Try it out
Lees hoofdstuk 1
Zvi
 
Boek kaft: Zvi
NU BEN JE EEN MAN

Hij stond bij het raam en keek naar buiten. Hij stond daar lang. Op de binnenplaats zag hij kleine kinderen spelen. De poort, waardoor hij zijn moeder het weeshuis had zien verlaten, leek groter te worden in de vallende avond.
Daar stond hij nu dus, alleen, Henryk Weichert, tien jaar oud.
Waarom was hij hier achtergelaten? – Hij wist het niet. Nog minder begreep dit tengere joodse jongetje iets van de maalstroom van geweld, bloed en tranen waarin heel Europa, en ook hij, werd meegesleurd. – Het Polen waarin hij zonder zorgen was opgegroeid, bestond niet meer. Het zou ook nooit meer zijn zoals het geweest was, dankzij de maniakale waanideeën van Adolf Hitler.
Vóór 1939 was Warschau een stad geweest waar een jongen zorgeloos en blij kon leven. O zeker, er waren wel eens bedekte toespelingen geweest van ouderen en losse opmerkingen zo nu en dan over een mogelijke oorlog, maar dat was allemaal volledig aan zijn kinderlijke wereldje voorbij gegaan. – Maar toen waren de Duitsers gekomen en met hen de waanzinnige wereld van Hitler – óók in Henryks leventje.

Iemand kwam hem halen en bracht hem door een lange gang naar de kamer die hij voortaan zou delen met andere weeskinderen. Bijna aarzelend legde hij de weinige bezittingen die hij had meegenomen in het kastje dat hem was toegewezen. Toen ging hij op zijn slaapbank zitten. Zijn gedachten dwaalden terug naar de laatste chaotische weken, waarin hij tevergeefs probeerde enige zin en orde te ontdekken. Zijn kinderlijke geest was niet in staat de ingrijpende veranderingen een plaats te geven in zijn leven. Veranderingen die een bedreiging zouden vormen voor de wereldorde en de kaart van Europa voorgoed zouden wijzigen.
Maandenlang had Hitler geprobeerd op sluwe wijze zijn werkelijke bedoelingen ten opzichte van Polen te verhullen en zo de Franse en Britse politiek tot passiviteit te verleiden; in elk geval lang genoeg om de annexatie van Polen gewapenderhand te kunnen realiseren.
Op 23 augustus 1939 kondigde de Führer de ondertekening aan van een niet-aanvalsverdrag met Rusland. Een geheime clausule bevatte de verdeling van Polen tussen de oorlogszuchtige machthebbers. De rivieren Wichel, Narew en San zouden de scheiding vormen tussen de bezettingslegers.
In de eerste dagen van september rolden de Duitse pantserdivisies over de Poolse grenzen. Tegelijkertijd haalde de Luftwaffe verwoestend uit naar de Poolse steden. Hoewel het Poolse volk vastbesloten was zich tot het uiterste te verdedigen, moest het buigen voor de Duitse overmacht. Op 9 september stond de 4e Pantserdivisie voor de buitenwijken van Warschau, klaar om de stad binnen te trekken. Een Poolse tegenaanval vertraagde dit moment nog even, maar uiteindelijk moest men zwichten voor de druk van het enorm Duitse oorlogspotentieel en de voortdurende aanvallen van duikbommenwerpers. Op 27 september capituleerde Warschau en elke nog smeulende tegenstand in het land werd in de kiem gesmoord. Polen werd een vazalstaat, uitgezogen door nazi’s en communisten.
Hitlers plan voor Polen voorzag in een opdeling van het land, waarbij een gedeelte zou worden ingelijfd als Duitse provincie en een ander deel, waarin Warschau, Krakau en Lubin waren gelegen, rechtstreeks zou ressorteren onder de Duitse regering. Dit lange-termijnprogramma zou het zwaard van agressie stevig in de rug van de Russische ‘kameraden’ planten (22 juni 1941), in de hoop dat de nazi-utopie zich tenslotte zou uitbreiden tot Moskou en de gebieden daarachter...
Zo was de situatie toen Henryk Weichert op die bewuste morgen thuiskwam. Ondanks de intensieve luchtaanvallen op de stad had de buitenwijk waarin de Weicherts woonden niet zichtbaar geleden. In de laan met z’n vele bomen, waarvan de eerste bladeren begonnen te kleuren, was het opmerkelijk stil. Maar toen Henryk de keuken binnenstapte, vond hij zijn beide ouders in tranen.
‘Wat is er?’ vroeg Henryk.
‘We hebben de oorlog verloren,’ antwoordde zijn vader. ‘De Duitsers zijn opgerukt tot Warschau. Ga maar naar de kamer, ik moet nu even alleen met je moeder praten.’
