Lees hoofdstuk 1
Doorwandel het land
 
Boek kaft: Doorwandel het land
1

Richels en afgronden


We gingen naar bed in de herberg van Mitzpe Ramon in de wetenschap dat het de volgende ochtend winters zou zijn, omdat er een koude wind door Israël waaide. Mijn fantasie sloeg op hol terwijl ik onze kaarten uitspreidde op het bed en nadacht over onze reis door onbekend, ogenschijnlijk verlaten gebied. Waren de twee dagen die mijn man en ik hadden ingepland om ons volgende bevoorradingsstation te bereiken voldoende, of zouden we zonder voedsel en water komen te zitten?
Soms leek deze reis, de Israel Trail, meer dan waar ik om gevraagd had, maar bij die gedachten stond ik niet te lang stil. Ik herinnerde mezelf eraan dat veel mensen dankbaar zouden zijn als ze zelfs maar een glimpje mochten opvangen van deze Bijbelse panorama's. Bovendien hadden we ervan gedroomd om ons drukke leven een poosje te onderbreken, en nu was het zover.
In elk geval kostte het me geen moeite om in slaap te vallen. Onze zeven uur durende trektocht door de Ramon-krater en de klim tegen het klif op sloot elke mogelijkheid van slapeloosheid uit. Maar de volgende ochtend, toen we voorbereidingen troffen om Mitzpe Ramon te verlaten en langs de rand van de krater in oostelijke richting verder te trekken, klopte mijn hart in mijn keel.
John en ik krompen ineen tegen de wind toen we de deur van de herberg uit stapten, het vroege morgenlicht in. Mitzpe Ramon, een klein stadje, gelegen langs de rand van de krater, was gesticht in 1950, het werk van een buslading nieuwe immigranten uit Marokko die midden in de Negev-woestijn gedumpt waren. Deze Joden lieten het land achter waar hun voorouders sinds de Spaanse inquisitie van 1492 gewoond hadden, en ze keerden terug naar het land dat volgens de Bijbel hun thuis was. De nieuwe immigranten kregen een paar vrachtcontainers om in te wonen, midden in de woestijn, en de immigratiedienst gaf hun opdracht om een nieuwe stad te stichten. Sinds dat moment hebben ze zich ingespannen om dat ook daadwerkelijk te doen. Het stadje dankt zijn bestaan voornamelijk aan de handel met nabijgelegen militaire bases en het verkeer dat uit noordelijke richting komt, bij Eilat vandaan, hoewel het zichzelf in de afgelopen paar jaar ook op de kaart heeft gezet als een centrum van ecotoerisme in de woestijn.
We liepen langs kinderen die dik ingepakt op weg waren naar school, en al snel bevonden we ons buiten het stadje en wandelden we langs het klif, vijfhonderd meter boven de bodem van de krater. Hoe vaak ik ook al met de auto door de krater gereden was, het uitzicht vanaf de top vond ik altijd weer adembenemend. De zuidelijke rand bevond zich vijf kilometer verderop. Het veelkleurige zand, de rotsformaties en de zwarte heuvels in het midden waren het bewijs van vulkanische uitbarstingen die hier lang geleden hadden plaatsgevonden. Maar nu we te voet reisden, ervoeren we een veel intiemere band met de natuur. Het gevoel van ontzag dat ik had, werd nog versterkt door de donkere wolken die de hemel aan het oog onttrokken en de regen in de verte, afgetekend als schuine strepen tegen de horizon.
'Gelukkig hebben we de wind in de rug', merkte John op.
'Ik weet echt niet wat we zouden moeten doen als we op een dag als deze tegen de wind in zouden moeten lopen', zei ik. 'Denk je dat het zal gaan regenen? Om ons heen zie ik overal regen aan de horizon.' 'Moeilijk te zeggen.'
Dit was een relatief makkelijk pad, een jeeproute, beter begaanbaar dan een gewoon wandelpad. Ik was blij dat ik handschoenen en een petje had meegenomen. Op andere dagen zouden we inmiddels onze jas al wel uitgetrokken hebben, maar vandaag peinsden we daar niet over.
We kregen een gelijkmatig ritme te pakken en we schoten flink op terwijl we in noordwestelijke richting verder liepen. Na twee uur wandelen voelde ik mijn maag rommelen en had ik behoefte aan een tussendoortje. De wind gierde echter om ons heen en inmiddels was het ook gaan motregenen, dus even stoppen om wat te eten was uitgesloten.
