Try it out
Lees hoofdstuk 1
Een zaak van lange adem
 
Boek kaft: Een zaak van lange adem

Hoofdstuk 1

DISCIPELSCHAP
‘Denk je echt dat je een wedloop tegen
paarden kunt beginnen?’

Als gij met voetgangers loopt, maken zij u moede; hoe zult gij dan een wedloop beginnen met paarden?


JEREMIA 12:5


Het wezenlijke ‘in hemel en op aarde’ is… dat er een langdurige gehoorzaamheid in dezelfde richting behoort te zijn. Dat resulteert altijd en heeft altijd op de lange duur geresulteerd in iets wat het leven de moeite waard maakt.
FRIEDRICH NIETZSCHE
HOGER DAN GOED EN KWAAD

Deze wereld is geen vriend van de genade. Iemand die Jezus Christus als Heer en Verlosser aanneemt, wordt in de wereld niet meteen opgewacht door een grote schare die hem begroet met applaus, noch door oude vrienden die hem spontaan omringen om hem te feliciteren en goede raad te bieden. Gewoonlijk is er geen sprake van regelrechte vijandigheid maar wel van een opeenhoping van verbouwereerde afkeuring en agnostische onverschilligheid, die evenwel een opvallend sterke tegenkracht vormt.
     Volgens een oude traditie kunnen we de moeilijkheden die wij in het geloofsleven tegenkomen, rangschikken in drie categorieën: de wereld, het vlees en de duivel. Meestal worden we gewaarschuwd tegen de gevaren van het vlees en de listen van de duivel. Hun verzoekingen zijn definieerbaar wat uitingsvorm betreft en vertonen een zekere continuïteit in de geschiedenis. Dat maakt ze overigens nog niet gemakkelijker te weerstaan, ze zijn alleen maar gemakkelijker te herkennen.
     De wereld is echter wel veranderlijk. Iedere generatie heeft te maken met de wereld in een nieuwe vorm. De wereld is een atmosfeer, een levensgevoel.2 Voor een zondaar is het bijna net zo moeilijk om de verzoekingen van de wereld te onderkennen, als voor een vis om de onzuiverheden in het water te ontdekken. Er is een besef, een gevoel dat de dingen niet kloppen en dat het levenskader niet volledig is, maar wat er precies aan schort, onttrekt zich aan onze analyse. Wij weten dat de geestelijke atmosfeer waarin wij leven, het geloof uitholt, de hoop vervluchtigt en de liefde corrumpeert, maar het is moeilijk om de vinger te leggen bij wat er nu precies verkeerd is.

