Try it out
Lees hoofdstuk 1
Vuur uit de hemel
 
Boek kaft: Vuur uit de hemel

Proloog

Acht jaar geleden

‘Het begint weer, Bill.’
‘Alweer? Wanneer we even de andere kant op kijken, steekt er weer iets anders de kop op.’
Ze negeerde de voorganger. ‘Ik heb weer een visioen gehad.’
Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn.
‘Ben je weer aan het wandelen geslagen?’
‘Nee, maar ik bid wel. En ik wil dat je met me meedoet.’
‘Wat voor visioen was het?’
Helen zweeg even. ‘Dat weet ik niet precies.’
‘Je hebt dus een visioen gehad, maar je weet niet precies wat het was?’
‘Er staat iets verschrikkelijks te gebeuren en op de een of andere manier hangt de uitkomst van mij af. Van ons.’
‘Van ons? Kan God dit dan niet alleen af?’
‘Doe alsjeblieft niet zo helder, zeg. Ik ben te oud voor spelletjes.’
‘Vergeef me.’ Hij zuchtte luidruchtig. ‘Ik weet niet of ik al puf heb voor een volgende ronde, Helen.’
‘Ik denk dat niemand dat deze keer is.’ Haar stem beefde een beetje. ‘Hij die getrouw is in weinig, zal veel toevertrouwd worden. Maar ik heb het gevoel dat dit een beetje te veel is. En eerlijk gezegd ben ik ook een beetje bang.’
Het was weer stil aan de andere kant van de lijn.
‘Wie is het?’, vroeg Bill ten slotte.
‘Tanya’, zei Helen.

1

Degenen die het kunnen weten, noemen dat deel van de jungle niet voor niets het hellegat van de schepping. En ze noemen de indianen die daar leven om zelfs nog betere redenen de kwaadaardigste mensen op aarde. En dat is de reden dat niemand erheen wil. De reden dat niemand erheen gaat. De reden dat degenen die het toch doen, er zelden levend vandaan komen. En dat is ook de reden dat het Amerikaanse meisje dat door de jungle rende, daar niets te zoeken had. In elk geval volgens degenen die het kunnen weten.
Tanya Vandervan kwam zwaar hijgend tot stilstand op een schoongekapt heuveltje en probeerde weer op adem te komen. Het grootste deel van de afstand vanaf de zendingspost van haar ouders had ze rennend afgelegd. De post lag bijna twee kilometer achter haar verborgen achter de bomen en in deze hitte was rennen geen eenvoudige opgave.
Ze stond stil en haar borst ging op en neer. Haar handen had ze in haar zij geplant en haar diepblauwe ogen sprankelden als saffieren tussen lang blond haar door. De robuuste bergschoenen die ze droeg, gingen over in goed gedefinieerde kuiten. Vandaag droeg ze een korte spijkerbroek en een rood hemdshirt dat goed afstak tegen haar gebruinde huid.
Ze hijgde nog steeds flink, maar nu door haar neus. Ze sloeg haar ogen op naar het schreeuwerige geroep van de rood met blauwe ara’s die in de bomen links van haar zaten. Vanaf de grond rezen lange stammen op naar het groene bladerdak boven haar, als Griekse zuilen die de verwarde groene massa ondersteunden. Vanuit het bladerdak hingen lianen naar beneden. Tanya zag een brulaap aan één arm tussen de takken door slingeren, waardoor de ara’s protesterend opvlogen. Ze glimlachte toen het bruine zoogdier een fragiele arm uitstak en een paarse passievrucht van een slingerplant plukte, voor hij zich weer terugtrok in de takken boven haar.
Plotseling echode er een geweerschot door de vallei en ze keerde zich met een ruk om naar de plantage. Shannon!
Een beeld van hem vulde Tanya’s gedachten en ze rende het heuveltje af, waardoor haar hart weer hevig begon te bonken.
Aan haar rechterkant raakte de open plek de heuvels die oprezen tegen een zwart klif, die ruim anderhalve kilometer ten noorden van de plantage uit de groene massa opdoemde. Het grote, twee verdiepingen tellende huis van de familie Richterson stond onbeweeglijk in de zinderende middagzon, een witte vlek in een groene zee.