Ik merkte op dat het pad omlaag voerde, en dat er verderop een wadi was (Arabisch voor een rivier die in de zomer droogvalt). In de bedding ervan groeiden wat struiken die ons enige beschutting zouden geven. Ik was toe aan mijn mueslireep.
We hadden besloten dat we tijdens deze voettocht alleen zouden eten als we honger hadden, maar gaandeweg bleek dat het steeds mijn behoefte aan voedsel was die ons eetpatroon bepaalde.
John had echter geen bezwaar tegen een korte pauze. 'Jammer dat het vannacht niet gesneeuwd heeft.' Hij keek omhoog naar de lucht en zette zich schrap tegen de wind.
'Sneeuw? Ik ben dankbaar dat er geen sneeuw gevallen is.' Voor we aan onze reis begonnen, was het een van mijn grootste angsten geweest dat we te maken zouden krijgen met slecht weer. 'Ik hoop dat deze motregen niet doorzet naar een echte regenbui. Racheli klonk bezorgd toen ze ons gisteravond belde en vertelde dat de weerkundige dienst sneeuw in Mitzpe voorspeld had.'
'Kom op, Jupe, waarom zou je je zorgen maken?' Jupe is Johns Nederlandse koosnaam voor mij. Hij is de enige die me zo noemt. Ik hou van de manier waarop hij dat doet. En ik moet toegeven dat ik het ook geweldig vind dat hij altijd in is voor alles.
'Het weer verandert hier over het algemeen vrij snel', voegde hij daar optimistisch aan toe.
Ik herinnerde me echter dat we, toen we van huis vertrokken, hadden gezegd dat het enige wat ons ervan zou kunnen weerhouden om deze voettocht af te maken slecht weer was. Ik wist dat als het echt hard zou gaan regenen, we zouden moeten stoppen. In elk geval eventjes. John, als eeuwige optimist, kon duidelijk niet geloven dat deze motregen zou toenemen en ons zou hinderen.
'Kun je geloven dat we naar Mitzpe Ramon gelopen zijn?', zei John met opwinding in zijn stem. 'Wat er verder ook gebeurt, dat pakt niemand ons af.' John vond het fijn om deze uitspraak te herhalen telkens wanneer we weer een mijlpaal bereikt hadden, en nu zei hij het om ons allebei te bemoedigen. Het kostte ons vier uur om de oostelijke grens van de hartvormige krater te bereiken en de Trail maakte een scherpe bocht in noordelijke richting, bij de rand vandaan. De wind duwde ons niet langer vooruit en we voelden het verschil meteen.
Hoewel het pad tot hiertoe niet helemaal vlak geweest was, waren we nog geen echte heuvels tegengekomen; maar dat veranderde nu helemaal. En het pad waar we over liepen, was ook geen jeeproute meer. We beklommen een bergkam en zochten onze weg tussen de rotsblokken door. De enige bomen die in dit gedeelte van de Negev groeiden, bevonden zich beneden, in de wadi's, die met water gevuld werden wanneer het regende. Hier groeiden alleen lage doornstruiken, gehard genoeg om te overleven op een plek waar het grootste deel van het jaar geen regen viel en om stand te houden tegen de constante wind.
Onze ogen zochten voortdurend naar het logo van de Israel Trail: drie geschilderde streepjes, evenwijdig aan elkaar, in wit, blauw en oranje. De tekens waren niet altijd op een duidelijk zichtbare plek aangebracht, en we wilden hier niet verdwalen. Met de wind die bijna rechtstreeks in mijn gezicht blies en de rugzak die op mijn schouders drukte, herhaalde ik telkens opnieuw mijn mantra: 'Stap voor stap', terwijl we tegen de ene heuvel opklommen en even later via de volgende afdaalden.
Een uur nadat ik mijn mueslireep had opgegeten, begon mijn maag weer te knorren en mijn tempo werd trager. Ik was toe aan de lunch, maar hoe konden we onder deze weersomstandigheden pauze houden?
'Maak je maar geen zorgen', zei John. 'We gaan op zoek naar een plekje uit de wind, dan eten we daar onze boterhammen op. In dit gebied zijn natuurlijke grotten.' Ik zag wat grotten aan de overzijde van de wadi, maar omdat we nog een heel eind moesten lopen, wilde ik niet te ver van de route afwijken.
