Try it out
Lees hoofdstuk 1
Besef van ooit
 
Boek kaft: Besef van ooit

Eindelijk was het avond. De grote, bronzen klokken van de kathedraal zouden weldra negen keer slaan. Hendrik Steen­huyze stak zijn hoofd buiten het voorportaal van het huis van zijn vriend Arthur ’t Kind, tuurde door de straat en snoof de buitenlucht langzaam in zijn longen op. De regen had de straat lekker doen ruiken, op de laatste avond voor zijn smadelijke aftocht in het pensioen.
‘Dat is mijn oud worden,’ fluisterde hij, ‘verteerd worden door de prikkels die de jeugd zo levendig maakt… en dan dit nog allemaal moeten aanhoren.’ ‘Een tijd van komen en een tijd van gaan, Hendrik,’ had Arthur ’t Kind gezegd, met zijn ogen op het schaakbord gericht, ‘we zien het dagelijks aan de zee en ook de zwaluwen doen het ieder jaar en…’
‘De tijd van komen is ons even nabij als de gedachte aan morgen,’ had hij gemompeld, en hij gooide zijn paard voor de leeuwen.
Het besef dat deze dag onafwendbaar en met rasse schreden in aantocht was, had hem al maanden doen aanvoelen alsof hem de kleren van het lijf geweekt werden door een hete damp die uit de aardkorst kwam en zijn tere, knokige lichaam barrevoets de woestijn zou worden ingestuurd. Daar zou het finale proces van verassing plaatsvinden, onder het geweld van wind en zonnestralen. En in tegenstelling tot zijn kudde trouwe klanten hadden kenners hem verzekerd dat de gepaste leeftijd van een handelsreiziger met zeventig al lang verstreken was. Kopen doe je bij jonge kerels met modieuze kapsels en schreeuwerige dassen die het geluk des levens weten te resumeren in een gevulde portemonnee, een goede gezondheid en een verstandige aankoop, bij hen welteverstaan. Ze verkochten hun geloof voor klinkende munt en weinigen konden weerstaan aan hun levensdrachtige woorden van kortzichtigheid die in het vaste, getaande vlees van hun aangezicht was vergroeid, weerstaan. Hendrik was nooit dat soort verkoper geweest. Iemand zei eens dat de droogte van een onwerelds leven van zijn gezicht was af te lezen. Hij was ruim een meter tachtig groot en had mooie, langwerpige handen. Hij zag er nogal voorspelbaar uit. Niet saai, maar zonder verrassingen. Dwars over zijn voorhoofd hingen grijze klitten haar in schuine lijnen gedrapeerd, om zijn hoge voorhoofd van beschuttende nevelslierten te voorzien. Achter droeg hij het een ietsje langer, tot halverwege de nek. Nooit langer en zelden korter. Afgemeten in de vaste gewoonte van iedere derde dinsdag van de maand naar de kapper te gaan. Zijn lange rechte neus verraadde conservatieve trekjes in zijn karakter. De diepblauwe ogen intelligentie. Op zijn bovenlip droeg hij een fijn snorretje, dat het vooral bij de vrouwen goed deed, net als zijn fluwelen blik en de diepe, zangerige stem. Hendrik Steenhuyze verkocht boeken, hij was een wandelende boekhandel voor particulieren. Het grootste deel bestond uit kook-, kunst en tuinboeken, maar er waren ook Russische en Franse klassieken en massa’s ingebonden romantische verhalen. Om de twee weken verscheen hij op de theekransen van zijn vrouwelijke aanhang met een tiental nieuwe uitgaven die hij op zijn afgemeten, fijnzinnige manier becommentarieerde. Hendrik Steenhuyze verkocht goed, en vanavond verkeerde hij in zo’n dwaasmoedige luim dat hij de lekker ruikende straatstenen kon verkopen voor goud en hij pepte zichzelf op dat hij er nog makkelijk tien jaar kon bijdoen, tot hij bij Arthur over de vloer kwam. Nu voelde hij weer de verlammende angst voor wat komen zal, als een ongelukkige aardworm die de afstand over het in zonovergoten terras verkeerd had ingeschat. Het pensioen was een woestijn, gelegen aan de kusten van de dood. Hij zou er sterven. Vergaan als een eenzame, ongeplukte, uitgezakte druif. Hij zou zich niet meer kunnen beschutten voor de zon en hij zou naar het hete zand onder zijn voeten kijken en het zien veranderen in de asresten van ontelbare voorgangers met hetzelfde, laattijdige inzicht. Nu zijn tong een kleine stekel hout geworden was en zijn bestraalde huid in blaren opensprong, begon Hendrik het nut van beschuttende schaduw te zien en hij verwenste Arthur ’t Kind, omdat hij hem, weliswaar ongewild, op deze gedachten had gebracht.
