Janet vaak over om hen op zondagmiddag gezelschap te houden.
Sue, de vrouw van Finney, kwam het eerst de woonkamer binnen, op de voet gevolgd door Janet en Betsy. ‘O, hebben we het tossen gemist? Wat jammer nou – het is altijd zo spannend.’ En toen ze de blik op Jake’s gezicht zag, voegde ze eraan toe: ‘Weer verloren, Jake? Ik hoop voor jou dat de Tribune je goed betaalt. We stellen het zeer op prijs dat je zo goed voor ons zorgt.’ ‘Ik heb niet verloren. Niemand heeft verloren. Kijk maar.’
Sue volgde Jake’s blik naar het kwartje op de salontafel. ‘Nee, maar. Adem inhouden, anders valt het.’
‘En wat doen jullie nu, jongens? Opnieuw gooien?’
‘Nee,’ antwoordde Doc. ‘Laten we het maar zo houden. Niemand heeft gewonnen, niemand heeft verloren.’ Hij keek naar Jake en Finney. ‘We gaan gewoon samen.’
‘Samen.’ Dat klonk vertrouwd. Veertig jaar geleden hadden ze samen soldaatje gespeeld, op leeuwen gejaagd, schatten opgegraven en buitenaardse wezens ontdekt in de velden, heuvels en bossen van Benton County. Samen hadden ze hun moeders kwaad gemaakt, hun broers lastig gevallen, hun zusjes geplaagd, hun leraren en rectors het leven zuur gemaakt, hoewel lang niet zo erg als ze het zich herinnerden. Samen hadden ze zich opgedoft en vervolgens de beest uitgehangen op Kathy Bates’ afscheidsfeestje van de lagere school en later op die avond met trillende knietjes gestaan toen de politie kwam. Op de middelbare school wonnen ze alledrie medailles bij drie sporten, streden zij aan zij in de footballwedstrijden voor het Staatskampioenschap en namen ze hun meisje mee naar het eindexamenbal. Ze gingen naar de universiteit, meldden zich aan als vrijwilliger voor de oorlog en studeerden tegelijkertijd af. Ze gingen het leger in, vertrokken elk naar een ander werelddeel en werden drie maanden na elkaar als nieuwbakken luitenants naar Vietnam gestuurd. In de kwarteeuw na het verstrijken van de oorlog waren ze getuige geweest bij elkaars huwelijk en hadden ze elkaars kinderen samen zien opgroeien. En samen hadden ze ontelbare jachttochtjes gemaakt, van het soort waarbij het vreselijk koud was en je dicht tegen elkaar aankroop bij het vuur, de rook in je ogen prikte en door je jas en je houthakkershemd drong en je nooit iets raakte behalve een leeg blikje en je verhalen vertelde, die je al honderden keren verteld had en je harder lachte dan je ooit gedaan had. Dit was gewoon de zondagse pizza, maar ‘samen’ klonk goed.
‘Ik rij wel,’ zei Doc. Finney salueerde goedgehumeurd. Jake schopte zijn pantoffels, die hij elke zondag meenam naar Finney’s huis, uit en stapte in zijn Nikes, zonder de moeite te nemen de veters vast te maken. Alledrie grepen ze hun jas.
‘We hebben nog twintig minuten voor het derde speelkwartier begint.’ Doc was al halverwege de deur toen hij zich omdraaide. ‘Heb je al gebeld, Betsy?’
‘Heb ik ooit mijn huiswerk niet goed gedaan, Doc? Natuurlijk heb ik gebeld. Eén reuze Hoela Hoep en één Instant Hartinfarct-met-krokante-bodem.’ Dat was de bijnaam, die de meisjes bedacht hadden voor de specialiteit van het huis, propvol cholesterol, waar de bloedvaten van hun eens-zo-atletisch-gebouwde echtgenoten geen behoefte aan hadden, maar tijdens het footballseizoen om smeekten.
‘En jongens, gooi niet met de ...’ Door de harde knal tuimelde een foto van de schoorsteenmantel. ‘Deur,’ voegde Sue er zwakjes aan toe, terwijl Janet en Betsy giechelden. Niemand merkte dat het kwartje viel.
‘Als olifanten in een porseleinkast,’ zei Sue, meer liefkozend dan geërgerd.
‘Ja, en er is geen porselein meer over,’ voegde Betsy eraan toe. ‘Tenminste niet bij mij thuis. Maar de olifant stormt er nog steeds op los!’ Ze keken elkaar aan met een blik van wat-doe-je-er-aan en schoten in de lach.
