Try it out
Lees hoofdstuk 1
Een gemeente op weg
 
Boek kaft: Een gemeente op weg

1

Geroepen voor mensen
Welgeteld waren we met precies vierentwintig mensen; bovendien behoorden zes van hen tot ons eigen gezin. Onze groep leek eigenlijk nog kleiner dan ze al was, want we zaten in een kerkzaal die voor meer dan tweehonderd mensen bedoeld was. Niettemin heerste er een opgewonden stemming. Het was woensdagavond 8 maart 1969.
Iedere vernieuwing in de kerk begint met mensen; in dit geval met mij, mijn vrouw en ons gezin. Anna en ik zaten op de tweede rij die avond. Onze drie oudste kinderen (van 12, 10 en 8 jaar) hadden zich naast ons genesteld, terwijl Anna onze baby van elf maanden in haar armen hield.
Dr. N.M. Van Cleave, die de supervisie heeft over meer dan honderd Foursquare-gemeenten in zuidelijk Californië, zou ons officieel installeren als de nieuwe voorgangers van de gemeente in Van Nuys. Voor hem en zijn vrouw betekende het een soort thuiskomst, aangezien zij tientallen jaren daarvoor zelf deze gemeente als voorgangers hadden gediend. Mevrouw Van Cleave had ons persoonlijk voorgesteld aan een aantal lieve oudere mensen die bijeen waren gekomen om ons te begroeten, want zij kende de meesten van hen nog uit vroeger jaren.
Wanneer op zo’n bijeenkomst slechts zestien gemeenteleden komen opdagen, lijkt dit teleurstellend, maar zij vonden dat ‘bijna iedereen’ aanwezig was. In feite waren er in deze kleine gemeente nog maar achttien leden overgebleven. Maar wat zij in aantal en in jeugdigheid tekort kwamen, compenseerden zij door warmte en levenservaring. Het waren liefdevolle mensen, die de Heer van harte liefhadden.
Toen ik werd voorgesteld, begaf ik mij niet naar de preekstoel, maar ging vooraan bij de eerste rij staan en glimlachte.
‘Als u het niet erg vindt’, begon ik, ‘wil ik hier graag beneden staan, om u te vertellen wat ik op m’n hart heb’.
Niemand scheen het erg te vinden, en ik denk dat ook niemand op dat moment doorhad waarom ik dit deed; ik had echter een gegronde reden om beneden dat verhoogde podium plaats te nemen. Ik had besloten dat ik vanuit een nieuw begrip van ‘herder-zijn’ zou werken, hoe lang ik deze mensen ook zou dienen, en door op dezelfde hoogte voor hen te staan wilde ik dit zichtbaar maken.
Niemand van ons kon in de verste verte bevroeden wat die paar woorden van mij teweeg zouden gaan brengen. Ik had alleen maar ingestemd met een korte periode, omdat ik mij door God geleid voelde de uitnodiging van dr. Van Cleave aan te nemen om deze steeds kleiner wordende gemeente te hulp te komen. Het was de bedoeling dat ik de diensten in de weekeinden en doordeweeks zou leiden en die uitdaging vond ik wel opwindend. Maar ik dacht niet dat we meer zouden doen dan dat en zeker ook niet langer dan ongeveer een jaar.
Desalniettemin zou God mij in de daarop volgende maanden tot in het diepst van mijn wezen aanraken; ik zou het gemeenteleven leren kennen in dimensies die mij deze avond nog volslagen onbekend waren.
Toch bespeurde ik wel iets van Christus’ verlangen om zijn kerk wereldwijd te vernieuwen en hoe kort mijn betrokkenheid bij deze gemeente waarschijnlijk zou zijn, ik wilde de mogelijkheden beproeven die Gods Woord bood.
Dus vroeg ik dat handjevol dierbare gelovigen om met mij een gedeelte van het Nieuwe Testament te lezen:

‘Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk, die ons ook bekwaam gemaakt heeft om dienaren te zijn van een nieuw verbond, niet der letter, maar des Geestes, want de letter doodt, maar de Geest maakt levend’. (2 Kor 3:5,6)