Ik dacht even vooruit. Ik wist dat als we vandaag niet ver genoeg zouden lopen, we het morgen niet zouden redden om Sde Boker te bereiken, en we hadden maar voor twee dagen voedsel en water bij ons.
We zagen een zijgeul van een wadi die er veelbelovend uitzag. De geul leek smal genoeg om enige beschutting te bieden en misschien zouden we er ook wel een grot aantreffen. Maar toen die grot maar niet in zicht kwam, gingen we op een relatief vlak stukje grond zitten, tussen een paar rotsblokken. Broodjes kaas, een appel, een sinaasappel en water hadden nog nooit zo lekker gesmaakt als nu, in de buitenlucht, na een intensieve wandeling van vijf uur. We trakteerden onszelf op nog een extra energiereep. Het bleef onophoudelijk miezeren.
'Dit is echt een dag om voor de open haard te zitten, met een goed boek en een glas hete cider,' zei ik lachend, 'en moet je ons nou zien!'
Al snel krabbelden we op en gingen we verder. Elke kleine toename van de helling was een worsteling. Toen het leek alsof we de hoogste richel bereikt hadden, bleek er een eindje voor ons nog een te liggen. We ploeterden over een langwerpig, hoog plateau, terwijl we tegen de wind in leunden en onszelf overeind hielden met behulp van onze wandelstokken.
'Het is maar goed dat we rugzakken om hebben', zei John. Op sommige delen van de route hadden we veel met elkaar gepraat, maar vandaag concentreerden we ons vooral op het lopen zelf. 'Die zorgen ervoor dat we niet omvergeblazen worden.'
Tijdens de lunch had ik op de kaart gekeken en opgemerkt dat het volgende oriëntatiepunt iets was wat 'de kloven' genoemd werd. En daarna zouden we 'Gavei Hava' bereiken, een natuurlijke rotsformatie.
'Denk je dat dit het is?', vroeg ik.
'Ik weet wel zeker dat dit de kloven zijn', zei John. 'Moet je eens kijken hoe diep ze zijn!'
Nu wisten we dat we niet ver verwijderd waren van Gavei Hava. Gev is Hebreeuws voor een laagte waar het water zich verzamelt na een regenbui, over het algemeen onder een steile rotswand.
We liepen nog zo¹n twintig minuten over de onherbergzame richel en bereikten toen plotseling een scheur in de grond. De merktekens wezen omlaag, waardoor we tot onze opluchting uit de wind konden lopen.
We daalden langzaam maar zeker af en ontdekten dat de breedte van de kloof varieerde en dat hij hier en daar zo steil was, dat er ijzeren handgrepen in de rotswand waren bevestigd om wandelaars te helpen bij hun afdaling. 'Gooi je wandelstokken maar omlaag, naar mij. Draai je om en kom achterstevoren naar beneden', beval John. 'Zet je rechtervoet op het ijzer, dan leid ik je linkervoet naar deze kleine rots.'
'Ik denk dat ik niet goed genoeg op de kaart gekeken heb', zei ik. 'Ik had niet gezien dat we zo¹n lange, steile afdaling voor de boeg hadden.'
'Uh, wat omhoog gaat, komt ook weer omlaag.' Dit was een van Johns favoriete uitdrukkingen.
Ik wees hem erop dat de Hebreeuwse uitdrukking 'omlaag gaan met als doel om uiteindelijk hogerop te komen' meer van toepassing was. In Israël, vooral in het leger, wordt deze uitdrukking gebruikt om te zeggen dat tegenslagen uiteindelijk iets goeds zullen uitwerken.
Ik voelde me ongemakkelijk, omdat ik me realiseerde dat we straks ook weer uit de kloof zouden moeten klimmen.
Een halfuur later werd het pad vlakker en we bereikten een aantal kleine meertjes onder een drooggevallen waterval. We bevonden ons in een diep ravijn met steile wanden, die wel tachtig meter boven ons uitstegen. De bodem van de wadi lag bezaaid met grote keien, die eruitzagen alsof ze over de rand gegooid waren door reuzen die boven met stenen aan het spelen geweest waren. De merktekens wezen ons de weg over, onder en rond de rotsblokken in het smalle ravijn. We stapten over gaten in de grond, lieten onszelf zakken en trokken onszelf omhoog, en daalden langzaam maar zeker steeds verder af langs de bodem van het ravijn. De motregen veranderde in een serieuze bui en het begon steeds harder te regenen.
