Try it out
Lees hoofdstuk 1
Christus en de tabernakel
 
Boek kaft: Christus en de tabernakel

1

De tabernakel als een type van Christus

De Here sprak tot Mozes: Zeg tot de Israëlieten, dat zij voor Mij een heffing inzamelen; van iedere man, wiens hart hem dringt, zult gij voor Mij een heffing inzamelen. Dit nu is de heffing die gij van hen inzamelen zult: goud, zilver, koper; blauwpurper, roodpurper, scharlaken, fijn linnen, geitehaar: roodgeverfde ramsvellen, tachasvellen en acaciahout; olie voor het licht, specerijen voor de zalfolie en voor het welriekend reukwerk; chrysopraasstenen en vulstenen voor de efod en voor het borstschild. En zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen. Gij zult het maken overeenkomstig alles wat Ik u toon, het model van de tabernakel en het model van al zijn gerei. Zij moeten dan een ark van acaciahout maken, twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog. Exodus 25:1-10


De tabernakel is het belangrijkste van alle zinnebeelden in het Oude Testament. Hij is eigenlijk een toonbeeld van geestelijke waarheid. In de bijzondere voorwerpen die hij huisvestte, zijn priesterschap en zijn eredienst vinden we een levendige symboliek van de glorie en de genade van Jezus Christus en de voorrechten van wie bij Hem horen, zoals we die nergens anders aantreffen. Zoals het plan van een architect ons inzicht geeft in hoe het toekomstige gebouw er uit zal zien, zo geeft dit model, dat op de berg getoond werd, ons een blik in de glorieuze tempel waarvan Christus de hoeksteen is. Waarvan wij als levende stenen dienen ‘om in Hem gebouwd te worden tot een geestelijk huis, een heilig priesterschap, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus’ (1 Pe 2:5).