Intussen liepen de drie olifanten op een holletje naar de auto. Jake keek omhoog naar de wervelende grijze lucht van Oregon. Het was alsof iemand er met een vuile gum hard overheen gewreven had. Het regende nog niet, maar de lucht voelde zwaar aan en voor iemand die hier geboren en getogen was, wees zelfs de geur en de smaak van de lucht op de dreiging van langdurige zware regenval. Er is storm op komst, dat stond voor Jake vast.
‘We komen zo, Jake.’ Doc en Finney waren met iets bezig bij Finney’s auto, terwijl Jake bij die van Doc stond te wachten. Het kon hem niet schelen. Hij ademde die lucht, die pure frisse lucht van Oregon in. Een mooiere plek bestond er niet. Jake was samen met Doc en Finney opgegroeid in een stadje in deze zelfde Willamette Vallei, ongeveer honderdvijftig kilometer ten zuiden van het plaatsje waar ze nu woonden. Iedereen die opgegroeid is in het noordwesten van de Pacific, wil daar op den duur weer naar terug. Na zijn studie en zijn diensttijd had Jake’s innerlijke besturingssysteem hem, evenals zijn vrienden, teruggeleid. Hij hield van de ruige bergen veertig minuten oostwaarts en de hoekige kustlijn van Oregon negentig minuten westwaarts van hen. Hij hield van de eindeloze, torenhoge Douglas-sparren, die zo dik waren, dat je je alleen op de wereld waande als je je auto langs de kant van de weg zette en een paar honderd meter het bos inliep en je longen vulde met het aroma, dat die auto-luchtverfrissers vergeefs probeerden te imiteren. Hij hield van het groen, dat overal opschoot en de wisseling van de seizoenen, elk met zijn eigen schoonheid, die met grondige precisie elk jaar hun cyclus afdraaiden. Maar waar hij het meest van hield, was dat in deze uitgestrekte staat veel minder mensen woonden dan in één enkele stad in het oosten, midden-westen, zuiden of aan de Californische kust. In Oregon kwam je op sommige wegen soms meer herten dan auto’s tegen. Oregon was een paradijs voor de buitenmens, de jager, de visser, de watersporter, de trekker, de wandelaar, de liefhebber van ongerepte natuur. Jake had van alles wat. Maar er was nog iets wat hem aantrok op deze plek, in ieder geval hier in deze noordelijk Willamette Vallei, waar hij altijd gewoond had. Hij hield van de onafhankelijke geest, het ruige individualisme, de vrijdenkersmentaliteit van mensen, die geen slaaf waren van traditie of conventie. Mensen die er niet van hielden van anderen te horen wat goed of kwaad was, die zelf beslisten wat ze wel en niet moesten doen. Als vooruitstrevende staat was Oregon de thuisbasis geworden voor betogers tegen kernenergie, dierenmishandeling, milieuverontreiniging en discriminatie van homoseksuelen; betogers voor legalisering van marihuana en euthanasie en verder representanten van elke denkbare uitdaging van de status-quo. Waarom dat zo was wist Jake eigenlijk niet. Misschien hadden ze dat individualisme en die autonomie wel meegekregen in hun genen, geërfd van hun voorvaderen, die als pioniers naar Oregon getrokken waren, telkens opnieuw de gevestigde orde van de Amerikaanse beschaving achter zich gelaten hadden en net zo lang naar het westen bleven trekken tot het land ophield bij de Pacific, ver van de politieke machthebbers in het oosten of de conservatieven in het middenwesten of de zuidelijke puriteinen, zodat ze hun eigen leven konden leiden zoals ze dat zelf wilden. Het aantal mensen dat naar de kerk ging was hier het laagste van het hele land. De mensen hadden in het weekend wel wat beters te doen dan zich vervelen in oude, bedompte gebouwen en zich schuldig voelen. Oregon was een vrije staat, een geweldige plek om te wonen, de omgeving waar Jake van hield.
Hij was in alle hoeken van zijn land geweest en in tientallen andere landen, maar hij zou nergens liever willen wonen dan op dit plekje.
Als er iets was dat Jake een gevoel van vrijheid en voldoening gaf, was het wel de zondagmiddag, die hij samen met zijn vrienden doorbracht. Maar vandaag werd hij gekweld door een vage ongerustheid. Het kwartje en de wolken en zijn leeftijd leken tegen hem samen te spannen en maakten hem onzeker en angstig.