Ik begon omhoog te staren, langs de wanden van het ravijn, en ik probeerde een ontsnappingsroute te zoeken voor het geval dat de regen nog heviger zou worden. We hadden gedurende dertig jaar in Eilat gewoond, in het zuiden van Israël, en we hadden talloze voettochten gemaakt door de Negev en de Sinaï-woestijn, dus ik wist dat een van de belangrijkste regels tijdens een voettocht in de winter was dat je niet in de regen moest lopen. Ik ben een van die mensen die het prettig vinden om de kleine lettertjes achter op kaarten te lezen, en daar, onder het kopje 'instructie voor wandelaars' stond: 'Voor je er in de winter opuit gaat, moet je bij een van de centra voor bodemonderzoek in de regio, of bij het meteorologisch instituut, informeren naar overstromingswaarschuwingen. Wandel op bewolkte of regenachtige dagen niet door wadibeddingen.'
En ik had niet alleen de kleine lettertjes gelezen, ik had de kracht van een plotselinge vloed met eigen ogen gezien. Jaren geleden, toen we in de Sinaï woonden, aan de kust van de Rode Zee, kampeerden we op het strand terwijl het in de bergen regende, zonder dat we dat wisten. Plotseling, midden in de nacht, hoorden we een geluid als dat van een krachtige generator, en voor we wisten wat ons overkwam, zagen we een muur van water door de wadi omlaag stromen. Wij, net als de meeste andere kampeerders, raapten onmiddellijk onze spullen bij elkaar en gingen op weg naar hoger gelegen gebied. 's Ochtends, toen het licht genoeg was om te kunnen zien, werden we begroet door een vreemd tafereel. We zagen enkele hedendaagse strijdwagens uit het water van de Rode Zee steken. Het water van de vloed had een aantal auto's en zelfs een vrachtwagen meegesleurd naar de zee. Het was het praatje van de dag op het strand en een komisch gezicht ­ voor iedereen, behalve de eigenaars van de voertuigen die er nu spijt van hadden dat ze niet uit hun slaapzak gekomen waren om hun wagens te verzetten. Het hele gebied waar we gekampeerd hadden, was veranderd in een modderpoel en lag bezaaid met grote stenen die met het water omlaag gekomen waren. Zelfs de lucht rook vochtig.
Terugdenkend aan die vloedgolf dacht ik nu: Wat doen we hier? Zijn we niet goed bij ons hoofd? Wij, meer dan wie ook, zouden moeten weten dat we op een dag als deze geen trektocht moeten ondernemen. Alleen in de wadi, omgeven door grote, omvergeduwde brokken steen, met steile rotswanden aan beide zijden en de donkere lucht boven ons, konden we niets anders doen dan de route volgen en doorlopen. Hadden we om moeten draaien toen het op twee uur afstand van Mitzpe Ramon was begonnen te regenen? We hadden een risico genomen, maar we waren in de veronderstelling dat het weer waarschijnlijk wel beter zou worden. Of hadden we op de bergrichel moeten blijven en niet via de geul in het ravijn moeten afdalen? Op dat moment had de geul bescherming geboden tegen de hevige, bijtende wind; we hadden niet stilgestaan bij het gevaar wat lopen in een wadi met zich meebracht als de regen erger werd.
Niemand weet zelfs maar dat we hier zijn. We waren binnengegaan in een ander universum en wij waren de enige bewoners.
'God, haal ons hier alstublieft levend uit', bad ik.
32 jaar geleden, bij een oase in de Sinaï, was ik begonnen met het lezen van de Bijbel, en God had mijn leven compleet veranderd. Sinds die tijd is gebed een steeds terugkerend onderdeel van mijn leven. Thuis was dat gebed over het algemeen echter beperkt tot vaste momenten van de dag: 's ochtends na het opstaan, voor de maaltijden en 's avonds rond bedtijd. Sinds we aan de Israel Trail begonnen waren, waren we eraan gewend geraakt om tijdens het lopen met God te praten ­ om te bidden voor vrienden wanneer die in onze gedachten kwamen en om Hem te betrekken bij onze beslissingen.
