Try it out
Lees hoofdstuk 1
Als God bestaat...
 
Boek kaft: Als God bestaat...
Hoofdstuk 1

Als God bestaat

Er zijn vandaag de dag nogal wat mensen die denken dat de bijbelse boodschap over God achterhaald is. Dat is echter een grote misvatting die meestal berust op allerlei vooroordelen en onwetendheid. De Bijbel bewijst juist meer dan ooit zijn betrouwbare betekenis aan de zoekende mens.

Nu kunnen we denken: dat is allemaal prachtig en mooi, maar waarom zal ik zijn inhoud onderzoeken? Het antwoord is: omdat niets ons zo veel te zeggen en te bieden heeft als het boek van God. Zo geeft het antwoorden op de diepste levensvragen. Wie zijn wij? Waarom bestaan we eigenlijk? Waarom is er iets en niet niets en wat is de uiteindelijke zin van alles? Bovendien geeft de Bijbel een realistische hoop op een leven na de dood. Geen gewoon leven maar eeuwig leven, in een werkelijkheid die onze stoutste verwachtingen overtreft.

Toch zijn er ook zaken die voor verwarring en onbegrip zorgen, zoals de vragen over het menselijk lijden. Daar mogen we niet achteloos aan voorbijgaan. Temeer daar zij gebruikt worden als argumenten tegen het bestaan God. Hier zijn de vier bekendste:


• Als God bestaat, waarom is er dan zo veel ellende op de wereld?

• Als God bestaat, waarom heeft Hij de mens dan niet anders gemaakt?

• Als God bestaat, waarom doet Hij dan niets?

• Als God bestaat, waarom laat Hij zich dan niet gewoon zien?


Een interessante vraag die bij dit gegeven om de hoek komt kijken is: Waarom zou God moeten ingrijpen? Is Hij ons iets verschuldigd? Hoe komen atheïsten ertoe om de gebrokenheid in de wereld als een bewijs tegen het bestaan van God te gebruiken? Hun argument moet ergens op gebaseerd zijn. Waarschijnlijk ontlenen zij dit onbewust aan het bijbelse Godsbeeld. Want alleen de Bijbel leert ons nadrukkelijk over Gods almacht en zijn volmaakte liefde. Dit verklaart dus de vier vragen. Want met het beeld van een dergelijke God zou de wereld er heel anders uit moeten zien. Eenvoudig gesteld: Gods almacht + Gods volmaakte liefde = een volmaakte wereld. Aangezien dit niet het geval is, zo wordt geredeneerd, resten er slechts een paar mogelijkheden:


1. God is niet almachtig.

2. Hij is niet volmaakt in zijn liefde.

3. Hij is niet almachtig en niet volmaakt in zijn liefde.

4. Hij bestaat niet.



Maar kunnen wij deze zaken wel zo eenvoudig stellen? De Bijbel is bijzonder rijk aan informatie en God heeft daarin veel te zeggen, ook met betrekking tot de gevoelige en moeilijke vragen. Laten we daarom niet te voorbarig zijn met onze conclusies. Want sommige argumenten lijken wel logisch, maar zijn ze dat ook?


Gideon


Wij zijn niet de enige mensen die zo hun vragen hebben over het niet ingrijpen van God. De Bijbel kent diverse personen die hier ook mee zaten.
Een daarvan was Gideon, de zoon van Joas. Zijn geschiedenis is te lezen in het boek Richteren. Hoewel zijn precieze optreden niet vaststaat, is de periode rond 1200 v. Chr. een aannemelijk tijdvak. In deze tijd kende Israël geen centraal geleid bestuur. De twaalf stammen van dit voormalige nomadenvolk handelden vaak onafhankelijk van elkaar. Hun eenheid bestond slechts hierin, dat zij God de Heer zouden dienen. Israël was dus een theocratie, een land met God als koning. De grondwet van dit land was een verbond met deze God.

Tijdens de roeping van Gideon bevond Israël zich in een zeer moeilijke situatie. Het land was zeven jaar lang geplunderd en uitgebuit door de Midjanieten. Zij vormden samen met de Amelekieten en andere stammen uit het Oosten een bondgenootschap. Hun aantal was zo groot dat de schrijver van het boek Richteren hen vergeleek met een sprinkhanenplaag. Deze vergelijking betrof overigens niet alleen het aantal, maar ook het gedrag van deze allesvernietigende kaalvreters. De Israëlieten werden door deze stammen zo onderdrukt, dat velen hun toevlucht zochten in grotten en holen. Ze kozen hun schuilplaatsen bij voorkeur op moeilijk bereikbare plekken, zoals die van het ruige bergland, waar ze ook hun schaars verkregen voedsel verstopten. Naast al deze ontberingen leefde men onder een voortdurend juk van angst.