Deze avond was eigenlijk alleen maar bedoeld om de nieuwe voorganger kort voor te stellen; daarna zouden wij met elkaar naar de gemeenschapsruimte in de kelder gaan om iets te drinken en nader met elkaar kennis te maken. Toch had ik het idee dat ik direct twee dingen heel duidelijk moest maken. Mijn aanstellingstoespraak als voorganger van de Eerste Foursquare-gemeente in Van Nuys duurde daarom maar een paar minuten.
‘Ik heb dit schriftgedeelte gelezen’, zei ik, ‘omdat hieruit een principe naar voren komt dat mijn gedachten en ons leven tezamen zal bepalen zolang de Heer Jezus wil dat ik jullie voorganger ben.’
Ik legde hun vervolgens uit in welk verband deze passage staat en vestigde de aandacht van mijn luisteraars op iets dat ik pas een paar maanden daarvoor zelf ontdekt had: dat deze tekst over het werk van de gelovige gaat. Dat wil zeggen dat iedere gelovige in Jezus Christus wordt beloofd dat hij datgene ontvangt wat hij nodig heeft om te zijn en te worden wat Jezus wil dat hij zal zijn. En Jezus wil dat wij de uitingsvorm van zijn leven zijn, waar wij ons ook bevinden.
Niemand van de aanwezigen scheen bijzonder onder de indruk te zijn en dat had ik eigenlijk ook niet verwacht. Op dat moment waren de realiteit en praktische haalbaarheid van mijn woorden nog niet duidelijk. Uitspraken als: ‘Wij zijn allemaal betrokken bij deze zaak’ en ‘Ik ben afhankelijk van u’ lijken op de geëigende, diplomatieke woorden die elke leider moet uitspreken wanneer hij een nieuw ambt aanvaardt.
Maar dit was niet mijn bedoeling.
‘Ik zie ons als een gemeente die zich volop wil bezighouden met de taak die God voor ons allen heeft’, zei ik. ‘De Heer Jezus Christus staat bij ons centraal. Het Woord van God is ons fundament. Ons streven is dat de Heilige Geest ons zo vervult dat wij het dienende leven van Jezus zichtbaar kunnen maken. En – prijst God – deze tekst verzekert ons ervan, dat Hij ons bekwaam zal maken voor zo’n nieuwtestamentisch leven’.
Ik vervolgde: ‘Dit zal niet een werk zijn waarin de voorganger de spil van alles is, maar een waarin alle gemeenteleden een taak vervullen en daarmee in de naam van Jezus dienstbaar zullen zijn.’
In de eerste weken na die avond, legde ik al onderwijzend en predikend enkele basisbegrippen van een nieuwtestamentische bediening neer. Daarbij legde ik er de nadruk op dat ik samen met de anderen al doende zou leren.
Om de dingen die op dat begin volgden, te kunnen begrijpen, is het nuttig eerst wat achtergrondinformatie te krijgen.
Toen ik dit voorgangerschap aanvaardde, was ik als studentendecaan verbonden aan LIFE Bible College in Los Angeles en gaf ik er ook les. In 1965 had men mij daarvoor gevraagd, na vijf jaar nationaal jeugdleider van de Foursquare-denominatie te zijn geweest.
LIFE was Anna’s en mijn universiteit, waar wij beiden in 1956 afstudeerden en als voorgangersechtpaar begonnen in de staat Indiana. Dat betekende dat wij ook veelvuldig waren betrokken bij het regionale Foursquare-jeugdprogramma.
De dertien jaren daarna waren tot deze avond in 1969 gevuld geweest met verantwoordelijkheden, studies en reizen in voorbereiding voor onze toekomstige taak. Door onze betrokkenheid zowel bij het pastorale als het universiteitswerk, hadden wij houvast gekregen aan het Woord van God, vooral door onze ervaring in bijbelonderricht en prediking.
Naast dit werk hebben de reizen binnen onze eigen denominatie en ook naar andere groeperingen tot gevolg gehad dat wij allerlei stromingen binnen de kerk van harte kunnen liefhebben en accepteren.
Verder werden wij geconfronteerd met het feit dat zo rond 1969 in de gemeente wereldwijd twee stromingen betreffende het werk van de Heilige Geest snel dichter tot elkaar kwamen: de klassieke pinksterbeweging en de geestelijke stroming die wij nu de charismatische beweging noemen.
Zowel Anna als ik zijn grootgebracht in de Foursquare-denominatie, een van de oudere en stabielere verschijningsvormen van de pinksteropwekking, die in het begin van deze eeuw over de aarde ging. Anna werd geboren in North Platte, Nebraska, en is vanaf haar vroege kinderjaren bij de plaatselijke Foursquare-gemeente geweest.
Mijn eigen achtergrond is in dit opzicht gevarieerder geweest, meer een lappendeken, doordat ons gezin in mijn kinder- en tienertijd vaak verhuisde.
Mijn ouders werden wedergeboren toen ik nog maar één jaar oud was. Jack en Dolores Hayford reageerden op de boodschap ‘Wie maar wil, mag komen’, van Watson R. Teaford in de Foursquare-gemeente te Long Beach in Californië. Vanaf dat moment waren mijn ouders vastbesloten hun leven en gezin naar bijbels patroon in te richten en het gevolg hiervan was dat ik een paar weken later werd opgedragen.
Tijdens de daarop volgende jaren zou ik mijn bijbeltraining en geestelijke groei in verschillende denominaties ontvangen, maar alleen maar daar zijn waar het Woord van God gepredikt en Jezus geëerd werd. Mijn ouders zagen daar nauwlettend op toe. Ik ben God veel dank verschuldigd voor de jaren die ik mocht doorbrengen in de Presbyteriaanse kerk, de Quakers, de Methodisten kerk en de Christian and Missionary Alliance (CAMA). Tussen al deze ervaringen door waren er ook perioden dat wij naar een Foursquare-gemeente gingen, wanneer er een in de buurt was.
Met deze combinatie van traditioneel protestantse en pinksterkerk-ervaringen, luisterden wij ook aandachtig naar het ruisen van nieuwe stromen van zegen die de Heilige Geest overal op het volk van God deed neerkomen. Wij hadden begrip voor de vrees en terughoudendheid van vele van onze pinksterbroeders ten opzichte van de charismatische beweging, een vrees die zij gemeen hadden met leiders van denominaties die zelfs nog ouder waren.
Er waren tijden dat wij moesten toegeven dat die vrees inderdaad gerechtvaardigd was. Sommige charismatici vertoonden een beangstigende lichtgelovigheid en een hang naar sensatie. Het was verontrustend te zien hoe mensen ten prooi vielen aan dezelfde excessen en overdreven uitingen die tijdens vroegere opwekkingen de zegen van God belachelijk maakten.
Daarom zag ik dit nieuwe voorgangerschap als een bijzondere uitdaging om gedurende de cruciale tijd die de gemeente tegemoet ging, met wijsheid te wandelen. Aan de ene kant probeerde ik voorzichtig een typisch pinkster vooroordeel te vermijden, terwijl ik aan de andere kant alert was voor een ondoordachte neiging naar anti-institutionele of overgeestelijke gewoonten, zoals deze zich bij de charismatici ontwikkelden.
Wij waardeerden beproefde, in de praktijk van de historische kerk gewortelde waarden; daarnaast waren wij ons terdege bewust van de goede dingen van de vernieuwing die op verschillende plaatsen te bespeuren waren. Vanuit het perspectief dat onze geestelijke achtergrond ons bood, stapten wij in deze bediening, hopend op Gods genadewerken.