Toen we aankwamen bij een gigantische, paddenstoelvormige rots, stelde John voor om even een paar minuten uit te rusten. Terwijl we onder de overhangende rots schuilden, voelde het alsof we twee kabouters waren die onder hun paddenstoel schuilden tegen de regen. Het voelde goed om even te stoppen en op adem te komen op een plek waar het droog was en die net iets hoger gelegen was. Ik voelde me zelfs zo veilig en op mijn gemak, dat ik voorstelde dat we hier de nacht zouden doorbrengen. De grond was niet zo vlak als we zouden willen, zeker niet voor een slaapplaats, en onze twee slaapzakken zouden maar net op het plateautje passen, maar we zouden waarschijnlijk veilig zijn voor het water.
John stond er echter op dat we verder zouden trekken. Het was nog maar half drie ¹s middags, te vroeg om te stoppen voor de nacht. Ik wist dat hij gelijk had en dus had ik geen andere keus dan mijn rugzak op mijn rug te hijsen en verder te trekken. Gelukkig werd de regen wat minder. De wadi werd steeds smaller ­ een teken dat we het einde ervan naderden ­ toen we een merkteken zagen dat omhoog wees, naar de linkerwand van het ravijn.
'Dank U, God; dan komen we er toch nog uit', mompelde ik.
Al snel krabbelden we op handen en voeten omhoog langs de wand van het ravijn, waarbij we de wit-blauw-oranje streepjes volgden. Het pad liep recht omhoog en ik begon moe te worden, maar ik wist nu in elk geval zeker dat we niet door de vloed zouden worden weggespoeld.
Tot onze schrik kwamen we uit op een plek die haast onbegaanbaar leek. We moesten ofwel op een smalle richel stappen die aan de ene kant steil omlaag liep en aan de andere kant grensde aan de rotswand, ofwel onze rugzakken afdoen om onder een lange, lage tunnel van overhangende rotsblokken door te kruipen. Er was geen andere manier. Ik kon het even niet aan; ik dacht dat we de gevarenzone achter ons gelaten hadden. Als ik dertig jaar jonger geweest was, had ik het misschien een geweldige uitdaging gevonden; maar vandaag de dag huiver ik wanneer ik terugdenk aan de idiote dingen die ik voor de lol deed, zoals parachutespringen of het doorwaden van een snelstromende gletsjerrivier.
Ik kon niet geloven dat de beheerders van de Trail op deze plek geen ijzeren handsteunen hadden geplaatst. Wat verwachtten ze van ons? Ik kwam tot de conclusie dat deze trekroute gemaakt was voor mensen die zojuist in het leger waren opgeleid tot commando. Nu ik 54 jaar oud was, kon ik het prima af zonder die stoot adrenaline.
We kozen voor de mogelijkheid die het veiligst leek. 'Stelt niet zo veel voor', zei John. 'Ik kruip er wel als eerste doorheen, dan kijk ik hoe het is.'
Hoewel hij probeerde het niet te laten merken, voelde ik dat zelfs John gespannen was. De rotsen waren nat en glad van de regen. Ik keek angstig toe, mijn hart bonzend in mijn keel, terwijl John de hoek om kroop en uit het zicht verdween.
'Ik ben er! Geen probleem!', schreeuwde hij terug.
John kroop terug naar mij en ging toen een tweede keer door de tunnel, terwijl hij zijn rugzak over de ongelijke grond achter zich aan sleepte. Dat viel niet mee. Ik hoorde de stenen kraken onder zijn knieën en toen hoorde ik een bons. Een van de waterflessen viel en rolde de heuvel af. De fles kwam een paar meter onder ons tot stilstand op een puntige rots, voordat hij over het randje tuimelde, verder naar beneden.
'Maakt niet uit', zei John. 'We hadden toch al te veel water bij ons. Scheelt weer wat gewicht.'
John kroop een derde keer onder de rotsen door, terwijl hij mijn rugzak langzaam met zich meetrok. Toen was het mijn beurt. Als John het kon mét de rugzakken, moest ik het zónder zeker redden.
'Kijk gewoon voor je', zei ik tegen mezelf. 'Niet omlaag kijken.' Ik schuifelde centimeter voor centimeter langs de richel, waarbij ik op de een of andere manier onze vier wandelstokken in een hand hield. Tijdens deze voettocht ontdekte ik dat ik niet van richels en afgronden hield.