Het is in deze benauwde situatie dat de Engel des Heren op een dag aan Gideon verschijnt. Hij begroet hem met de woorden:


De Here is met u, gij dappere held. (Richteren 6:12)


Let op de verbaasde reactie van Gideon:


Och, mijn heer, indien de HERE met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? Waar zijn dan al zijn wonderen, waarvan onze vaderen ons vertelden, als zij zeiden: Heeft de HERE ons niet uit Egypte gevoerd? Maar nu heeft de HERE ons verstoten en ons prijsgegeven aan de greep van Midjan. (vers 13)


Gideon redeneert hier op dezelfde wijze als veel mensen in onze dagen. Als God met hen is, hoe komen ze dan in deze benarde situatie terecht? Is Hij wel almachtig, en zo ja, hoe verhoudt zich dit dan tot hun omstandigheden?
Hoe kan God dergelijke dingen toelaten? ‘Kijk om u heen,’ zegt Gideon als het ware tegen de engel, ‘is het niet duidelijk? Hij heeft ons verstoten!’ Maar de engel gaat niet met Gideon in discussie. Onverstoorbaar geeft hij de zoon van Joas niet alleen zijn instructies maar tevens de belofte dat hij Midjan volkomen zal verslaan, als betrof dit volk één man.

Uit de geschiedenis blijkt dat God zijn volk inderdaad op bijzondere wijze verlost, waardoor de ‘waarom-vraag’ opnieuw, maar nu meer prangend, in beeld komt:


…waarom is dit alles ons dan overkomen?


Waarom heeft de Heer hen zeven jaar in ellende laten zitten? Zijn almacht bleek immers opnieuw toen Hij een niet te tellen legermacht door slechts driehonderd man versloeg. Waarom nu pas? Waarom greep God niet eerder in?
Voor antwoorden op dit soort vragen moeten we altijd terug naar de Bijbel. Dit boek bevat namelijk de beste antwoorden op de vragen die hij zelf oproept. In het geval van de jonge richter ging het om afspraken ten aanzien van het ‘zegen en vloek-verbond’. We weten niet zeker of Gideon hiervan op de hoogte was, maar zijn mogelijke onwetendheid was geen excuus. Daardoor werd het verbond niet minder geldig. Het hief Gods geboden en de daaraan verbonden consequenties niet op.
Het verbond van zegen en vloek kunnen we vinden in Deuteronomium 28. De Heer belooft aan Israël buitengewone zegeningen bij het nakomen van deze heilige overeenkomst. Veronachtzaming van deze afspraken brengt het volk echter onder een aantal vervloekingen. De reden voor deze harde straffen wordt duidelijk als we naar de heilsgeschiedenis kijken. Israël was namelijk het instrument waarmee God zijn uiteindelijke verlossingsplan zou realiseren. Uit dit volk zou de Verlosser van de wereld voortkomen. Het volk moest vanwege dit komende heil een eenheid blijven, zowel etnisch als geestelijk.
Vandaar de zware straffen op vermenging met andere volken en verwerping van het geloof. Vanwege Israëls hoofdrol in dit plan, was God niet alleen genoodzaakt deze afspraken te maken, maar ook om ze te bewaken. Gehoorzaamheid aan het verbond was essentieel om hen niet in de omliggende volken te laten opgaan. Kon het niet goedschiks, dan maar kwaadschiks. Het doel, redding van de mensheid, heiligde hier letterlijk het middel.
Het was dan ook dit middel dat God toepaste ten tijde van Gideon. De reden daarvan vinden we aan het begin van hoofdstuk 6 in het boek Richteren. We lezen daar:


Maar de Israëlieten deden wat kwaad is in de ogen des HEREN; daarom gaf de HERE hen over in de macht van Midjan gedurende zeven jaar, waarin Midjan de overhand had over Israël. (Richteren 6:1,2a)


Het verbond van Deuteronomium 28 was geschonden. God gaf hen daarop over in de macht van een ander volk. In de verzen 33 en 47 van dit hoofdstuk lezen we:


Een volk, dat gij niet kent, zal de vrucht van uw bodem eten en alles waarvoor gij gezwoegd hebt; bij voortduring zult gij slechts verdrukt en vertrapt worden. Gij zult waanzinnig worden vanwege het schouwspel, dat uw ogen zullen zien.(33)


Omdat gij de HERE, uw God, niet met vreugde en blijdschap gediend hebt vanwege al uw overvloed, zult gij de vijanden, die de HERE tegen u zal doen optrekken, dienen, onder honger en dorst, in naaktheid en met gebrek aan alles; Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelgd heeft. (47)