Henryk ging naar de kamer ernaast waar hij zijn zusje en zijn drie oudere broers aantrof. Er hing iets onheilspellends in de kamer terwijl hij luisterde naar hun gesprekken, gevoerd op gejaagde, soms bezwerende toon. Arthur, de oudste, vertelde wat hij eerder op de dag had gehoord van enkele buren. Tanks, tanks en nog eens tanks, en soldaten, honderden, duizenden, te veel om te tellen, waren Warschau binnengetrokken. Hij had veel doden gezien. En overal was er de angst voor wat er zou gaan gebeuren. Iedereen was op het ergste voorbereid.
Mendel en Ruth Weichert waren rustige, evenwichtige mensen. Hij was meestal kalm en beheerst; iemand die zelden zijn emoties liet blijken. Maar vandaag was daar niets van over. Toen hij probeerde de toestand met zijn kinderen te bespreken, moest hij vaak pauzeren om zijn emoties weer de baas te worden.
‘Ons leven zal nu helemaal veranderen,’ zei hij ernstig. ‘Jullie zullen niet meer kunnen gaan en staan waar en wanneer je wilt. Van nu af aan blijf je dicht bij huis. Als je Duitse soldaten ziet, ga ze dan uit de weg. We kunnen alleen maar hopen dat ze niet zo lang in ons land zullen blijven. Als dat echter wel het geval is, moeten we sterk zijn.’
Op dat moment kon niemand zich nog indenken wat dat ‘sterk zijn’ zou inhouden. Polen en het Poolse volk stonden op de drempel van een lange traumatische nacht, die nauwelijks zijn weerga op onze planeet heeft gekend. Hitlers tot in de finesses uitgewerkte, duivelse plan om Europa te ‘arianiseren’ werd met waanzinnige ijver ten uitvoer gebracht. Ieder die niet paste in het arische model was ten dode opgeschreven.
Het nazi-programma voor de overwonnen Polen trad onmiddellijk in werking, hard en wreed. Duizenden werden zonder vorm van proces geëxecuteerd. Duizenden anderen werden naar Duitsland gestuurd om daar slavenarbeid te verrichten. Weer anderen werden van hun landerijen verdreven om plaats te maken voor nieuw aangevoerde kolonisten uit Duitsland. Boeren, van wie het land onteigend was, en andere ongewenste personen werden gedwongen te gaan wonen in het gebied dat onder direct bestuur van de Duitse regering stond; een gebied dat van het begin af door de Duitsers werd beschouwd als een vergaarbak voor ontheemden. Het gevolg was dat de bevolking van Warschau onrustbarend groeide door de vloedgolf van vluchtelingen die de stad binnenkwamen. En daar was de stad nauwelijks op berekend, gehavend als ze al was door de oorlogshandelingen.
De soldaten werden op de voet gevolgd door de beruchte geheime staatspolitie, de zogenaamde Einsatzgruppe. Haar taak was het opsporen en uit de weg ruimen van personen die ervan verdacht werden vijandig te staan ten opzichte van de idealen van het nationaal socialisme. Spoedig was het land in de ban van vrees en verdachtmakingen, van terreur en een nimmer aflatende angst dat je beste vriend een verrader kon zijn.
Het leven in Warschau kreeg een ander aanzien: het straatbeeld werd beheerst door nors uitziende, in oorlogstenue gestoken soldaten van het Derde Rijk. Het werd al gauw duidelijk dat de zorg voor het naakte bestaan de voornaamste bezigheid zou zijn van de slachtoffers van het nazi-regime.
Berichten over arrestaties en gevangenneming van leidinggevende personen waren aan de orde van de dag. Buren verdwenen plotseling, zonder enig spoor achter te laten. En toen, alsof dit alles nog niet genoeg was, kwam de honger...
De situatie die al erg genoeg was voor de gemiddelde Poolse burger, werd ondraaglijk voor de joodse gemeenschap. Die was gebrandmerkt als zijnde hét doelwit van nazi-haat. De door Hitler uitgezette koers naar de ‘Endlösung’ van het joodse ‘probleem’ doorliep verschillende fases. Allereerst moesten de joden worden geïsoleerd en werden ze blootgesteld aan een lastercampagne. Om duidelijk herkenbaar te zijn, moesten ze speciale armbanden dragen. Hun bewegingsvrijheid werd beperkt, hun persoon en bezittingen werden vogelvrij verklaard. Synagogen werden verwoest en duizenden executies vonden plaats. Joden moesten het doen met kleinere rantsoenen dan hun medeburgers. Winkeliers werden uit hun winkels de straat opgesleurd om daar afgeranseld te worden. Ruiten werden ingegooid en anti-joodse leuzen op de muren gekalkt. Joodse vrouwen en meisjes werden publiekelijk vernederd en vertoonden zich dus zo weinig mogelijk op straat.