De vorm en de structuur van de tabernakel

De tabernakel had een rechthoekige structuur. Zijn grootte was ongeveer 15x5 meter. Hij was gemaakt van planken van acaciahout, een bijna onverwoestbaar materiaal, dat overtrokken was met bladgoud. Hij rustte in voetstukken van zilver en koper. Het dak was gemaakt van drie lagen huiden, met een binnenbekleding van kostbare gordijnen. Deze waren versierd met geborduurde symbolische figuren van bijzondere schoonheid en vertolkten een diepe geestelijke betekenis.
De buitenste bedekking bestond uit ruwe dierenhuiden om de tabernakel tegen barre weersomstandigheden te beschermen. Over de vorm van het dak bestaat meningsverschil. Sommigen menen dat het een puntdak was, anderen denken dat het een boogvorm had of gewoon een plat dak is geweest. De tabernakel was verdeeld in twee afdelingen door middel van een kostbaar gordijn, het voorhangsel genaamd. De grootste afdeling had een afmeting van ongeveer 10x5 meter. Dit werd het heilige genoemd. Alleen de priesters die dienst hadden mochten er binnen gaan, voor het volk was dat verboden. Het heilige was gescheiden van de voorhof door een gordijn dat dienst deed als deuropening. Het was gemaakt in de kleuren blauw, purper en scharlaken rood. Alleen de gewijde en gereinigde priesters mochten hierdoor naar binnen. In het heilige bevonden zich drie voorwerpen. Er stond een gouden kandelaar. Dit was het enige licht, want er waren geen vensters. Dan was er de tafel van de toonbroden; 12 broden, vers gebakken voor iedere sabbat, welriekend gemaakt met pure mirre. Na een week werden ze gegeten door de priesters. En tenslotte bevond zich er ook het gouden wierookvat, waar voortdurend pure wierookhars werd geofferd. Eenmaal per jaar, op de Grote Verzoendag, nam de hogepriester de brandende kolen van het altaar en deed ze in het wierookvat. Daarna passeerde alleen hij het voorhangsel en ging het heilige der heilige binnen. Daar deed hij, in tegenwoordigheid van God, verzoening voor de zonden van het volk. Het heilige der heilige was een perfecte kubus van 5 meter in het vierkant. Hier stond de ark van het verbond, afgedekt door het verzoendeksel. Dit bestond uit een plaat van zuiver goud. Eén geheel met het deksel vormden de beide cherubs die aan de beide uiteinden ervan verrezen en er als het ware boven zweefden. De gezichten van deze symbolische figuren vertegenwoordigden de vier typische vormen van de schepping: mens, os, adelaar en leeuw.
Tussen de elkaar rakende vleugels van de cherubs rustte de Shekina, de zichtbare glorie van de Heer; ze was een lichtgevende wolk met een doorschijnende glans die waarschijnlijk oprees en uitliep in de wolkkolom en de vuurkolom die zich boven de tabernakel bevond. Deze leidde Israël op haar tocht door de woestijn. Dit heilige der heiligen was de plaats van Gods tegenwoordigheid; zijn troon van genade en heerlijkheid. Alleen de hogepriester mocht er binnen gaan en dan nog slechts eenmaal per jaar.
De tabernakel was omgeven door een voorhof, een omheining van ongeveer 53 x 26,5 meter met een opening of poort aan de Oostkant. Deze voorhof was toegankelijk voor het hele volk. Hier bevonden zich twee voorwerpen die bestemd waren voor de ceremoniële eredienst. Bij de ingang stond het grote koperen brandofferaltaar. Hier werden de offers, die als brandoffer dienden, aangeboden. Hun bloed werd gesprenkeld en het vuur brandde altijd. Met dit vuur werd ook het reukofferaltaar van vuur voorzien. Alle delen van de tabernakel werden besprenkeld met het bloed van het brandofferaltaar. Dit was de enige manier om in de tegenwoordigheid van God te mogen verschijnen. Tussen het brandofferaltaar en de tabernakel stond het bronzen wasvat. Het was een groot bassin dat gemaakt was van de metalen spiegels van de vrouwen van Israël. Waarschijnlijk was de buitenkant gepolijst. Op die manier deed het wasvat niet alleen als spiegel maar ook als fontein dienst. In dat geval konden de priesters hun verontreiniging zien in de weerspiegeling van het metaal om zich daarvan te reinigen met het water. Het wasvat diende voor de reiniging van de priesters, want niemand van hen mocht naar binnen gaan zonder zich eerst gewassen te hebben.
De poort van de buitenste omheining was altijd open. Er waren geen gordijnen, zoals bij de twee deuropeningen van het heiligdom. Iedereen mocht de voorhof van het heiligdom betreden om zijn offer te brengen voor zijn zonden en onreinheid. Het tentenkamp, buiten de poort van de voorhof, vormde een groot vierkant rondom de tabernakel. Aan iedere kant waren drie stammen van Israël gelegerd. Tegenover de entree bevond zich de stam van Juda. Buiten het kamp brandde voortdurend een vuur. Hier werden de lichamen van de brandoffers en het afval van het kamp verbrand. Dit alles bij elkaar bezat een eenvoudige, maar wonderlijke structuur; Gods eerste heiligdom en tegelijkertijd het type van alles wat heilig en kostbaar is, in de persoon en het werk van Christus en in de voorrechten van onze hemelse roeping.