Links van Tanya was zo’n twintig hectare van de plantage beplant met het exotische natuurproduct van de plantage: Cavash koffiebonen, door de kenners aangemerkt als de lekkerste koffie ter wereld. Shannon zou daar ergens aan het werk kunnen zijn, maar dat betwijfelde ze. Hij had zich nooit zo geïnteresseerd voor de boerderij van zijn vader. Zijn vader, Jergen, was Denemarken ontvlucht en had hier een leven opgebouwd vanwege zijn haat voor het Westen. Het Westen vertrapt de ziel van deze aarde, zei hij dan met zijn donderende stem. Met Washington voorop. Vandaag of morgen wordt Amerika wakker in een veranderde wereld. Iemand zal hun een lesje leren en misschien dat ze dan zullen luisteren. Maar dat waren maar woorden. Jergen was een koffieboer en geen revolutionair.
Af en toe kauwde Shannon zijn vaders retoriek na, maar uiteindelijk was het zijn liefde die hem in beweging hield en niet haat. Liefde voor de jungle.
En liefde voor Tanya.
Weer donderde het geweervuur door de vallei. Tanya glimlachte, sloeg af naar links en sprintte om de aanplant heen naar de schietbaan.
Tanya zag hen toen ze om de laatste koffiestruik heen rende – drie blonde Scandinavische hoofden die zich met hun rug naar haar gekeerd over een geweer bogen. Shannons vader, Jergen, stond aan de linkerkant, gekleed in kakigroen. De oom die op bezoek was, Christian, stond rechtop en leek precies op zijn broer.
De jongeman met ontblote borst, die tussen hen in stond, was Shannon.
Tanya’s hart maakte een sprongetje. Ze vertraagde tot een wandelpas en zorgde ervoor geen geluid te maken.
Shannon was lang voor zijn achttien jaar, ruim over de één meter tachtig en voorzien van spieren die elke dag groter leken te worden. De ontelbare uren in de zon hadden ervoor gezorgd dat zijn lange blonde haar lichter was geworden en zijn huid donkerder. Ze plaagde hem vaak door hem aan te raden eens een kam te gaan kopen, maar in werkelijkheid hield ze van de manier waarop die losse plukken langs zijn hals en over die heldere, smaragdgroene ogen vielen. Dat betekende dat ze met haar vingers zijn haar opzij kon vegen en ze vond het prettig op die manier zijn gezicht aan te raken. Zijn borstspieren liepen van zijn wasbordje naar zijn brede schouders. Vandaag droeg hij alleen maar een korte zwarte broek – geen schoenen voor deze man.
Tanya glimlachte bij de gedachte dat ze op die schouders rondgedragen zou worden, de berg af, terwijl Shannon bleef volhouden dat ze zo licht als een veertje was.
Zijn zorgeloze stemgeluid dreef naar haar toe. ‘Ja, de kalasjnikov is tot op een paar honderd meter loepzuiver. Maar het is niks voor de lange afstand. Ik heb liever de Browning Eclipse’, zei hij terwijl hij naar een ander geweer wees, dat op de grond lag. ‘Die is nog zuiver tot duizend meter.’
‘Duizend?’, zei zijn oom. ‘Kun je vanaf die afstand nog een doelwit raken?’
Shannons vader zei zacht: ‘Hij raakt een kwartje op achthonderd meter. Hij is een geboren kampioen, zeker weten. In de States zou hij alles in zijn klasse winnen.’
Tanya stond twintig passen achter de drie mannen stil en sloeg haar armen over elkaar. In al hun mannelijke opschepperij hadden ze niet door dat ze hen vanuit het struikgewas observeerde. Ze zou eens kijken hoelang een vrouw achter hen kon blijven staan zonder te worden opgemerkt. En als ze haar wel zouden zien, zou dat vrijwel zeker door Shannon komen. Maar ze stond benedenwinds, dus hij zou vandaag haar geur niet zo snel opmerken. Ze glimlachte en probeerde niet te hijgen.
‘Laat het hem eens zien, Shannon’, zei zijn vader terwijl hij hem het geweer toestak.
‘Hoe moet ik dat doen dan?’ Shannon nam het geweer aan. ‘De doelwitten staan hier maar tweehonderd meter vandaan.’
Jergen keek langs zijn broer heen naar de andere kant van de plantage. ‘Ja, maar de schuur staat een behoorlijk eind weg. Hoe ver denk je dat dat is, Christian?’
Ze keken alle drie naar het verderweg gelegen bouwsel, dat aan de rand van het hoog oprijzende bos stond. ‘Dat moet zeker duizend meter zijn. Misschien zelfs meer.’