Na enkele maanden van dit soort zorgvuldig geplande pesterijen werden de joden gedwongen te verhuizen naar voor hen gereserveerde wijken, de getto’s. Hele straten werden afgesloten en later ommuurd; van nu af aan leefden de joden in een soort gevangenis. Dergelijke getto’s werden het eerst gebouwd in Lodz, mei 1940. Het beruchte getto van Warschau volgde in november van datzelfde jaar. Vaak waren er kleine industriële bedrijven gevestigd ten behoeve van de Duitse oorlogsmachine. Van de bewoners van het getto werd verwacht dat ze hun krachten daaraan gaven, terwijl die langzaam maar zeker werden ondermijnd door voedseltekorten.
De laatste stap van Hitler op zijn weg naar een wereld zonder joden, was de bouw van de vernietigingskampen en de opheffing van de getto’s. Dat moest de ‘terminale’ fase inluiden.. Zes vernietigingskampen verrezen op het grondgebied dat vroeger Polen was. Auschwitz, Belzec, Treblinka en de andere drie kampen verzwolgen de eindeloze rijen joden, uitgespuwd als het ware door de al even eindeloze rijen goederenwagons, om te worden ‘verwerkt’ tot – niets. Alleen al in Treblinka hadden halverwege 1942 meer dan driehonderdduizend joden de enkele reis naar de verbrandingsovens gemaakt.
De vernietiging van de getto’s begon eind 1942. De enclave in Warschau werd onder vuur genomen in april 1943. De belegerde joden, onder wie veel jongens en meisjes, boden heldhaftig tegenstand. Ze slaagden er zelfs in hun ondergang nog zes weken te vertragen. Op 10 mei 1943 kwam er een eind aan de wanhopige strijd – het getto werd verwoest.
Voor de oorlog begon, woonden en werkten er 3.300.000 joden in Polen. Aan het einde van de oorlog waren er drie miljoen vergast.
In deze hel moest ook het gezin Weichert zijn weg zien te vinden, zijn weg om te (over)leven.
De eerste brute inbreuk op hun leven kwam toen een zwartgelaarsde vertegenwoordiger van de nieuwe orde zich meldde met de volgende woorden: ‘Maandagmorgen moet u uw drie oudste zonen afleveren op het station in Warschau. Ze zullen naar Duitsland worden gebracht voor een speciale opleiding, om daarna in een fabriek te gaan werken. U hoeft zich geen zorgen te maken, ze zullen goed behandeld worden. Als de oorlog voorbij is, zult u ze terugzien.’
Er werd geen gelegenheid geboden om vragen te stellen of te protesteren. De autoriteiten hadden beslist. ‘Befehl ist Befehl’. Arthur, Hersh en Jacob zouden moeten gaan werken voor de overweldigers. Een onbestemde vrees voor naderend onheil legde de rest van de week een zware druk op het gezin. Het was alsof ze met alle geweld tevergeefs iets kostbaars wilden vasthouden, dat hun onherroepelijk voorgoed zou worden afgenomen. Ze schenen zich er allemaal van bewust te zijn dat het vertrouwde samenzijn nooit meer zou terugkomen. De toekomst was meer dan ooit een groot vraagteken geworden, waarop niemand enige greep had.

Maandag was een sombere dag. Het was slecht weer, de stemming was gedrukt. Arthur deed nog een zwakke poging om de anderen wat op te monteren. – tevergeefs.
Het station was een en al drukte en beweging. Drommen mensen zochten hun weg van of naar de treinen. Tientallen families, vaak bekenden van de Weicherts, waren voor hetzelfde doel naar het station gekomen. Opgeschoten jongens met hun plunjezakken stonden klaar om in te stappen voor de lange reis naar Duitsland. Tema en Henryk klemden zich aan hun ouders vast terwijl hun broers onder tranen afscheid namen, waarna ze meteen instapten. Toen reed de trein weg...
Het leek Henryk toe alsof hun huis groter was zonder zijn broers; het was zeker een stuk rustiger. Z’n zus en hij waren nu meer op elkaar én op hun buurkinderen aangewezen dan daarvoor. Het duurde niet lang of alle oudere jongens waren verdwenen. Alleen de kleinere jongens bleven over.
In de maanden die volgden werd Mendel hoe langer hoe zwijgzamer. Als de kinderen wat tegen hem zeiden, leek het niet tot hem door te dringen, alsof zijn gedachten even ver weg waren als zijn drie zonen. Als hij ’s avonds thuiskwam, stuurden Ruth en hij de kinderen vaak naar een andere kamer om zelf rustig te kunnen praten. Het duurde soms uren voordat Tema en Henryk weer terug mochten komen. Na deze gesprekken had Ruth meestal een zorgelijke uitdrukking op haar gezicht. De kinderen konden dan zien dat ze gehuild had.