De bouw van de tabernakel en haar geschiedenis

In Exodus vinden we twee verslagen van de constructie van de tabernakel. In Exodus 25:40 zien we de tabernakel, zoals deze ontworpen was in de hemel en waarvan aan Mozes het model werd getoond op de berg. Het is een zinnebeeld van Christus, zoals die in het eeuwig raadsbesluit van Gods liefde was vastgelegd. Het is een symbool van onze Verlosser, voorbereid voor ons van voor de grondlegging der wereld. Reeds ver voor zijn komst in het vlees en zijn leven op aarde werd Hij geopenbaard in diverse zinnebeelden en profetieën. Mozes bouwde de tabernakel naar het eigenlijke model dat God hem getoond had gedurende de veertig dagen die hij op de berg Sinai doorbracht. Christus werd geboren, leefde en stierf exact in overeenstemming met de profetie in de voorafgaande openbaring.
In Exodus 32 en 33 wordt ons het duistere moment beschreven van verdriet en rebellie, waarin het volk het verbond met voeten trad, dat nog maar nauwelijks was gesloten. Heel duidelijk bleek daaruit zijn geestelijke behoefte aan de verlossing die God voor hem had bereid.
Dit voorval typeert de val van de mens en zijn falen onder de oude bedeling. God had reeds voorzien in de verlossing van de mens in Christus. Voor de mens was het echter nodig dat hij zich zijn behoefte aan de goddelijke verlossing zou realiseren door de daadwerkelijke ervaring van zijn zonde. Het is ontroerend te weten, dat de hele tijd dat de mens tegen God rebelleerde, Gods remedie lag te wachten in die berg van genade. In Exodus 34 vinden we de tweede fase in de geschiedenis van de tabernakel; de werkelijke bouw ervan in overeenstemming met het reeds getoonde goddelijke plan. Deze werd mogelijk gemaakt door de vrijwillige offers van het volk en het vakmanschap van enkele mannen die God voor dit speciale werk met bepaalde talenten had toegerust. Twee mannen werden speciaal hiertoe geroepen en toegerust met geestelijke genadegaven van de Heilige Geest voor gewijde kunst. Zij ontwierpen en voerden alle symbolische decoraties van de tabernakel uit.
De vrouwen van Israël werden op gelijke wijze voorbereid en in staat gesteld tot het maken van de kostbare materialen voor de gordijnen en tentkleden. De gehele bouw vond plaats met behulp van de bovennatuurlijke gaven van de Geest en het goddelijk plan dat aan Mozes was getoond. Gedurende de veertig jaar van Israëls tocht door de woestijn werd de tabernakel van de ene pleisterplaats naar de andere gedragen door trouwe Levieten, aan wie dit werk was opgedragen. Nadat Israël het Beloofde Land was binnengegaan, verbleef de tabernakel een tijdlang in Gilgal en daarna in Silo. Deze laatste plaats werd het godsdienstig centrum van de natie van Israël.
Gedurende de periode van Richteren verliezen we hem een tijdlang uit het oog. Het was een tijd waarin Israël werd vernederd en onderworpen. Dan vinden we haar terug in Nob, in de omgeving van Jeruzalem, namelijk tijdens de regering van koning David. Tenslotte vond ze haar rustplaats op de berg Sion, door toedoen van deze godvruchtige koning. Daar verbleef ze totdat ze werd vervangen door de prachtige tempel van Salomo.
Salomo’s tempel was slechts een mooiere uitgave van hetzelfde gebouw. Alle belangrijke karakteristieken van de tabernakel bleven behouden. De tempel voegde een hogere vorm van schoonheid toe aan het geheel en typeerde de toekomstige glorie, terwijl de tabernakel de genade van Christus en zijn verlossing typeerde.