Al gauw voegden er zich twee bekwame jonge mannen bij mij om te helpen bij het naspeuren van datgene dat de Heer voor ons in Van Nuys had: Chuck Shoemaker, een vroegere collega van LIFE Bible College en Paul Charter, een einde-jaarsstudent, die door de Heilige Geest geleid werden om met ons samen te werken. Op onze eerste zondag in de gemeente waren ze er, samen met hun vrouwen Rubi en Jerri.
Iedere woensdagmiddag kwamen Paul, Chuck en ik naar de kerk om te bidden en met elkaar het werk te bespreken. Ieder van ons had andere bezigheden, maar wij vonden deze tijd goed besteed; wij voelden dat God iets nieuws in deze oude gemeente wilde doen; iets waarvoor wij open zouden moeten staan, ons voor Hem moesten opstellen en wegen moesten bewandelen waarlangs wij nog nooit gegaan waren.
Wij voelden ons als Jozua toen hij bij de Jordaan was aangekomen en de goddelijke waarschuwing hoorde: ‘... langs deze weg zijt gij noch gisteren noch eergisteren getrokken’ (Joz 3:4). De belofte aangaande hun toekomst was afhankelijk van voorzichtig beleid en ook wij voelden dezelfde noodzaak om stil met de Heer te wandelen.
De weg naar aanbidding, die wij de gemeente onderwezen, de openheid in de onderlinge gemeenschap, die wij probeerden te ontwikkelen, en de gezindheid van een dienstknecht, die wij de gemeenteleden voorhielden, waren vrucht van onze gebeden en onze gesprekken tijdens die woensdagmiddagen.
Wij lachten vaak met elkaar. Op andere momenten huilden we te zamen. Langzaamaan was God bezig een heilige menselijkheid en een menselijke heiligheid onder ons drieën te bewerken. Wij hadden geen hoogdravende gedachten over elkaar; zodoende werd onze samenwerking gekenmerkt door openhartigheid en liefdevolle confrontatie. Onze manier van omgaan met elkaar en de Heer begon in de gemeente navolging te vinden.
Wanneer wij ergens ontdekten dat menselijke of kerktradities in de gedaante van religieuze gewoonten als onkruid opschoten, en daarbij de eenvoud van de gemeente dreigden te verstikken, toetsten wij die aan het Woord en gingen wij er geregeld voor bidden. Wij waren ervan overtuigd dat niet alle kerktradities waardeloos zijn en dat het veranderen van kerkelijke vormen – uit het verleden overgeërfd – nauwgezet en biddend overwogen moesten worden. Wij waren vrijmoedig genoeg om de geschiedenis uit te dagen, maar wijs genoeg haar lessen niet te verachten. Daarbij stond ons de filosofische spreuk voor ogen: ‘Degenen die van de geschiedenis niet willen leren, zijn gedoemd haar fouten opnieuw zelf mee te maken’.
Het Nieuwe Testament spreekt zowel positief als negatief over traditie. Een vergelijking van Matteüs 15:2 met 2 Tessalonicenzen 2:15 en 3:6 en Galaten 1:14 laat dit zien. Het ene gedeelte waarschuwt tegen tradities die Gods Woord overtreden, terwijl elders staat: ‘Houdt u aan de overleveringen die u zijn geleerd’.
Wij zochten naar een nieuwe wandel in de Geest, maar waren ons ervan bewust hoe gemakkelijk iets anders met écht nieuw verwisseld kan worden. Wij zagen eveneens hoe snel trots een arrogante, anti-traditionele houding kan oproepen, wat kan leiden tot een onvermoeibaar zoeken naar ‘anders’ zijn. Soms zijn oudere methodes beter; wij hadden ons dan ook voorgenomen geen mens te willen behagen, of deze persoon nu een bezadigde traditionalist was of een nieuweling in geestvervuld leven. Wij wilden Christus’ gedachten aangaande zijn gemeente leren kennen en de Heilige Geest in onze samenkomsten zien werken, in overeenstemming met Vaders woord, wil en weg.
Soms gingen we onze weg met vallen en opstaan, maar achteraf hebben we gezien, hoe stuntelig en eenvoudig dat ook ging, er toch een stevig fundament voor een duurzame bediening is ontstaan. Met elkaar leerden we honderden lessen; lessen in vernieuwing van ons hart door bekering; lessen in nederigheid van de mens zelf door onze fouten en zonden openlijk te belijden; en lessen doordat we ontdekkingen in het Woord deden waarvoor de Heilige Geest ons de ogen opende.

