Try it out
Lees hoofdstuk 1
De Toonbank
 
Boek kaft: De Toonbank
Proloog

1988 - De grote stad

De grote stad heeft enorme aantrekkingskracht op vogels van allerlei pluimage. Iedere dag en elke nacht. De binnenstad van Utrecht is de klok rond een wriemelende mierenhoop. Een en al beweging, zonder dat mensen van elkaar weten waar ze vandaan komen of waar ze heen gaan. Overdag winkelend publiek dat kwetterend op koopjes jaagt, ’s nachts lieden die langs de verstilde gevels sluipen om te doen wat het daglicht slecht verdraagt.

Toon heeft zijn shot gehad. Hij zakt achterover, zijn jas valt open. De gure januariwind giert om het hoekje waarin hij is weggekropen. Hij voelt de kou niet. Het duurt niet lang of de verwachte loomheid vervult zijn lijf. Hij geeft zich over aan de tijdelijke schijnrust. Straks zal de wrange werkelijkheid hem weer in het gezicht slaan. Dan zal hij weer op zoek moeten naar geld voor de volgende shot. Altijd weer die gekmakende tredmolen van scoren en gebruiken. Maar nu… even is er genot. Hij leunt achterover tegen een van de betonnen pilaren waar het winkelcentrum op rust. Even niks. De strijd en de wanhoop komen pas als het scoren niet lukt. Soms is hij het vechten zo zat. Dan wil hij eruit stappen. Kappen met de hele klerezooi. Door een waas kijkt hij in de donkere nacht. Hij kan gemist worden.

'Ik weet nog hoe het rook, ik weet nog hoe het was…' De stem van Paul van Vliet klinkt over de verlaten traverse van Hoog Catharijne, het winkelhart van Nederland. Het moment tussen dag en nacht. Iedereen slaapt nog, op enkele vroege vogels na. Hanneke en Douwe hebben de rolluiken van hun winkel net geopend. Zij vullen de vitrines met verse patisserie en chocolaterie. Een zoete verleiding waaraan maar moeilijk weerstand te bieden is.
‘Veilig achterop, ik ben niet alleen. Vader weet de weg, vader weet waarheen. Ik weet nog hoe het rook, ik weet nog hoe het was…’ De nostalgie die doorklinkt in melodie en woorden heeft Douwe te pakken gekregen. Onbewust fluit hij mee. Zijn gedachten gaan met hem op de loop, terwijl hij de verse taartjes uit de gebakskar haalt.
O ja, hij weet nog precies hoe het was… in de winkel van zijn vader in Bolsward en diens vader in Franeker. Beiden in hart en nieren kruidenier. Hoe het rook als hij, in het pakhuis achter de winkel, stiekem een 'vorst van een worst van Lindhorst' warm maakte. Op de gaspit waar zijn moeder ’s maandags de was op kookte. Een bodempje water in een zinken emmer was genoeg. Het water loopt hem weer in de mond. Ligt het nu aan hem of was het leven toen echt simpeler?
Drie generaties Zandstra, altijd aan het werk, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Wat dat betreft is er niets veranderd. Een kleine ondernemer moet het nog steeds zelf doen.
Hoe lang nog, denkt hij. Want de spoeling wordt wel dun de laatste jaren. Food, non-food, het maakt niks uit, de ondernemers hebben de grootste moeite zich zo te onderscheiden dat de klanten blijven komen. Velen zijn opgeslokt door het grootwinkelbedrijf. Omdat ze de prijzenslag nooit kunnen winnen, moeten ze uitzonderlijke kwaliteit bieden om te overleven. Langzaam maken de nostalgische gevoelens plaats voor ergernis. Voor de kleine ondernemers komt niemand op, terwijl de criminaliteit op Hoog Catharijne hand over hand toeneemt. Als de concurrentie hen niet nekt, doen drugsverslaafden en ander onguur volk het wel. Het vreet aan hem, dat politie en gemeente niets ondernemen tegen de toenemende overlast. Voor Douwe en Hanneke geen adviescommissie, geen subsidies, geen uitkering, geen bescherming. Het is een eenzaam gevecht. Hun enige wapens zijn werklust en inventiviteit. Hun medestrijders? Het eigen gezin. Niemand kan gemist worden.