‘Oké, laten we gaan. We staan onze tijd te verspillen!’ Doc nam weer de leiding en ze schoven achter elkaar in zijn cerise Chevrolet Suburban met vierwielaandrijving en een krachtige 454 motor. Doc sprong op de bestuurdersplaats, Jake schoof door naar het midden en Finney perste zich tegen Jake aan om de deur dicht te kunnen doen. Ze zaten als sardientjes in een blik, maar het kwam bij geen van hen op om achterin te gaan zitten. Het was maar een ritje van tien minuten, zeven minuten voor Doc, en de helft ervan ging over de snelweg.
Jake verwonderde zich altijd over Doc's auto’s. Hij vond ze altijd meer op zijn plaats in een showroom. Deze was anderhalf jaar oud, maar angstvallig schoon, met glimmende ramen. De geur van de dure grijze bekleding was nog altijd tastbaar aanwezig. Hoe krijgt Doc het toch voor elkaar om dit ding te laten ruiken alsof hij hem gisteren kocht?
‘Een mannenwagen,’ begon Doc onmiddellijk, nog voor hij hem in zijn eerste versnelling gezet had. ‘Drie mannen, waaronder één echte kerel, schouder aan schouder op de voorbank. Hoe vond je het om erin te rijden deze week, Finn? Hierin voel je je tenminste een kerel, waar of niet?’ Doc keek naar Finney, die de Suburban twee dagen geleden geleend had om wat kantoorspullen te verhuizen. ‘Niet zo’n knullig autootje waar mannen met een laag testosterongehalte in rijden.’
Toen hij zijn auto de weg opdraaide, verscheen er een bezorgde blik op Doc's gezicht vanwege een vage trilling, die alleen hij scheen te merken. Jake schudde verwonderd zijn hoofd. Hij gaat nog eerder met zijn auto naar de garage dan sommige moeders met hun kind naar de dokter gaan.
Finney merkte Doc's bezorgdheid ook op en wisselde een blik van verstandhouding met Jake. ‘Hé, hij deed het perfect toen ik hem had, hoor! Ik moest natuurlijk wel bij ieder stoplicht tanken. Dat knullige autootje van mij zou helemaal naar Tokio kunnen rijden op de hoeveelheid benzine, die dat monster van jou nodig heeft om Gino te bereiken.’
‘Dat zal best, maar het is en blijft een knullig ding. Je bent wat je rijdt. En jij bent altijd al een doetje geweest, Finney.’
‘Doc, ouwe jongen,’ begon Finney met een zucht, alsof hij gedwongen werd ouwe koeien uit de sloot te halen. Doc wist precies wat er ging komen, maar dwong zichzelf om te kijken alsof hij dat niet wist.
Finney leunde voorover en zei tegen Doc: ‘Herinner jij je de worstelkampioenschappen op de slaapzaal nog? Je haalde zelfs de finale. Je was redelijk in vorm toen.’ Doc trok zijn buik in en boog zijn armen om het stuur om te bewijzen dat hij dat nog steeds was.
Finney hervatte het overbekende verhaal. ‘Maar iemand versloeg je, Doc, hij liet geen spaan van je heel. En ondanks de hersenbeschadiging, die je die dag opliep – ik weet niet eens of je nog wel een onbeschadigd plekje overhebt – durf ik erom te wedden dat je je misschien, als je heel hard nadenkt, nog wel kan herinneren wie die iemand was.’
Doc deed één oog dicht en kneep het andere samen, alsof hij het zich probeerde te herinneren. ‘En als die iemand een doetje is, Mister Macho Hoofdchirurg, wil je dan eens uitleggen wat jij bent?’
‘Ja, zeg, ik had een verdraaide schouder en er zat een stuk kraakbeen los in m’n knie.’ Doc begon eens flink te rommelen in zijn voorraadje favoriete excuses, dat met de jaren steeds groter geworden was. ‘En ik had net griep gehad.’
‘Ja, nou je ’t zegt – en je had die middag net bloed gegeven,’ voegde Finney eraan toe. ‘Nee, dat was ’s morgens. ’s Middags had ik een harttransplantatie ondergaan.’ Ze begonnen hartelijk te lachen, zoals je alleen met je allerbeste vrienden lacht. Op hetzelfde ogenblik realiseerden ze zich dat Jake niet meelachte. Met een frons op zijn gezicht staarde hij ongekend verstoord in de verte.
‘Jake,’ zei Finney. ‘Wat ben je stil. Ik weet dat je je bij Doc dood kan vervelen, maar dat is niks nieuws. Is er wat?’
Jake, die met zijn rechterwijsvinger doelloos langs z’n grijzende slapen streek, keerde langzaam van de innerlijke wereld terug naar de buitenwereld. ‘Dat met dat kwartje, hè, was dat niet een beetje ... luguber?’