Toen we uiteindelijk de top van de heuvel bereikten, volgden we de route langs de rand van het ravijn.
'Pas op voor die glibberige rotsen', waarschuwde John. Ik schuifelde vooruit, terwijl ik mijn ogen op het pad gericht hield.
'Wow, moet je die grotten eens zien', zei John. Aan de overzijde van het ravijn zagen we grotten die duidelijk door mensen uitgehakt waren. 'Daar hebben misschien wel monniken in gewoond.'
We waren vlakbij de ruïnes van het oude Avdat, een stad die gesticht is door de Nabateeërs als een belangrijk tussenstation op de Kruidenroute tussen Arabië en Gaza, in de derde eeuw voor Christus. Hoewel we in Israël omgeven worden door geschiedenis en we overal restanten van vroegere beschavingen aantreffen, hadden we niet verwacht hier, midden in de wildernis, ruïnes aan te treffen. Plaatsen die door archeologische organisaties zijn opgegraven, staan aangegeven op landkaarten; de geschiedenis van Israël is echter zo rijk dat veel plaatsen niet eens door archeologen onderzocht zijn of worden beschouwd als te onbetekenend om ze aan te geven op de landkaart.
De Romeinen hebben Avdat in het jaar 106 overwonnen. Later, ten tijde van het Byzantijnse Rijk, bereikte de stad het toppunt van haar welvaart en bekeerden vele Nabateeërs zich tot het christendom. Honderden grotten, verspreid over het hele gebied, bevatten inscripties van het kruis, uitgekrast in de stenen wanden en plafonds. John was er zeker van dat deze grotten gebruikt werden door monniken. Pas later, nadat ik het op internet had nagekeken, ontdekte ik dat John gelijk had gehad.
De beschaving van de Nabateeërs had ons altijd al gefascineerd, dus we waren dolenthousiast toen we deze grotten ontdekten in deze verlaten wadi. Het bezoeken van beschermde archeologische opgravingen is interessant, maar wanneer je zoiets onverwachts tegenkomt, is dat extra opwindend. We hadden graag in een van deze grotten willen slapen, maar helaas bevonden ze zich aan de overzijde van het brede ravijn. Bovendien moeten de inwonende monniken een voorkeur gehad hebben voor totale rust en privacy, want de enige manier waarop ze de grotten konden bereiken, was door zich in een mand naar beneden te laten zakken. We gingen op zoek naar een grot die beter toegankelijk was.
Volgens onze kaart zouden we het einde van deze wadi, Nahal Hava, al snel bereiken, en zouden we daarna in een brede vallei terechtkomen. (Nahal is het Hebreeuwse woord voor een rivier die in de zomer droog ligt.) Daar waren we helemaal niet blij mee. We zouden weer blootstaan aan de wind en de regen, en het gevaar lopen meegesleurd te worden door een vloedgolf als de regenval heviger werd. Het werd al laat; we waren moe en moesten een plek vinden waar we ons kamp konden opslaan, liefst in een grot.
Het was niet altijd gemakkelijk om de juiste grot te vinden, eentje met een gladde, vlakke bodem en een plafond dat hoog genoeg is, en die zich niet al te ver van het pad bevond. Uiteindelijk zagen we langs de zijarm van de wadi een plek die er veelbelovend uitzag. We liepen ongeveer tien minuten door de bedding, springend over de plassen water die al door de regen waren gevormd. John klauterde de grot in om te zien of hij geschikt was.
'Ziet er prima uit. Kom maar naar boven, dan mag jij zeggen wat jij ervan denkt. En neem onderweg wat hout mee.'
De bodem van de grot was bedekt met een dikke laag uitwerpselen van dieren. We wisten niet precies welke dieren ­ vleermuizen, duiven, steenbokken? John wandelde dapper naar de achterzijde en haalde een oud bot tevoorschijn. Betekende dat dat deze grot ook de thuisbasis was van vleeseters, zoals vossen en hyena's?
'Het is hier warm,' zei hij, 'en als we onze tent opzetten, is het lekker knus.'
John legde een stapeltje takken neer bij de ingang van de grot en hij begon een kampvuur te maken waar we ons eten op konden koken en waar we ons bij konden warmen. Al snel zaten we te hoesten en te proesten door de rook.