‘Twaalfhonderd’, zei Jergen, die nog steeds naar de kleine schuur keek. ‘En zie je dat windvaantje op de nok?’
Christian pakte zijn verrekijker van zijn borst en tuurde in noordelijke richting. ‘Die haan? Je kunt moeilijk verwachten dat Shannon dat ding vanaf deze afstand raakt.’
‘Nee, niet de haan, Christian. Alleen de kop.’
‘Onmogelijk.’ Hij liet de verrekijker zakken. ‘Echt niet. Zelfs de beste scherpschutter ter wereld zou nog moeite hebben om daar een kogel doorheen te jagen.’
‘Een kogel? Wie zei er iets over één kogel? Die haan zit al jaren vastgeroest. Ik zou er zelfs geld op durven zetten dat die jongen vanaf deze afstand drie kogels door z’n kop kan jagen.’
Shannon staarde stoïcijns naar het ver weg gelegen doelwit. Tanya wist natuurlijk dat hij kon schieten. Hij was goed in alles wat met jagen of met sport te maken had. Maar ze moest echt haar best doen om de kop van die haan te kunnen zien. Geen denken aan dat welke scherpschutter dan ook aan deze kant van Jupiter, laat staan Shannon, een doelwit kon raken dat zo ver verwijderd was.
De drie mannen stonden met hun gezicht van haar afgekeerd en hadden nog steeds niet in de gaten dat ze toekeek.
Plotseling keek Shannon over zijn schouder, glimlachte en knipoogde naar haar.
Ze glimlachte en knipoogde terug. Heel even hechtten hun blikken zich aan elkaar en toen keek Shannon weer naar de haan. Tanya deed een stap dichterbij en slikte.
‘Laat het hem maar zien, Shannon’, zei Jergen, die nog steeds zijn verrekijker voor zijn ogen hield.
Shannon verdraaide het geweer iets, greep de grendel en laadde het wapen door in één vloeiende beweging. Katsjink!
Hij liet zich op één knie zakken en zette het geweer tegen zijn schouder, waarbij hij zijn oog tegen het vizier drukte. Zijn gebruinde wang drukte tegen de houten kolf. Tanya bleef doorademen, maar dan ook maar net. Het leek of de luchtmoleculen waren opgehouden te bewegen.
Plotseling het eerste schot. Krakk! Tanya schrok.
Shannon schokte door de terugslag, laadde door – Katsjink – richtte kort en haalde de trekker nogmaals over. En toen een derde, zo snel na de andere, dat de kogels elkaar achterna joegen in de richting van het doelwit. De schoten echoden door de vallei. Vader en oom stonden als standbeelden door hun verrekijkers te staren, als generaals op het slagveld. Zonder zijn geweer te laten zakken, keek Shannon opzij en doorboorde Tanya met zijn herdergroene ogen. Zijn gezicht werd in tweeën gespleten door een brede glimlach. Hij knipoogde nogmaals en stond op.
Zijn oom gromde. ‘Niet te geloven! Het is hem gelukt! Het is hem echt gelukt!’
Tanya liep naar hem toe en legde een hand op zijn arm. De wind tilde zijn schouderlange haar op en ze zag het dunne filmpje zweet dat zijn hals en borst bedekte. Hij boog zich voorover en kuste haar lichtjes op haar voorhoofd.
Tanya pakte zijn hand en trok hem mee, terwijl zijn vader en oom nog steeds door hun verrekijker stonden te turen. ‘Laten we gaan zwemmen’, fluisterde ze.
Hij zette het geweer in een standaard en ging achter haar aan.
Met tien stappen had hij haar ingehaald en samen verdwenen ze lachend tussen de bomen. De luidruchtige roep van een troep brulapen galmde als een aanzwellende poolstorm door het bladerdak.
‘Weet je wat de inheemsen zeggen?’, zei Shannon, die vertraagde tot een wandelpas.
‘Nou?’, vroeg ze hijgend.
‘Dat als je je in de jungle beweegt, ze je zien. Behalve als ze zich benedenwinds bevinden. In dat geval zien ze je ook, maar dan met hun neus. Zoals ik je daar achter ons weg zag kruipen.’
‘Je kunt me nooit hebben geroken!’ Ze draaide zich om en ging voor hem op het pad staan.
Hij hield halt en deed net alsof hij de takken naast het pad bestudeerde. Maar ze zag de glinstering in zijn smaragdgroene ogen.