Doc vertrok zijn gezicht tot zijn bekende ‘die-is-niet-goed-snik’-blik. ‘Ben je daar nou nog steeds mee bezig? Wat is daar nou zo bijzonder aan?’
Jake, die normaal gesproken altijd alles onder controle had en niet zo gauw van z’n stuk was te brengen, had moeite zijn antwoord onder woorden te brengen. ‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij eindelijk. ‘Op de een of andere manier lijkt het wel alsof het iets te betekenen heeft.’
Doc wierp hem een vreemde blik toe en neuriede de melodie van The Twilight Zone.
‘Je gaat toch geen spoken zien, hè ouwe jongen. Dingen hebben niet iets te betekenen. Ze betekenen niks. Nop. Ze gebeuren gewoon. Tenzij je net zo gaat denken als Finney en dat zou kunnen, als je ooit de ziekte van Alzheimer krijgt. Eén excentriekeling is genoeg voor dit driemanschap. Wat jij, Finn?’
Finney wist hoe hij Doc's rake opmerkingen moest opvangen en pareren. Maar nu was zijn aandacht bij Jake, die meer nodig leek te hebben dan een luchthartige dooddoener. ‘Tja, ik weet niet of dat kwartje een betekenis heeft. Maar het leven wel. Dingen hebben een betekenis en een doel. Misschien zelfs het tossen met een kwartje. Wie weet?’
‘Natuurlijk Finney, je hebt gelijk.’ Doc rolde zijn ogen zover achterover dat Jake alleen nog het wit ervan zag. ‘Maar ik ben nog altijd van mening dat de betekenis van het leven niet opweegt tegen een koud biertje bij je pizza. Wat jij, Woody?’ Hij gaf Jake een pets op zijn dijbeen en draaide plotseling met gierende banden de oprit naar de 7-Eleven op.
Toen Doc naar buiten sprong, greep Jake de gelegenheid aan. ‘Het is gek, Finney. Waarom zit dat kwartje me dwars? Het lijkt wel een teken of zo.’
‘Misschien is het wel een teken, Jake. Ik weet het niet. Misschien probeert Iemand je wel weer te bereiken.’
Jake zuchtte en vroeg Finney, alsof hij het vanaf een script voorlas: ‘Is dit het gedeelte waarin je me vertelt dat ik maar één keer leef en dat vandaag de laatste dag van mijn aardse leven kan zijn en dat ik me zou moeten voorbereiden op de eeuwigheid of anders op een dag voor God zal komen te staan met de wens dat ik het anders aangepakt zou hebben?’
Finney’s gezicht brak open in zijn karakteristieke grijns van oor tot oor, die zijn toch al te jonge gezicht nog eens vijftien jaar jonger deed lijken. ‘Mooi gezegd. Zo te horen hoef ik het niet meer te zeggen. De vraag is alleen wat er voor nodig is om jou te overtuigen dat het waar is? Wat jij zei is midden in de roos. Het leven is kort. En je hebt niet eeuwig de tijd om te beslissen waar je voor leeft. Dat heeft niemand.’
‘Ik zal je één ding zeggen, Finn.’ Jake aarzelde tussen irritatie en bewondering. ‘Je bent zo betrouwbaar als de Big Ben en de regen in Oregon. Je zingt altijd hetzelfde wijsje.’
‘Het is het wijsje waarvan ik ben gaan houden,’ zei Finney ernstig, met zijn trouwhartige blauwe ogen gericht op de cynische, maar onzekere chocoladebruine ogen van Jake. ‘Ik verheug me alleen op de dag dat ik dat wijsje ook in een van jouw columns hoor.’
‘Dan kan je lang wachten,’ antwoordde Jake vinnig. ‘Ik sta niet met de bijbel te zwaaien, ik werk voor de Tribune.’
‘Kan dat niet samengaan? Ik lees de bijbel en de Tribune elke dag.’ Finney grijnsde. ‘Ik denk dat ik gewoon van alle kanten op de hoogte wil blijven.’
Jake vertrok geen spier. Finney maakte er geen geheim van dat hij Jake’s krant bevooroordeeld en onsportief vond, vooral op het gebied van religie en moraliteit. Zijn vriend, bedacht Jake opnieuw, snapte gewoon niet welke functie de krant had, dat het geen voor- of tegenstander was. Een krant vertelde gewoon de waarheid, of zij daarbij nou op iemands tenen trapte of niet. Finney zou het wel nooit begrijpen, of misschien alleen als de hel bevroor, wat volgens Finney’s theologie toch nooit zou gebeuren.