'Hé moe, geef mijn een mergpijpie!'
Douwe schrikt op uit zijn gepeins. Hij ziet zijn vrouw al aan komen lopen met de verse koek op een servet. Hij weet hoezeer Hanneke gesteld is op Toontje. Een verslaafde jongen. Een boef ook, met karbonkels van ogen, vooral als hij stoned is. Juist die ogen doen zijn vrouw een beetje aan een van hun eigen jongens denken.
'Hier jochie,' hoort hij haar zeggen. 'Wat is er gebeurd? Gaat het wel goed met je?' Hij ziet er weer niet uit, merkt Douwe op. Een vers litteken ontsiert zijn gezicht. 'Ik wou inbreken, moe. Ik klom op een dak. Maar toen glee ik uit, hè. Ik rolde over een serre, flikkerde dwars door het glas heen, hè. Nou toen was ik binnen… Maar buiten westen, haha. Ik werd wakker in het ziekenhuis, moe, met allemaal hechtingen in me kop.'
Toontje pakt snel de aangeboden zoetigheid aan en fluistert: ‘Opschrijven moe.'
Weg is hij, opgeslokt door de stad. Hij kent de binnenstad als zijn broekzak. Ook de plekken waar geen weldenkend mens zou komen.
De twee agenten die komen aanslenteren, hebben Toontje wel gezien. Ze vragen aan Douwe: 'Hij heeft niet betaald, hè?'
'Nee, hij poft.'
De agenten kijken hem verbaasd aan: 'Hij poft…?' zeggen ze tegelijk. Douwe wijst naar Hanneke. 'Dat doet ze al jaren en het gaat altijd goed. Ze is er nog nooit een cent aan tekort gekomen.’
Hij windt zich inwendig op. Zo’n haast maken de juten niet om Toontje te pakken. En dan wel hem de les lezen zeker. Hij maakt zich geen illusies: als het erop aankomt, zal hij zichzelf moeten beschermen en dan is Toontje nog wel zijn minste zorg.
Een van de agenten kijkt naar Hanneke en zegt: 'Daar zou ik maar mee oppassen, mevrouw Zandstra. Die jongen is schietgevaarlijk.'
Ze knikt. 'Ik weet het, maar ik mag hem.'
Verbijsterd lopen de agenten verder. 'Ze mag hem,' horen ze de een tegen de ander zeggen. 'Wat zijn sommige ondernemers toch onnozel.'

De Gouden Stad

Dina snelt naar de aangekondigde samenkomst in de troonzaal. Net als altijd is ze ook nu weer onder de indruk. Dit is beslist het prachtigste plekje van de Gouden Stad. De Gouden Stad: een plaats van licht, zonder tijd en gewicht. Onwaarschijnlijke schoonheid waar gelukzaligheid vanzelfsprekend is.

Niet altijd was het hier zo goed. Er was kwaad, ontstaan in een ogenblik. Een anarchie die uitgroeide tot grote hoogte.
De dreiging werd bezworen. De verbijsterende toon was huiveringwekkend en liefdevol tegelijk. Dina herinnert het zich nog levendig.
Het kwaad verbannen.
Verbannen, maar niet uitgeroeid.
Nog niet.