Gideon moest leren wat Jesaja zo¹n vierhonderd jaar later namens God zou verkondigen:

Zie, de hand des HEREN is niet te kort om te verlossen, en zijn oor niet te onmachtig om te horen; maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort. (Jesaja 59:1,2)


We leren uit deze geschiedenis een belangrijke les. Gods almacht en volmaakte liefde zijn blijkbaar niet de enige factoren die een rol spelen in de vorming van een menselijke samenleving. Sinds de zondeval van de mens gaat het vooral om het al dan niet gehoorzamen van Gods leefregels. De mens is namelijk geen passief element in de wereld die speciaal voor hem ontworpen is. Integendeel, hij heeft een eigen verantwoordelijkheid en de daarbij behorende bevoegdheid. Verkeerd gebruik daarvan heeft onherroepelijke consequenties, zowel voor hemzelf als voor zijn medemens.


De verwarring van Asaf


Een andere oudtestamentische persoon die moeite had met Gods handelwijze, was de dichter Asaf. Deze priester was een tijdgenoot van David, die leefde in de tiende eeuw v. Chr. Evenals deze bekende koning kende hij de nodige geloofsvragen en net als David verwerkte hij deze in zijn liederen.
In Psalm 73 kunnen we lezen hoe deze vrome Leviet zo zijn moeite had met betrekking tot de voorspoed van de goddelozen. Vragen die bovendien nog werden versterkt door zijn eigen moeite. Net als Gideon zag hij een grote ongerijmdheid. In zijn geval ging het om een ogenschijnlijk onrechtvaardig verschil tussen de vromen en de goddelozen. Asafs emotie liep daarbij zo hoog op dat hij zijn geloof bijna vaarwel zei. Hij verwoordde dit moment als volgt:


Maar mij aangaande, bijkans waren mijn voeten afgeweken, bijna waren mijn schreden uitgegleden. (Psalm 73:2)


Dit uitglijden had niets te maken met een gemorst plasje olijfolie of wat druiven. Het was figuurlijk bedoeld. Asaf zei feitelijk: ‘Het scheelde niet veel of ik was geestelijk gevallen.’ De apostel Paulus gebruikte dit beeld eveneens met het oog op het kwijtraken van het geloof. In 1 Korintiërs 10:12 schreef hij aan de Korintiërs: Daarom, wie meent te staan (wie gelooft), zie toe, dat hij niet valle. Ook de Heer gebruikte dit geestelijke beeld, zoals blijkt bij de uitleg van de gelijkenis van de zaaier (Matteüs 13:20,21).
Asaf maakte van zijn hart geen moordkuil. Eerlijk schreef hij dat het zijn jaloezie was die hem bijna deed ‘uitglijden’. Hij was jaloers op de welvaart van de goddelozen. In de verzen 4 tot en met 12 krijgen we een opsomming van hun voorspoed. Dan komt hij in vers 13 met woorden van zelfmedelijden. Hij heeft God trouw gediend, maar ondanks dat wordt hij de hele dag geplaagd. Hij gaat hier niet verder op in, dus wij weten niet wat dat ‘geplaagd worden’ inhoudt. Wel weten we dat dit alles hem intens aangreep.
Deze gelovige is er daarom voortdurend mee bezig en het wordt een ware kwelling. Zij die God niet dienen gaat het voor de wind. Ze hebben zelfs een grote mond naar God, zo blijkt uit vers 11, maar God reageert er niet op. En hijzelf, hij voelt zich bekocht door God. In vers 13 klinkt:


Maar tevergeefs heb ik mijn hart rein gehouden, mijn handen in onschuld gewassen.


Asaf redeneert hier duidelijk volgens een bekend gezegde ‘Voor wat hoort wat’. Maar het tegenovergestelde blijkt het geval. Hij komt daardoor tot de ons bekende vraag: ‘Als God bestaat, waarom doet Hij dan niets? God is immers almachtig, rechtvaardig en liefdevol, waarom zie ik dit niet terug in het hier en nu?’

Gelukkig voor Asaf blijft het niet bij deze vraag. Er treedt een verandering op in zijn zienswijze. Deze verandering doet zich voor vanaf vers 17. Tot dan toe was alles een kwelling. Een donkere wolk van onbegrip vulde zijn hoofd en hart. Maar bij het ingaan van Gods heiligdommen vindt er een verandering plaats. Daar in Gods tegenwoordigheid is de openbaring. Daar zijn de woorden van God die meer kennis geven en een groter perspectief tonen. Asaf zag de hele werkelijkheid slechts binnen het enge tijdsbestek van zijn geboorte en dood. In Gods heiligdommen ontdekt hij dat dit veel te kortzichtig is. In vers 25 en 26 leidt zijn vernieuwde inzicht tot deze conclusie:


Wie heb ik (nevens U) in de hemel? Nevens U begeer ik niets op aarde; al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken, mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig.