Plotseling ging de deur aan de bestuurderskant open en dreunde Doc's bulderstem: ‘Oké, zes blikjes Coors voor mij, drie Buds voor Jake en een Shirley Temple voor de Prediker.’ Hij overhandigde Finney een blikje 7-Up Light. Hij hield een blikje Coors omhoog en kondigde aan: ‘Dit mag me dan misschien naar de hel sturen, het spoelt in ieder geval de pizza lekker weg!’ ‘Kom nou, Doc,’ antwoordde Finney. ‘Je weet best dat ik daar nooit moeilijk over gedaan heb. Waar je de eeuwigheid doorbrengt hangt niet af van wat je drinkt. Het hangt af van wie je kent.’
‘Zeker, zeker,’ zei Doc. ‘Nou, ik ken een vrouwtje achter de toonbank bij Gino... en die zou ik met alle liefde op de bijbelse manier willen leren kennen, als je begrijpt wat ik bedoel.’ Jake snapte het en glimlachte. Finney snapte het ook en glimlachte niet. Zo zeker als het voor hem uitgespeld was, wist Jake wat zijn beide vrienden nu dachten. Doc liet zich door zijn huwelijk met Betsy niet weerhouden van allerlei seksuele vrijheden. Dat gegeven was de bron van eindeloze conflicten tussen de vrienden. Of liever gezegd, corrigeerde Jake zichzelf, het was Finney die het conflict veroorzaakte, omdat hij zo intolerant was en weigerde zich met zijn eigen zaken te bemoeien en zijn mond te houden als Doc's ogen afdwaalden naar weiden waar het gras groener leek.
De resterende drie minuten van de rit leken bestemd voor woordeloze ontevredenheid. Jake’s gedachten gingen terug naar een voorval het jaar daarvoor, toen de drie amigo’s een dagje op eendenjacht gingen. Doc flirtte met een vrouw bij een truckersrestaurant. Net toen ze haar telefoonnummer voor hem wilde opschrijven, zei Finney: ‘Je hebt een trouwring om, Doc.’
Plotseling bedekte de vrouw beschaamd haar eigen trouwring. In een flits was ze met haar telefoonnummer verdwenen. Een diep verontwaardigde Doc overlaadde Finney met alle lelijke woorden, die hij uit zijn aanzienlijke repertoire te voorschijn kon halen. Finney was haast net zo kwaad als Doc. Jake kon zich niet meer alles herinneren, maar hij vergat nooit dat Finney tegen Doc zei: ‘Stop nou eens met dat bewijzen dat je een man bent en word eindelijk eens een vent!’ Jake had alle zeilen bij moeten zetten en zelfs lichamelijk tussenbeide moeten komen om een herhaling van de worstelkampioenschappen te voorkomen. Soms rilde hij nog bij de gedachte: Wat zou er gebeurd zijn als Doc zijn jachtgeweer in zijn hand had gehad, en niet in de auto?
Later, toen ze rond het kampvuur zaten, had Finney zijn excuses aangeboden over het feit dat hij zo kwaad geworden was. Maar, zo voegde hij er meteen op zijn typische Finney-manier aan toe, hij had er geen spijt van dat hij Doc herinnerd had aan zijn belofte om zijn vrouw trouw te blijven. En opnieuw bleven Finney’s woorden Jake bij – ‘Ik stond naast je toen je je ja-woord gaf, Doc. Vrienden helpen elkaar om je beloften te houden. Ze kijken niet even de andere kant op als je aanstalten maakt ze te breken.’
Die woorden lieten Jake nog steeds niet los, misschien omdat hij Doc's tweede getuige was bij zijn huwelijk en hij in dat truckersrestaurant niets gezegd had om Doc tegen te houden en evenmin bij tientallen soortgelijke gelegenheden. Betekent dat dat jij denkt dat je een betere vriend voor Doc bent dan ik? Wie heeft jou tot rechter van het heelal aangesteld? Waar haal je het recht vandaan om Doc te vertellen wat hij zou moeten doen? Het maakte Jake nog steeds razend, maar hij wist dat er ook nog een andere kant aan het verhaal zat. Waar haalde Doc het recht vandaan om zijn vrouw te bedriegen? Ja, en waar haalde ik het recht vandaan om Janet te bedriegen? Die vragen stonden niet los van elkaar. Het kwam allemaal een beetje te dicht bij huis. Het had een schaduw geworpen over de rest van hun jachttochtje en voor het eerst van zijn leven verlangde Jake naar het moment dat hij weer alleen was. En zelfs op dit moment, nu door de sfeer in de Suburban de herinneringen kwamen bovendrijven, kromp Jake letterlijk ineen. Hij hoopte vurig dat deze maar al te bekende spanning vandaag niet opnieuw zou culmineren in een uitbarsting.