Toeristen en pelgrims
Een aspect van de wereld waarvan ik heb kunnen vaststellen dat het schadelijk is voor christenen, is de veronderstelling dat men alles wat waardevol is, meteen kan verwerven. Wij veronderstellen dat wanneer iets gedaan kán worden, het dus ook snel en efficiënt gedaan kan worden. Onze aandachtsboog wordt bepaald door reclamespots van dertig seconden en ons besef van de werkelijkheid is afgeplat door samenvattingen van dertig bladzijden.
     Het is niet moeilijk om in een dergelijke wereld iemand te interesseren voor de boodschap van het evangelie, maar wel om diens aandacht vast te houden. Miljoenen mensen in onze cultuur nemen een beslissing voor Christus, maar het percentage van terugval is beangstigend. Velen zeggen dat zij wedergeboren zijn, alleen is het bewijsmateriaal voor een volwassen christelijk discipelschap mager. In ons soort cultuur kan alles aan de man worden gebracht (zelfs nieuws over God) als het maar in een nieuwe verpakking zit. Wanneer het echter zijn nieuwheid verloren heeft, gaat het op de vuilnishoop. Er is in onze wereld dan wel een grote markt voor religieuze ervaringen, toch is er weinig enthousiasme voor de geduldige verwerving van deugd en weinig geneigdheid om zich in te schrijven voor een langdurige leerschool die door vroegere generaties christenen heiligheid werd genoemd.
     Godsdienst in onze tijd is onderworpen aan de mentaliteit van de toerist. Ze staat gelijk aan het bezoeken van een bezienswaardigheid, iets wat men doet wanneer men voldoende tijd over heeft. Voor sommigen is dat een wekelijks uitstapje naar de kerk, anderen wonen zo nu en dan een bijzondere dienst bij. In hun hang naar godsdienstig vermaak en religieuze afleiding, plannen sommigen hun leven rondom retraites, massabijeenkomsten en conferenties. We gaan af op een nieuwe geweldige spreker om een nieuwe waarheid te horen, om een nieuwe ervaring op te doen en om op de ene of andere manier iets toe te voegen aan ons anders zo monotone leventje. Het godsdienstige leven wordt gedefinieerd volgens het laatste en het nieuwste: Zen, genezing op geloof, menselijk potentieel, parapsychologie, succesvol leven, theater naast de kansel of Harmageddon. We proberen van alles en nog wat – totdat zich weer wat anders aandient.
     Ik weet niet hoe het was om in andere culturen en voorgaande eeuwen predikant te zijn, maar ik ben er haast wel zeker van, dat wat Gore Vidal heeft aangemerkt als ‘de huidige hartstocht voor het onmiddellijke en het terloopse’, het werk van een predikant om christenen te leiden in hun geloofsleven, in de Westers cultuur aan het begin van de eenentwintigste eeuw, het meest bemoeilijkt. Iedereen heeft haast. De mensen onder wie ik mijn bezoeken afleg, bid, preek en onderwijs geef, die ik voorga in de eredienst en aan wie ik pastorale hulp bied, willen snelle oplossingen. Ze willen dat ik hen help bij het invullen van een formulier voor een direct krediet (in de eeuwigheid). Ze zijn ongeduldig als het om resultaten gaat: ze hebben de levensstijl van een toerist aangenomen en willen alleen de hoogtepunten. Een predikant is echter geen reisleider. Ik stel geen belang in het vertellen van apokriefe godsdienstige verhaaltjes bij zogenaamde heilige plaatsen, waarvan de historische achtergrond op zijn minst twijfelachtig is. Onder zulke omstandigheden en op dergelijke manieren kan het christenleven niet rijpen.
     Friedrich Nietzsche, die dit terrein van geestelijke waarheid in ieder geval wel met grote helderheid heeft onderkend, schreef: ‘Het wezenlijke ‘in hemel en op aarde’ is… een langdurige gehoorzaamheid in dezelfde richting. Dat resulteert altijd en heeft altijd op de lange duur geresulteerd in iets wat het leven de moeite waard maakt.’4 Het levensgevoel van de tegenwoordige wereld druist echter op alle mogelijke manieren in tegen deze ‘langdurige gehoorzaamheid in dezelfde richting’.
     Om de methodes van de wereld te onderkennen en tegen de stroom daarvan in te roeien, is het uiterst nuttig stil te staan bij twee bijbelse aanduidingen van mensen van geloof: discipel en pelgrim. Discipel (mathétès) zegt dat wij mensen zijn die ons leven lang doorbrengen in de leerschool van onze Meester Jezus Christus. We hebben voortdurend een relatie van groeien en leren. Een discipel is een leerling, niet in de academische setting van een klaslokaal maar veeleer in de werkplaats van een ambachtsman. Wij verwerven geen informatie over God maar vaardigheden in geloof.
     Pelgrim (parepidémos) zegt dat wij mensen zijn die ons leven lang onderweg zijn naar God, en voor wie Jezus Christus de weg is om daar te komen. Wij beseffen dat ‘deze wereld niet ons thuis is’ en dat wij op weg zijn gegaan naar ‘het huis van de Vader’. Abraham, de man die ‘op weg ging’, is ons archetype en Jezus wijst ons de richting. Op de vraag van Thomas: ‘Meester, wij hebben geen idee waar U naar toe gaat, hoe kunt U dan van ons verwachten dat wij de weg daar naar toe weten?’, antwoordt hij: ‘Ik ben de Weg, en ook de Waarheid, en ook het Leven. Niemand komt bij de Vader aan, los van Mij’ (Joh. 14:5). De brief aan de Hebreeën definieert ons reisprogramma: ‘Zien jullie wat dit betekent – al deze pioniers die de weg hebben verkend en aangegeven, al deze veteranen die ons aanmoedigen? Dat betekent dat wij het beste ook maar in beweging kunnen komen. Zet je schrap, begin te lopen – en geef nooit op! Geen extra geestelijk vet, geen parasiterende zonden. Houd je oog gericht op Jezus, die deze race waarmee wij bezig zijn, niet alleen begonnen is maar ook ten einde heeft volbracht’ (Heb. 12:1-2).