Met hen die God niet dienen en die het momenteel voor de wind gaat, loopt het minder goed af. De dichter zegt in vers 27 onder inspiratie van de heilige Geest:


Want zie, wie verre van U zijn, gaan te gronde, Gij verdelgt al wie overspelig U verlaat...


Asaf mocht door genade inzicht krijgen in een grotere werkelijkheid. Een hemels perspectief dat door het drukke bestaan weleens uit het oog kan worden verloren. Maar zover mag het niet komen, want onze uiteindelijke bestemming ligt niet in deze wereld.
Het is dit inzicht in een leven na de dood, dat de Here Jezus duizend jaar later door middel van een ernstige waarschuwing nog eens onder onze aandacht brengt. Hij doet dat door middel van de gelijkenis over Œde rijke man en de arme Lazarus¹. De Heer leert ons het volgende:


En er was een rijk man, die gekleed ging in purper en fijn linnen en elke dag schitterend feest hield. En er was een bedelaar, Lazarus genaamd, vol zweren, nedergelegd bij zijn voorportaal, die verlangde zijn honger te stillen met wat van de tafel van de rijke afviel; zelfs kwamen de honden zijn zweren likken. Het geschiedde, dat de arme stierf en door de engelen gedragen werd in Abrahams schoot. Ook de rijke stierf en hij werd begraven. En toen hij in het dodenrijk zijn ogen opensloeg onder de pijnigingen, zag hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot. En hij riep en zeide: Vader Abraham, heb medelijden met mij en zend Lazarus, opdat hij de top van zijn vinger in water dope en mijn tong verkoele, want ik lijd pijn in deze vlam. Maar Abraham zeide: Kind, herinner u, hoe gij het goede tijdens uw leven hebt ontvangen en insgelijks Lazarus het kwade; nu wordt hij hier vertroost en gij lijdt pijn. En bij dit alles, er is tussen ons en u een onoverkomelijke kloof, opdat zij, die vanhier tot u zouden willen gaan, dit niet zouden kunnen, en zij vandaar niet aan onze kant zouden kunnen komen. Doch hij zeide: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader zendt, want ik heb vijf broeders. Laat hij hen dan ernstig waarschuwen, dat ook zij niet in deze plaats der pijniging komen. Maar Abraham zeide: Zij hebben Mozes en de profeten, naar hen moeten zij luisteren. Doch hij zeide: Neen, vader Abraham, maar indien iemand van de doden tot hen komt, zullen zij zich bekeren. Doch hij zeide tot hem: Indien zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij ook, indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen. (Lucas 16:19-31)


Voor sommigen is het misschien maar moeilijk voor te stellen dat er naast onze vertrouwde wereld nog een geestelijke werkelijkheid bestaat. Maar de Bijbel is hier heel duidelijk over. Dat zien we ook in deze gelijkenis.
Hoewel we niet alle beelden letterlijk moeten nemen, bevat de metafoor reële waarheden en ernstige waarschuwingen.
De Heer leert ons hier duidelijk dat de dood niet de laatste ervaring van de mens is. De Bijbel zegt dan ook dat het de mens gegeven is eenmaal te sterven, waarna het oordeel volgt. We moeten deze belangrijke waarheid steeds in ogenschouw nemen bij de beoordeling van Gods handelen. We komen hier later nog op terug. Het oordeel bewerkt een absolute scheiding. Aan welke kant van deze scheiding wij ons straks zullen bevinden, wordt bepaald door onze respons op de openbaringen van God. Zoals Jezus Abraham laat zeggen:


Zij hebben Mozes en de profeten, naar hen moeten zij luisteren.


De Bijbel leert ons dus dat wij het al dan niet handelen van God in het licht van de eeuwigheid moeten zien. Tevens leert hij dat de mens een belangrijke rol speelt bij dat handelen. Gods volmaakte almacht en zijn volmaakte liefde zijn, zoals we al zagen, niet de enige factoren die de leefbaarheid van onze samenleving bepalen. Het is bovenal de mens zelf en de mate van zijn respons op Gods leefregels, die dat doen. Waarom God zo'n belangrijke rol en vrijheid aan de mens toekent, zullen we in het volgende hoofdstuk behandelen.
Recensies uit de krant
1-7-2008Opwekking
1-10-2008De Band
3-12-2008de Christenvrouw
19-1-2009Uitdaging
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584