De Suburban draaide het parkeerterrein bij Gino op. Toen de wagen met gierende remmen bij de afhaalbalie tot stilstand kwam, beende Doc naar buiten als een man op een missie. Finney en Jake liepen rustig achter hem aan, beiden beducht voor de komende ogenblikken. ‘Hé, moppie, ik hoopte al dat je er zou zijn.’
Doc richtte zijn suikerzoete stem op de slanke achttienjarige met de reebruine ogen in de smaragdgroene jurk. Als een oude bekende leunde hij over de toonbank en legde zijn hand op haar arm. Zij trok hem niet terug, duidelijk ingenomen met de knappe, goedgebouwde chef van de afdeling Chirurgie van het Lifeline Medical Center.
‘Wat zit je haar vandaag geweldig, Sheila.’ Doc keek naar haar naambutton, maar zei ‘Sheila’ alsof hij haar naam nog wist. Ze glimlachte verlegen en genoot van zijn aandacht. Doc bespeelde haar als een viool en genoot van ieder moment. Jake hield zich op de achtergrond, vurig hopend dat Doc zou ophouden of dat Finney zijn mond zou houden.
Plotseling stapte Finney op Doc af en gaf hem een klap op zijn schouder, daarmee de intieme luchtbel van het onderonsje tussen Doc en het meisje doorprikkend. Daar gaan we weer, dacht Jake en zette zich schrap.
‘Ze lijkt op Molly, vind je ook niet Doc?’ Zich tot het verwarde en plotseling met zichzelf verlegen meisje richtend, legde Finney uit: ‘Molly is zijn dochter – ze is ongeveer even oud als jij. Ja, Doc en zijn vrouw Betsy hebben twee heerlijke kinderen. Doc en ik en Jake hier hebben allemaal in Vietnam gevochten. Daar zul je wel van gehoord hebben op school – toen was jij nog niet eens geboren. Je kunt het je nauwelijks voorstellen, maar we moeten ongeveer net zo oud zijn als je vader. Misschien zelfs ouder.’
‘Ja?’ mompelde het meisje, meer tegen de toonbank dan tegen Finney. ‘Dat zal wel.’ De betovering was verbroken.
‘Dat is dan $ 28,50.’
Met een zwaai gooide Doc zijn VISA-card op de toonbank, waarbij hij Finney en Jake met hun portemonnees wegwuifde. Niemand zei een woord totdat ze de pizza’s aangepakt hadden en de deur uitliepen.
‘We moeten ongeveer net zo oud zijn als je vader,’ bouwde Doc sarcastisch, toen ze de parkeerplaats opliepen, waar de regen nu op neerkletterde. Jake lachte, gedeeltelijk van opluchting. Als Doc er grapjes over kon maken, zou het allemaal wel loslopen. Terwijl hij naar de auto rende, met zijn armen gekruist in een vergeefse poging zijn sweatshirt droog te houden, dacht Jake: Misschien hebben we vooralsnog een tweede eendenjachtramp voorkomen.
Nadat ze in de Suburban gesprongen waren, duwde Doc het sleuteltje in het contactslot, maar draaide het niet om. De spanning steeg tussen de drie mannen, die schouder aan schouder recht voor zich uit zaten te kijken, alsof de vuilnisbakken op de parkeerplaats net zo interessant waren als een zonsondergang in de Grand Canyon. Jake staarde naar de waterdruppels op de voorruit en keek toe hoe ze zich aaneenregen tot kleine watervalletjes. De doordringende geur van natte kleren drong Jake’s neusgaten binnen. Na een seconde of tien, die eindeloos leken te duren, boog Doc zich abrupt over naar Finney, waarbij hij Jake een riant uitzicht gaf op zijn rechteroor. Met zijn zware, van sarcasme druipende bariton vroeg Doc: ‘Wat moest ik zonder jou beginnen, dominee Finney, Moeder Teresa van mijn leven? Duizend maal dank, dat je mijn geweten bent.’
‘Het is een zware baan, maar iemand moet het toch doen.’ Na enkele ogenblikken voegde Finney er aan toe: ‘Je zou het zelf eens moeten proberen. Je zou er heel wat problemen mee kunnen vermijden.’
‘Ik wil geen problemen vermijden. Wat jij problemen noemt, noem ik leven. Wat jij leven noemt, ...’ Doc grinnikte, ‘dat mag je van me houden!’
‘Ik heb door het maken van verkeerde keuzen genoeg problemen gehad. Meer dan genoeg om ze te vermijden als dat mogelijk is.’