Een liedbundel met ezelsoren
In het pastorale werk van mensen begeleiden op hun pelgrimsweg en hen toerusten tot discipelschap, heb ik een oude liedbundel met ezelsoren ontdekt, ergens verstopt in het Hebreeuwse Psalmboek. Ik heb hem gebruikt als een handleiding om anderen te begeleiden in het christelijke leven en om mensen van geloof de weg te wijzen van de bewuste en voortdurende inspanning, die uitgroeit tot volwassenheid in Christus. De oude liedbundel heet in het Hebreeuws sjiré hama’alot, Liederen van Opgang. De liederen die daarin staan, zijn de psalmen 120 tot en met 134. Deze vijftien psalmen werden naar alle waarschijnlijkheid gezongen, mogelijk achter elkaar, door de Hebreeuwse pelgrims die onderweg waren naar Jeruzalem om daar deel te nemen aan de grote feesten van eredienst. Jeruzalem was de hoogstgelegen stad in Palestina, dus leidde de weg van hen die daarheen op reis waren, grotendeels omhoog.5 De opgang was echter niet alleen letterlijk maar tegelijkertijd ook een metafoor: de reis naar Jeruzalem was een actieve uitbeelding van een leven gericht op God, van een bestaan dat van het ene niveau omhoog gaat naar het volgende, tot een steeds grotere volwassenheid – door Paulus omschreven als ‘het doel, daar waar God ons wenkt – naar Jezus’ (Fil. 3:14).
     Drie keer per jaar maakten de Hebreeën deze tocht (Ex. 23:14-17, 34:22-24). De Hebreeën waren een volk waarvan de verlossing tot stand was gebracht in de exodus, waarvan de identiteit was bepaald bij de Sinaï en waarvan de bewaring was verzekerd tijdens de veertig jaren van omzwerving door de woestijn. Dit specifieke volk beklom regelmatig de weg naar Jeruzalem om in de stad te aanbidden. Tijdens het feest van Pascha in het voorjaar fristen zij hun geheugen op met betrekking tot de manier waarop God verlossing had geschonken. Tijdens het Pinksterfeest vroeg in de zomer vernieuwden zij hun geloften als Gods verbondsvolk. En tijdens het Loofhuttenfeest in het najaar uitten zij als een gezegende gemeenschap hun dank, voor al het goede dat God hun had gegeven. Deze fundamentele gegevens werden verkondigd en onderwezen en bezongen tijdens de jaarlijkse feesten. Tussen de feesten door brachten de mensen deze gegevens in praktijk in dagelijks discipelschap, tot het moment aanbrak om opnieuw als pelgrims op te gaan naar de stad op de berg en daar het verbond te vernieuwen.
     Dit beeld van de Hebreeën die, als pelgrims op weg naar Jeruzalem, deze vijftien psalmen zongen terwijl zij door steden en dorpen en langs boerderijen en gehuchten trokken en de dagelijkse routine van het discipelschap onderbraken, heeft een vaste plek gekregen in de voorstellingswereld van de christelijke devotie. Het is de beste achtergrond om het leven te kunnen verstaan als een geloofsreis.
     Wij weten dat onze Heer al op vroege leeftijd naar Jeruzalem is gereisd voor de jaarlijkse feesten (Lucas 2:41-42). Wij blijven ons vereenzelvigen met de eerste discipelen die ‘op weg gingen naar Jeruzalem. Jezus liep op kop en zij volgden, terwijl zij zich van alles afvroegen en behoorlijk angstig waren’ (Marcus 10:32). Ook wij vragen ons dingen af, ook wij zijn behoorlijk angstig, want op deze weg volgt de ene onverwachte gebeurtenis op de andere en komen we voor beangstigende situaties te staan. Het zingen van de vijftien psalmen is een manier om uiting te geven aan onze grote verwondering en om onze zorgen en angsten tot rust te laten komen.
     Betere ‘liederen voor onderweg’ zijn er niet denkbaar voor hen die de weg van geloof in Christus gaan, een weg die zoveel overeenkomsten vertoont met de weg van Israël. Aangezien deze liederen vele (niet alle) wezenlijke onderdelen van het christelijke discipelschap bevatten, bieden ze ons een manier om ons eraan te herinneren wie we zijn en waar we naar toe gaan. Ik heb niet geprobeerd een wetenschappelijke uitleg van deze psalmen te geven, mijn doel is het aanreiken van praktische overdenkingen op de wijs van ieder lied – om te stimuleren, te bemoedigen en te leiden. Wanneer wij ze goed leren zingen, kunnen ze een soort vademecum worden: een reisgids voor de dagelijkse christelijke levenswandel.
Recensies uit de krant
21-1-2009NBD/Biblion
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584