Mijn ogen prikten en traanden en ik kon niet eens genoeg zien om het pannetje en het voedsel uit mijn rugzak te halen. 'Dat moeten de holbewoners anders gedaan hebben', zei ik. Het was duidelijk dat we het vuur naar buiten moesten verplaatsen, op een uitstekende rots onder onze grot. Ik kon alleen maar hopen dat de grot rookvrij zou zijn tegen de tijd dat we wilden gaan slapen.
'Ik had me niet gerealiseerd dat alle rook naar binnen zou waaien', gaf John toe. 'In elk geval zullen we de dieren wel uitgerookt hebben.' We moesten nog het een en ander leren over kamperen. Op dat moment realiseerden we ons nauwelijks hoeveel. Later op onze reis logeerden we bij een vriend die archeoloog is. Toen we hem enthousiaste verhalen vertelden over de Israel Trail, en ook over onze nacht in de grot, zei hij tegen ons dat we onszelf in gevaar hadden gebracht.
'Jullie hadden 'grottenkoorts' op kunnen lopen', zei hij, en hij vertelde ons dat veel archeologen daar ook mee besmet geraakt waren.
Grottenkoorts, te vergelijken met de ziekte van Lyme, wordt aangetroffen in het stof in tien procent van de grotten van Israël. Een parasiet in de beet van een besmette zachte teek brengt de ziekte over. Deze miniatuur bloedzuigers voeden zich gedurende ongeveer een halfuur met bloed, meestal 's nachts. De beet is pijnloos en het ongelukkige slachtoffer is zich niet bewust van zijn benarde toestand tot hij begint te lijden aan een gevoel van zwakte, spier- en gewrichtspijn en hoofdpijn. Verlamming, evenals neurologische aandoeningen en beschadigingen aan de nieren, de lever en het bloed volgen, tenzij de besmette persoon met antibiotica behandeld wordt. Soms is de beet dodelijk.
Op dat moment waren we ons niet bewust van de mogelijke gevaren in onze grot. We zochten eenvoudigweg beschutting. Wellicht heeft onze tent ons tegen de teken beschermd.
Uiteindelijk trok de rook weg; we aten onze maaltijd en strekten ons uit in onze slaapzak. We vielen in slaap bij het geluid van de vallende regen. 'Ben je gelukkig?', vroeg ik.
'Uh', antwoordde John. 'Besef je wel dat we de hele dag helemaal niemand anders tegengekomen zijn?'
'Wie zou er in dit weer ook opuit gaan?'
Recensies uit de krant
2-2-2010De Band
2-2-2010NBD/Biblion
15-2-2011Credo
15-2-2011de Christenvrouw
Recensies van lezers
NaamJaap van Duin
Rapportcijfer10
RecensieMijn vrouw, dochter en ik ontmoeten John tijdens ons verblijf in "the Shelter"in Eilat in oktober 2009. Ook het grappige is, dat zowel John als ik geboren Noordwijkers zijn. In Eilat mocht ik de Nederlandse vertaling van Judy ontvangen, nadat ik het originele in het Engels reeds bij vrienden in Tiberias gelezen hebt. Geweldig boek! Geschreven met veel geestdrift en Geloof. Voor mij misschien in de toekomst ook de mogelijkheid om eens meer kennis te maken met de Israël-trail. Jaap van Duin Noordwijk
NaamRené van Loon
Rapportcijfer8
RecensieIedereen die interesse heeft in Israël, zal dit boek met veel plezier lezen. Het is een heel vlot geschreven reisverslag van een wandeltocht door heel Israël, van het zuidelijkste punt bij Eilat tot het noordelijkste punt bij Dan. De verschillende landschappen worden heel levendig beschreven. Het boek wordt nog leuker als je een kaart van het land bij de hand houdt, hoe gedetailleerder, hoe mooier. Je loopt als het ware mee, waardoor het land heel dichtbij komt. Ook boeiend is het geloofsapect: Judith en haar man zijn Joden die in Jezus geloven. Van tijd tot tijd maakt de schrijfster korte uitstapjes over geestelijke lessen die zij leert. Ook geeft ze op allerlei plaatsen uitleg bij wat ze tegenkomt, historisch, politiek en cultureel. Ik las het boek in één adem uit.
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584