‘Nou,’ Doc klonk duidelijk niet overtuigd, ‘wat zou je ervan vinden als jij voortaan op je eigen leven let en ik op het mijne? Lijkt je dat wat?’
‘En wat zou jij ervan denken als ik voortaan op Sue en mijn kinderen let en jij op Betsy en de jouwe? Lijkt je dat wat?’
Ze gaven elkaar geen duimbreed toe. ‘Finney, je bent een hopeloos geval. Ik weet niet waarom we jou en je Stenen Tijdperkmoraal nog verdragen. Je bent een fossiel, je wilt terug naar de puriteinen. Je bent in de verkeerde eeuw geboren. Je hoort thuis in de Middeleeuwen. Niet in het hier en nu. We zijn jouw heilige boontjes-houding zat.’
Jake en Finney hoorden allebei het ‘we’. Doc hengelde naar bijval en keek naar Jake voor een instemmend knikje. Jake draaide zich om en wierp Doc een meelevende blik toen, die Finney niet kon zien, maar onthield zich van een openlijk knikje. Deze keer houd ik me erbuiten.
‘Heb ik je ooit wel eens gezegd hoe onuitstaanbaar jij kunt zijn, Finney? Ja, dus. Soms,’ zei hij op ijzige toon, ‘denk ik wel eens dat je de grootste gek bent die ik ooit ontmoet heb.’
Even plotseling werd zijn toon weer normaal. ‘Maar, het mag sentimenteel klinken, je blijft mijn vriend.’ Na een korte aarzeling voegde hij eraan toe: ‘Maar je moet niet zo blijven drammen, want al heb ik een groot hart, alles heeft zijn grenzen.’
Jake draaide zich ver genoeg om om Finney’s stille knikje van berusting te zien. Vooralsnog waren de twee bommen, waar hij tussenin zat, onschadelijk gemaakt. Hij zag een blik in Finney’s ogen, die hij al eerder gezien had. De confrontatie zat hem dwars en hij had een hekel aan ruzie. Waarom begin je er dan mee? Finney kon zo onverklaarbaar zijn, zo veroordelend en zo ... aanstootgevend. Het irriteerde Jake en frustreerde hem. Natuurlijk, Doc was geen heilige en niet altijd de gemakkelijkste om mee om te gaan, maar hij had zijn hart op de goeie plek zitten en was ontstellend loyaal ten opzichte van zijn beste vrienden. Jake kon zich niets beters wensen. Waarom scheen dat nooit genoeg voor Finney?
Toen Doc eindelijk de motor startte, keerde Jake weer in zichzelf. Het goedmoedige geplaag tussen zijn twee vrienden was zo vertrouwd als zijn versleten pantoffels. Voor de oppervlakkige toeschouwer leek het onmogelijk dat deze mannen vrienden van elkaar konden zijn. Normaal gesproken zou deze woordenwisseling het einde van een vriendschap hebben ingeluid. Maar Jake wist wel beter. Zoals altijd vertegenwoordigden deze mannen op dit moment de twee persoonlijkheden in zijn leven. Hun ver uiteenlopende overtuigingen en filosofieën waren als materie en antimaterie – twee tegengestelde wereldbeelden, die onvermijdelijk, explosief vijandig ten opzichte van elkaar waren. Toch waren ze belichaamd in mannen die hun hele leven al met elkaar optrokken. Hoe groot de explosie ook was en hoe ver het hen uit elkaar sloeg, er was altijd wel iets dat hen weer bij elkaar bracht. En altijd zat Jake er precies tussenin. Jake beschouwde zichzelf als een draaglijk compromis tussen veel van hun extreme denkbeelden. Maar als hij eerlijk was moest hij toegeven dat zijn eigen overtuigingen, zoals hij nog geen twee weken geleden aan zijn krant had toevertrouwd, ‘een vormeloze brij’ waren. Ze waren een welhaast willekeurige combinatie van de denkbeelden van professoren aan de universiteit, collega’s in de media en zijn eigen interpretaties van ervaringen die hij in zijn leven had opgedaan. Ondanks zijn reputatie als een no-nonsense, rechtdoorzee journalist, was Jake een stukje ijzervijlsel, heen en weer getrokken tussen die twee sterke magneten, die hij zijn vrienden noemde. Hij herkende zichzelf het meest in Doc's overtuigingen, manier van doen en eigengereide levensstijl. Maar aan de andere kant voelde hij zich meer aangetrokken tot Finney’s karakter en de manier waarop hij met zijn gezin omging. Hij bewonderde Doc's kracht en Finney’s innerlijke vrede.