Haar hart ging open. Ze greep zijn hoofd, trok hem tegen haar lippen aan en kuste hem innig. De warmte van zijn blote borst rees op naar haar hals. Ze liet hem los en staarde hem spottend aan.
‘Ik had de wind vol in mijn gezicht! Je had me op geen enkele manier kunnen ruiken. Geef het maar toe. Je wist pas dat ik achter je stond toen je je omdraaide!’
Hij haalde zijn schouders op en knipoogde. ‘Als je dat per se wilt.’
Ze hield hem vast en wilde hem nogmaals kussen, maar aarzelde even. ‘Goed, dat lijkt er al meer op’, zei ze glimlachend, waarna ze weer verder liepen.
‘De kalasjnikov’, zei Shannon.
‘Wat?’
‘De kalasjnikov’, herhaalde hij lichtjes grinnikend. ‘Daar praatte ik over toen jij ons van achteren naderde.’
Ze stopte nogmaals op het pad, terwijl ze zich dat gesprek weer voor de geest haalde. ‘Kom op, pummel.’ Ze grijnsde speels. ‘Probeer maar eens eerder bij de poel te zijn.’
Ze rende langs hem heen het pad uit en zette elke voet op de vlakst mogelijke plek neer, zoals hij haar had geleerd. Hij had haar gemakkelijk kunnen inhalen. Hij had waarschijnlijk zelfs tussen de bomen door kunnen rennen en dan nog steeds eerder de poel kunnen bereiken dan zij. Maar hij bleef achter haar, hijgde haar in haar nek, dreef haar zwijgend tot het uiterste. Het pad slingerde al snel dicht, schaduwrijk struikgewas in, waar het altijd vochtig was, waardoor ze af en toe over een plas heen moest stappen. Er groeiden dikke wortels over het modderige pad.
Ze sloeg af naar een smaller pad, amper zichtbaar tussen het groen. Het geluid van naar beneden stortend water werd steeds sterker en er flitste een vervelende gedachte door haar hoofd: Shannon die bij de zwarte kliffen naast de waterval stond, nu al meer dan een jaar geleden. Hij had zijn armen uitgespreid en zijn ogen gesloten, en hij luisterde naar het gemompel van een medicijnman, voordat de oude Sula was gestorven.
‘Shannon!’, had ze uitgeroepen.
Hun beider ogen schoten tegelijkertijd open – die van Shannon helder groen, die van Sula doordringend zwart. Shannon glimlachte. Sula staarde haar kwaad aan.
‘Wat ben je aan het doen?’, had ze gevraagd.
In eerste instantie reageerde geen van tweeën. En toen verscheen er een minachtende lach op het gezicht van de oude man. ‘We praten met de geesten, bloem van het woud.’
‘Geesten.’ Ze wierp Shannon een boze blik toe. ‘En met welke geesten praat je dan wel niet?’ ‘Hoe heet ik?’, vroeg de oude medicijnman.
‘Sula.’
‘En waar komt mijn naam vandaan?’
Ze aarzelde. ‘Ik weet niet of dat me wel interesseert.’
‘Sula is de naam van de god van de dood’, zei de oude man tussen zijn grijnzende tanden door. Hij wachtte, alsof ze daar bang van zou moeten worden. ‘Sula is de machtigste geest ter wereld. Alle heksen vóór mij namen zijn macht en zijn naam aan. Ik ook. Dat is de reden dat ik Sula heet.’
Shannon deed een stap opzij en bekeek de man met een mengeling van interesse en geamuseerdheid. Daarna keek hij naar Tanya en knipoogde.
‘Jij mag dat dan grappig vinden,’ beet ze Shannon toe, ‘maar ik niet!’ Ze keek de medicijnman aan en onderdrukte de drang om een steen te pakken en die naar zijn hoofd te slingeren.
Zijn ogen hadden zich vernauwd tot spleetjes en hij was eenvoudigweg de jungle in geglipt. Ze had het nooit aan haar vader verteld en dat was maar beter ook, want hij zou gegarandeerd hels zijn geweest. De Yanamamo-stam stond niet voor niets bekend als ‘de Kwaadaardigen’ – ze waren waarschijnlijk het meest gewelddadige volk ter wereld. En de bron van hun obsessie met de dood was duidelijk geestelijk. Dat zei haar vader tenminste en ze geloofde hem op zijn woord.