De inwoners van de Gouden Stad brengen met miljoenen tegelijk lof aan de Ontzagwekkende.
‘Heilig, heilig, heilig’ klinkt onafgebroken hun lied.
Sommige van hen, de bewaarders, hebben een aparte taak. Ze worden naar de andere kant gestuurd om te beschermen. Ginds heeft het kwaad nog vrij spel en infecteert het mensen. Daar strooit men elkaar zand in de ogen door te vertellen dat het kwaad slechts een kleur is, noodzakelijk om naast de goedheid het pallet compleet te maken. Zoals licht bestaat bij de gratie van duister. De verleider die eens probeerde de Gouden Stad zwart te maken, heeft de ogen van de mens dichtgesmeerd, zijn oren toegedekt. De mens maakt, door de Ontzagwekkende gekroond met glans en glorie, zijn eigen waarheid en dwaalt steeds verder van zijn oorsprong af.
De verleider zal vechten om iedere ziel. Hij stuurt dagelijks de strijders van de duisternis erop uit om mensen ertoe te brengen het schemergebied te betreden.

Dina kent beide werelden. Die waar schoonheid en goedheid heersen. En die waar barensnood wordt gevoeld. Waar het gevecht voortduurt. Het gevecht tussen goed en kwaad. Het zoeken naar de weg.
Ze kent beide werelden, omdat zij een van de bewaarders is. Haar heldere verschijning blijft, hoewel ze klein van gestalte is, zelden onopgemerkt. Donkere krullen omlijsten haar open gezicht. Het spreekt boekdelen.
Ze is een gids pur sang en heeft heel wat reddingen op haar naam staan. Haar gedrevenheid maakt het haar soms moeilijk zich neer te leggen bij de raadselachtige interventieverboden van de Ontzagwekkende. Geduld is niet haar sterkste kant.
Ze hoort het ruisen van de instrumenten. Ze hoort het zingen. De zuivere harmonie doet een golf van geluk door haar heen slaan. Hier voor de troon worden de beslissingen genomen en de opdrachten uitgedeeld. En haar is een nieuwe taak in het vooruitzicht gesteld!
Ze is nieuwsgierig en tegelijkertijd zenuwachtig. Dit is altijd zo’n mooi moment. Wie zal het zijn? Zal ze direct wat voelen voor de mens? Of zijn het meer mensen deze keer?
Ze buigt, onder de indruk van de overdonderende schoonheid. Het goud, de schittering, de explosie van kleuren, het is alles slechts behang voor het eigenlijke sierraad: de liefde. Terwijl ze zich laaft aan de liefde, beseft ze dat ze die nodig heeft om haar mensen te kunnen beschermen. Als bewaarders samenkomen, is er altijd die ongebreidelde compassie met de mensen. Zoals de Ontwerpers die ook hebben. Alleen daardoor kan de bewaarder een schild zijn tussen mens en duisternis.
Dina kan er zo van genieten als het lukt de mens boven zichzelf uit te laten stijgen. En de mogelijkheden zijn legio, op allerlei gebied. De mens is, naar de maatstaven van de Gouden Stad, vaak zo beperkt in visie en geloof. Dina stelt altijd alles in het werk om hen die haar worden toevertrouwd naar de volmaakte toekomst te brengen. Dat is het doel. Daar is het einde, dat eigenlijk het begin is.

De samenkomst gaat beginnen. Nog even en het moment is daar. Ze huivert even. In haar strijden verwachting en spanning om voorrang. Als haar naam klinkt, gaat zij eerbiedig naar voren. Ze wordt de gids voor een jong paar. Als de Ontzagwekkende haar een doorkijkje gunt, stroomt haar hart direct vol. Haar wens is uitgekomen. Deze jonge mensen staan aan het begin van zelfstandigheid. Heel veel plannen ziet ze en veel daadkracht, vooral bij de man.
Ze voelt van verre de energie die van beiden uitgaat, de wil om iets van het leven te maken. Dat hun werken nog geen zwoegen is, maar streven. Streven om iets te bereiken. Ze ziet de vrouw die zal strijden om nieuw leven geboren te laten worden.
Dankbaar en tot tranen toe geroerd aanvaardt Dina de nieuwe taak.
De opdracht is duidelijk: bescherming en leiding. Maar nergens mag de vrijheid van de eigen wil worden aangetast of teruggedraaid.
De mens heeft de keuze tussen goed en kwaad, een eigen keuze.
Altijd.
Recensies uit de krant
25-7-2012NBD/Biblion
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584