Een afbeelding en type van Christus

De tabernakel werd zodanig ontworpen, dat hij de belangrijkste bijbelse waarheden ten aanzien van Christus, de gemeente en de individuele gelovige zou vertolken en voorafschaduwen. Als zinnebeeld van Christus, wordt in de proloog van het Johannes Evangelie, zelfs exact het woord ‘tabernakel’ gebruikt. We lezen: ‘Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (getabernakeld) en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid’ (1:14). Ook in Hebreeën 9 beschrijft de auteur eerst de structuur van het oude heiligdom, om die daarna toe te passen op de persoon en het werk van Christus.
De punten van overeenkomst zijn bijna onbeperkt, hieronder wil ik er enkele noemen.
(1) De plaats waar de tabernakel stond in het tentenkamp van Juda toont ons dat de Christus uit de stam van Juda geboren zou worden.
(2) Het onverwoestbare acaciahoutwerk en het pure goud wijzen op de volmaakte mensheid van Christus aan de ene kant en zijn verheven godheid aan de andere.
(3) De kleurencombinaties, die zich steeds weer herhalen in de tabernakel wijzen alle op de speciale kwaliteiten van de Christus, speciaal de steeds terugkerende kleurschakeringen van wit, blauw, scharlaken rood en purper. Het wit staat voor zijn vlekkeloze reinheid; het blauw voor zijn hemelse afkomst; het scharlaken rood spreekt van zijn lijden en sterven; het purper van zijn koninklijke heerlijkheid.
(4) De uiterlijke soberheid van de tabernakel staat in contrast met zijn innerlijke schoonheid en rijkdom; de dierenhuiden aan de buitenkant en het goud en de Shekina heerlijkheid van binnen prediken ons de nederigheid van het aardse bestaan van Christus en de innerlijke schoonheid en glorie van zijn karakter, alsook zijn innerlijke tegenwoordigheid waardoor Hij zich openbaart in de gelovige die in Hem blijft.
(5) Dan is er het contrast tussen de tabernakel en de tempel. De eerste is een verplaatsbare tent, die voortdurend wordt blootgesteld aan steeds weer veranderende omstandigheden en aan vernedering. De tempel daarentegen combineert al de glorie van het aardse en hemelse leven van onze Heer en zijn verheerlijking, als ook de koninklijke heerlijkheid van zijn toekomstig koninkrijk op aarde.
(6) De tabernakel was ook de plaats waar God en het volk van Israël elkaar ontmoetten. God zegt tegen Mozes: ‘En Ik zal dáár met u samenkomen en van het verzoendeksel af, tussen de beide cherubs op de ark der getuigenis, over alles met u spreken’ (Ex.25:22). ‘Wanneer nu Mozes de tent der samenkomst binnenging om met Hem te spreken, dan hoorde hij een stem, die tot hem sprak van tussen de beide cherubs’ (Nu 7:89).
(7) De tabernakel was een plaats om te offeren. Het was een voortdurend schouwspel van bloed dat vloeide en dat werd gesprenkeld. Ieder onderdeel van de tabernakel spreekt van het offer van Christus.
(8) De tabernakel was niet slechts een plaats van offeren, maar ook van reiniging. Het bloed sprak van verzoening en het water waste de vlekken van de onreinheid weg. Zo is Christus de fontein die reinigt van zonde en onreinheid (Zach 13:1). Hij gaf zichzelf voor zijn kerk ‘om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad van het Woord, en zo zelf de gemeente voor zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel’ (Ef 5:26,27).
(9) De tabernakel was een plaats waar de schuldige vrijuit naar het brandofferaltaar mocht gaan. En Jezus Christus ‘is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld’ (1 Joh 2:2).
(10) De tabernakel bezat ook twee binnenkamers. Die spreken van het diepere geestelijke leven en de volle zegeningen, die degenen die in Christus blijven, zullen ervaren. ‘Ik ben de deur’, zegt Jezus (Joh.10:9), ‘Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed’ (10:10). Hij is ons Leven, ons Brood, ons Licht, ons gebedsaltaar, onze geopende Voorhang waardoor wij zelfs toegang hebben tot de tegenwoordigheid van de Heilige God.
(11) De tabernakel was een plaats waar de Wet verborgen lag in de ark van het verbond. Altijd bedekt met het gesprenkelde bloed, dat getuigde van de aanvaarding van de zondaar. Zo vervult Jezus voor ons de goddelijke Wet, terwijl Hij door zijn Geest ook de Wet in ons vervult, doordat Hij in ons komt wonen. Op die manier wordt Hij onze perfecte rechtvaardigmaking.
(12) De beide cherubs van glorie in het heilige der heiligen, zijn typen van Christus’ glorie en heerlijkheid. Van zijn mensheid, gekroond met de kracht van de os, de majesteit van de leeuw en de verheven vlucht van de adelaar, die een belofte is van onze toekomstige glorie.

Dit alles en nog veel meer, zien we in dit oude toonbeeld in relatie tot Jezus, waarover Mozes en de profeten geschreven hebben. Jezus kwam zelf als vervulling van dit zinnebeeld met een volheid, die Hij ons veel beter kan laten begrijpen aan de hand van elk detail dat het model op de berg ons laat zien.

Recensies uit de krant
8-11-1998Stichting Nederlandse bibliotheekdienst
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584