Een maand na die gebeurtenis was Sula gestorven en daarmee verdween ook Shannons interesse voor zijn krachten. Na drie dagen te hebben gehuild, had de stam hem begraven in de verboden grot. Niemand van de stam had nog de moed bij elkaar weten te schrapen om de nieuwe Sula te worden. Om de geest van de dood aan te nemen. Om Satan zelf aan te nemen, zoals haar vader het noemde. De stam had het ondertussen een jaar zonder medicijnman moeten doen en wat Tanya en haar ouders betrof, was dat een positieve ontwikkeling.
Tanya schudde de gedachte van zich af. Dat lag achter hen. Shannon was weer de oude. Hij zat haar nog steeds op de hielen en Tanya rende de jungle uit en stopte bij de rand van het klif, vanwaar ze uitzicht had over een waterval die zeven meter lager in een diepblauwe poel stortte. Hun poel.
Ze draaide zich hijgend om. Zijn lichaam vloog langs haar heen, uitgestrekt en horizontaal, waarna het over de rand van het klif zeilde. Ze hapte naar adem en zag hem duiken voor hij zelfs maar het water kon zien. Als hij ook maar een klein beetje verkeerd sprong, zou hij elk botje in zijn lijf breken op de rotsen beneden. Haar hart zat in haar keel.
Maar hij sprong niet verkeerd. Zijn lichaam doorsneed bijna geluidloos het wateroppervlak en verdween. Hij bleef best lang onder water en toen dook hij weer op, waarbij hij zijn lange lokken met een snelle achterwaartse beweging van zijn hoofd naar achteren gooide.
Zonder iets te zeggen, spreidde Tanya haar armen en liet zich naar hem toe vallen. Ze brak door het wateroppervlak heen en voelde de welkome koelte van het bergwater langs haar benen stromen.
Op dat moment, toen ze naar de diepte van de poel zonk, had ze het gevoel dat ze het paradijs had betreden. Haar God had haar uitgekozen, haar op jonge leeftijd uit de voorsteden van Detroit geplukt en haar in een junglehemel geplant, waar al haar dromen zouden uitkomen.
Ze kwam naast Shannon weer boven water. Hij kuste haar terwijl ze nog steeds naar adem aan het happen was en toen zwommen ze naar een door de zon beschenen rotsblok aan de andere kant. Ze zag hoe hij zich zonder enige moeite uit het water hees en met zijn gezicht naar haar toegekeerd op de rand van het rotsblok ging zitten. Zijn benen bungelden in de poel. Tanya bereikte de plek waar hij zat en trok zichzelf op aan zijn knieën.
Plotseling strekte hij zijn armen uit en tilde haar uit het water.
Tanya lachte en viel voorover, waardoor hij achteroverkiepte. Hij legde zijn handen onder zijn hoofd en bleef op het warme rotsblok liggen. De zon glinsterde door kleine waterdruppels op zijn borst. Ze ging naast hem liggen, steunde op een elleboog en volgde met haar vinger de druppels.
Ze kon zich niets heerlijkers voorstellen dan Shannon. Deze adembenemende creatie waar ze stapelverliefd op was. Ze was ervan overtuigd dat hij de reden was dat God haar zeven jaar geleden naar de jungle had gebracht. Om de man te vinden waarmee ze de rest van haar leven zou delen. Om op zekere dag met hem te trouwen en hem zonen te baren. Hij slikte en ze zag zijn adamsappel op en neer gaan.
‘Ik hou van je, Tanya’, zei Shannon.
Ze kuste hem op zijn wang. Hij trok haar naar beneden en kuste haar op haar lippen. ‘Ik vind…’ Hij kuste haar nogmaals. ‘Ik denk echt dat ik ongelofelijk veel van je houd’, zei hij.
‘Voor altijd?’, vroeg ze.
‘Voor altijd.’
‘Tot de dood ons scheidt?’
‘Tot de dood ons scheidt’, antwoordde hij.
‘Zweer het.’
‘Ik zweer het.’
Tanya kuste hem zachtjes op zijn neus.
‘En ik hou van jou, Shannon’, zei ze.
En dat was ook zo. Ze hield met elke vezel van haar lichaam van deze jongen. Deze man.
Inderdaad, dacht ze. Dit was het paradijs.
Het was de laatste dag dat ze dat zou denken.

Recensies uit de krant
1-8-2007Uitdaging
29-9-2007NBD Biblion
27-5-2008Gids v h christelijke spannende boek 2008
19-12-2008Echo
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584