Op een avond was er uitzonderlijk slecht nieuws. Mendel vertelde Ruth dat de geruchten, die al lange tijd de ronde deden, waar bleken te zijn. Alle joodse families zouden overgebracht worden naar een bepaalde wijk in Warschau. De officiële afkondiging zou spoedig volgen.
‘Maar wat gaat er dan met ons huis gebeuren?’ vroeg Ruth bezorgd.
‘Er zullen Duitse soldaten in geïnterneerd worden. Tenminste dat is de bestemming van verreweg de meeste gevorderde joodse huizen.’
‘En de kinderen, Mendel, wat zal er gebeuren met onze kinderen?’ Onbewust sloeg haar stem over; de spanning die ze maandenlang had weten te bedwingen, brak los.
‘Ik heb daar vaak over nagedacht,’ zei haar echtgenoot rustig. ‘Tema moet bij ons blijven. Maar ik zie voor Henryk geen toekomst in het getto. Ik denk dat het het beste is alles te doen om zijn identiteit als jood te verbergen en hem in een weeshuis te plaatsen.’
Ruth was geschokt, maar begreep tegelijkertijd dat dit het beste was.
‘Ik heb gezien wat er met anderen gebeurd is. In het weeshuis zal het altijd nog beter zijn. We wonen in elk geval samen in dezelfde stad. Misschien heeft hij zó nog een kans.’
De beslissing werd genomen. Binnen een paar dagen zou Ruth de jongen naar een tehuis voor weeskinderen brengen.
En zo wandelden een paar dagen later een moeder en haar zoon door de straten van Warschau. Ruth liep langzaam, een koffertje in haar linkerhand. Op de een of andere wenste ze voorbij het weeshuis te kunnen lopen, naar een wereld zonder moeite en dood. Het was echter een dwaze gedachte, want bijna direct zag ze een grimmig, grijs gebouw achter een lage muur voor hen opdoemen. Ruth versnelde haar pas toen ze door de poort liepen, de trap op naar de ingang.
Eenmaal binnen was er een korte kennismaking van beide kanten, waarna de toelatingspapieren werden ingevuld. Hierna vroeg Ruth of ze nog een paar ogenblikken met haar zoon alleen mocht zijn. Ze ging zitten en drukte hem stevig tegen zich aan, zijn gezicht tegen het hare. Haar ene hand hield zijn arm stijf omklemd, met de vingers van haar andere hand streelde ze alsmaar door zijn haren.
Henryk keek zijn moeder aan. Wat hij zag zou zijn leven lang in zijn herinnering blijven, als in steen gebeiteld. Ze leek ineens veel ouder dan een paar dagen geleden. Haar ogen hadden een vreemde, angstige uitdrukking die hij er nooit eerder in had gezien. Toch was ze voor hem nog steeds een mooie vrouw. Klein, blond, en met haar mooi gevormd gezicht was ze voor hem de ideale moeder. Als hij naar haar keek, voelde hij alle geborgenheid, liefde en kracht die een jongetje zich maar wensen kon.
Zij sprak in zorgvuldig gekozen woorden: ‘Henryk, ik wil dat je me iets belooft, iets dat je nooit moet vergeten, wat er ook gebeurt. Zeg nooit, tegen wie ook, dat je een jood bent.’
‘Waarom niet, moeder?’
‘Omdat ze in dit land een hekel hebben aan joden. Let op je woorden. Wees voorzichtig met wat je zegt en vergeet nooit wat ik je heb gezegd. – Jongen, je moet nu leren om sterk te zijn. Van nu af aan ben je niet langer mijn kind – nu ben je een man!’
Hij voelde hoe ze over haar hele lichaam trilde, toen ze hem omhelsde. Een ogenblik later had ze haar zelfbeheersing terug. Ze wachtte even en zei: ‘Nog eens, wees sterk! Ik zal je vaak komen opzoeken.’ Toen draaide ze zich snel om en verliet de kamer. Hij wachtte tot hij haar voetstappen in de lange gang niet meer hoorde en liep naar het raam. Hij zag zijn moeder de binnenplaats oversteken en door de poort verdwijnen...
De komende weken bracht Henryk lange uren door bij het raam, hopend dat zijn moeder zou komen, of liever nog, hem mee zou nemen naar huis om een eind te maken aan deze nachtmerrie. Op feestdagen en tijdens de weekends gingen zijn blikken onderzoekend langs alle gezichten van bezoekers, die kwamen voor hun familieleden, in de vurige hoop dat er iemand bij zou zijn die hij kende. Maar het was steeds hetzelfde: teleurgesteld ging hij terug naar zijn kamer, in de hoop dat zijn moeder de volgende dag zou komen.
Hij kon niet weten dat zijn ouders, en met hen vele andere joodse families, juist in deze dagen de verschrikkingen van de terreur aan den lijve ondergingen.
Recensies uit de krant
19-1-2009NBD/Biblion
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584