Wat hij tegen niemand anders vertelde, gaf Jake toe in zijn krant. Ik voel me net een morele kameleon; in de kroeg voel ik me één met Doc, maar ook één met Finney, als ik met zijn gezin aan tafel zit. Ik voel me met beiden op m’n gemak, maar als het er op aankomt met geen van beiden echt.
Doc en Finney straalden allebei een volkomen vertrouwen uit in hun eigen overtuigingen. Beiden handelden hartstochtelijk en consequent naar die overtuigingen. Doc de overtuigde atheïst en humanist, Finney de toegewijde christen. Doc de relativist, Finney de absolutist. Doc vertrouwend op zichzelf, Finney vertrouwend op een Verlosser, die hij God noemde. Jake aarzelde tussen die twee werelden, toch meer geneigd naar die van Doc, maar in geen van beide helemaal thuis. Geen van die twee werelden was de zijne.
Sinds zijn vijftigste verjaardag een paar maanden geleden was Jake meer gaan stilstaan bij de grote levensvragen. Maar hij wist niet echt hoe hij de vragen onder woorden moest brengen, laat staan waar hij de antwoorden kon vinden.
Hij had geschreven: Een halve eeuw oud ben ik nu en ik heb geen tijd om na te denken – alleen om gedachten onder woorden te brengen. Ik zucht onder de tirannie van 800 woorden. Dat sloeg op de columns, die elke maandag, woensdag en vrijdag voor twaalven op het bureau van zijn redacteur moesten liggen. Klaar of niet, feiten geverifieerd of niet, door middel van die columns in zijn krant sprak hij drie keer per week tot een half miljoen trouwe lezers en tot nog veel meer in de twee andere bladen waarin zijn columns gepubliceerd werden. Zelf wist Jake Woods echter dat zijn evenwichtige buitenkant een groot contrast vormde met zijn innerlijk, dat een warrige knoeiboel van onzekerheid en verwarring was. Hij voelde zich zo ongeveer als een in de lucht gegooid muntstuk dat maar niet op de kruis- of muntzijde wilde neerkomen. Plotseling bracht een brul van Doc Jake terug in de realiteit. Hij schreeuwde tegen iemand op de snelweg, iemand die Jake door de met bakken tegelijk neervallende regen niet kon zien. ‘Kijk uit waar je rijdt, idioot!’ Doc drukte Jake bijna plat, toen hij de Suburban met een scherpe boog naar rechts draaide. Op hetzelfde moment ging de woede in Doc's stem over in paniek en Jake’s hart stond stil. Plotseling liep alles in zijn hoofd door elkaar.
‘Ik kan niet stoppen! Ik kan niet stoppen!’ hoorde hij Doc brullen.
De Suburban begon aan een wilde rit, als in een soort vrije val, alsof hij zich onafhankelijk verklaarde en de andere weggebruikers zijn wil oplegde. Uit het niets doemden een enorme telefoonpaal en een reclamebord op. De Suburban reed er dwars doorheen, alsof ze van bordkarton waren en vloog toen op een metershoge muur af. Vlak voor de verpletterende slag zag Jake in slow-motion de pizza tegen de voorruit vliegen. De auto stuiterde van de muur terug op de snelweg. Als een dolgeworden aangeschoten wild dier trapte en sloeg de onbestuurbaar geworden Suburban de laatste ogenblikken van zijn leven om zich heen, vastbesloten om alles en iedereen in zijn ondergang mee te slepen.
Ergens tussen het weerklinken van Doc's laatste schreeuw en het koude, misselijkmakende geluid van buigend metaal, toen de auto over de kop begon te slaan, verloor Jake het bewustzijn. Zijn laatste gewaarwording was dat hij ineengeperst werd tussen twee mannen, wier lichamen vooruitschoten tegen hun gordels als wilde hengsten tegen een omheining.
In de onaardse stilte, die op de chaos volgde, zakte zijn ondersteboven hangende lichaam slap opzij, slechts vastgehouden door zijn veiligheidsgordel. Jake’s lichaam hing tussen twee vrienden; zijn ziel tussen twee werelden.

Recensies uit de krant
4-1-1994Band des vredes
3-1-1995Wegwijs
1-5-1995Stichting Nederlandse bibliotheek dienst
9-1-1996JBB
10-1-1996Civitate
25-10-1997Nederlands Dagblad
Recensies van lezers
NaamLeo
Rapportcijfer10
RecensieDeadline was mijn eerste kennismaking met de schrijver. In een spannend verhaal komt de boodschap van God uitstekend over. Ontroerend zijn de beschrijvingen van de Hemel en hij vergat niet om de lezer de verschrikking van de hel te laten zien.
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584