Negen maanden gingen voorbij; ons handjevol mensen was intussen uitgegroeid tot drie handen vol. Omstreeks december hadden we gemiddeld 65 mensen in de samenkomsten en in die tijd bracht God mij tot een volgende beslissing aangaande dit voorgangerschap.
Tot nu toe had ik mijn taak als een detachering gezien, mij door ons districtskantoor toebedeeld in een poging deze steeds kleiner wordende gemeente te helpen overleven. Maar drie weken voor kerstmis maakte de Heer mij duidelijk wat zijn doel voor ons leven was. Zijn opdracht kwam als een gedachte die zich in mij vastzette: ‘Jij moet in deze gemeente blijven’. Eerst huiverde ik bij de gedachte die deze roeping bij mij opriep. Pas toen realiseerde ik mij eigenlijk dat ik mij in dit hele avontuur van vernieuwing vrijblijvend had opgesteld en dat had gebaseerd op de tijdelijke aard van mijn benoeming. Tot op dat moment kon ik, bij wijze van spreken, op elk gewenst ogenblik mijn koffers pakken, wanneer dit avontuur op een teleurstelling zou uitlopen.
Maar nu ervoer ik dat God mij de opdracht voor mijn leven gaf en – eerlijk gezegd – beangstigde mij dit. Hoewel het begin heus wel goed was geweest, deinsde ik terug voor een permanente aanstelling in deze kleine gemeente. Dat zou voor mij persoonlijk kunnen betekenen dat ik als voorganger van een kleine pinkstergemeente in de anonimiteit verdween, opgeslokt door de massa van zuid Californië. Trots en vrees, die ik nooit had gekend, kwamen nu in mij boven en die moest ik eerlijk onder ogen zien. God had gesproken en ik wist dat ik geen andere keuze had.
Al veel eerder had ik ontdekt dat Gods roeping verbijsterend kan zijn, maar ook dat zijn wegen altijd hoger zijn dan de onze. Dus in plaats van te gaan redeneren, of mijn eigen plannen uit te voeren, gaf ik mij over aan de innerlijke stem die mij al geroepen had om voorganger te worden toen ik nog een kind was.
Na dertien jaar in de publieke belangstelling te hebben gestaan, was ik benieuwd wat de – schijnbaar grauwe – toekomst als onbetekenend voorganger, verstopt ergens in de buitenwijken van een wereldstad, zou gaan brengen. Ik hoopte dat God echt wist wat Hij deed, maar ik voelde me er niet gerust op.
Ondanks dit alles verhuisden wij na de kerstdagen naar Van Nuys, om dichterbij de gemeente te zijn. Wij waren op weg naar 1970, maar beseften toen nog niet dat deze woorden synoniem zouden zijn voor de wonderbare dingen die onze hemelse Vader zou gaan doen.

Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584