‘Wat rest er van onze dagen, Hendrik?’ had ’t Kind gezegd, ‘foto’s en herinneringen, de vellen die jij volschrijft. Schimmige, onduidelijke beelden uit het verleden, dode gezichten op vergeelde foto’s, sprenkeltjes geluk en verdriet en veel, heel veel sluimerende verlangens. Er is maar één constante die niet vervaagt noch verandert. Maak je nou geen zorgen, Hendrik. Het ga je goed. Eén enkele gedachte kan ons dooreenschudden en veranderen, zei Nietzsche…’ Hij klopte hem hard en kameraadschappelijk op de schouder.
‘Flarden,’ mompelde Hendrik toen hij weer alleen was, ‘al wat me rest zijn flarden… en mezelf.’
Het begon te druppelen, hij opende zijn paraplu, de regen roffelde op zijn dak, het deed hem denken aan de onverstoorbare tred van zijn schrijfmachine, als zijn herinneringen vaart kregen. Hij schreef meestal over dezelfde mensen en soms ook over zichzelf. De regen fluisterde en schreef, dat de laatste nacht van de oude Hendrik Steenhuyze was begonnen.
Het was kwart na tien toen Hendrik Steenhuyze bij zijn huis arriveerde. Voor hij naar binnen ging, draaide hij zich nog even naar de hemel om naar de avondlucht te kijken en hij glimlachte verweesd. Er was een vreemde hunkering in zijn hart en hij kon niet thuisbrengen waar hij naar verlangde. ‘Mijn tijd gaat voorbij,’ fluisterde hij, ‘voorbij,’ zei hij nog een paar keer, als wou hij het bereik van dat woord vatten, alsof het een indrukwekkende moderne compositie was waar oude heren enkel de hoogte en breedte, maar niet de zin van kunnen schatten. ‘Voor en bij,’ mompelde hij, ‘dat heeft Arthur me daarnet toch verteld? Mijn tijd is gisteren met een snelle wind gekeerd, mij rest enkel zoals mijn vader zaliger neergeworpen te worden door een God, een korte wijl te zieltogen en dan doorgeslikt te worden door de dood. De poorten van Hades werpen hun schaduw op mijn hoofd.’
‘Hendrik, zijt gij dat?’ riep iemand.
Het was Anna, zijn buurvrouw, de operazangeres op rust, en haar stem klonk dof en dreigend vanachter de rolluiken van haar herenhuis. Ze bewoonden elk een deel van een grote tweewoonst in Art Nouveaustijl, in het hartje van de duurste wijk van de stad.
‘Wat staat ge daar aan mijn ruit te lummelen? Je hebt toch niet gedronken, zeker?’
Hendrik tikte op het luik. ‘’t Is al goed, Anna, ik ben het maar.’
‘Ga toch naar binnen, Hendrik, ge maakt me bang.’
‘Jaja, Anna,’ zei Hendrik. Ze was de grootste afnemer van zijn goedkope series paperbacks en stond nog honderden euro’s bij hem in het krijt. Sinds het bekend was dat hij met pensioen zou gaan, was de relatie wat bekoeld.
Hij ging naar binnen, trok het reclameblad uit de brievenbus en keilde het in de kelder. In het voorbijgaan duwde hij een ingekaderde foto recht met zijn duim. Op een rechte lijn hingen de portretten van de mannelijke lijn der Steenhuyzes. Zijn overgrootvader Hilaire met zijn uniform van kanonnier, grootvader Bernard ‘de botanicus’, zijn vader Jozef Steenhuyze als pianist die hij nooit gekend had, want hij was al dood toen Hendrik amper twee was, en daarnaast een foto van diens jonge broer Udo met zijn fiets en Hendrik er achterop. Hendrik staarde naar zijn beeld van jeugdgeluk in het putje van de zomer. Hij was toen een jaar of acht. Alles kwam terug, zoals hij het neergeschreven had.
Oom Udo fietste langs de veldweg naar de zavelput en laveerde behendig tussen de karrensporen en de graskant. Soms dreigde hij stil te vallen op de berm, tot groot jolijt van zijn jonge passagier die schrijlings op de buis van de fiets zat. Ik hield een knapzak tegen mijn borst gedrukt met daarin onze boterhammen, drie appelen, een blikken drinkbus met water en twee flesjes bier voor nonkel. We reden naar de put om te gaan zwemmen in het roestige zavelwater. Mijn gezicht straalde van plezier bij het vooruitzicht van een lange heerlijke zomerdag. Ik was gek op oom Udo.
Het was een uur of elf in de ochtend en de zon warmde het baantje tussen de velden zachtjes op. Ik sloot de ogen en na een poosje dommelde ik halvelings in, tot mijn hoofd tegen de stoppelkin van mijn oom botste.
‘Héla. Slaap je, kleine?’
‘Neen, ik deed mijn ogen maar eventjes dicht en ’k zag een kleur zo roestig als het water van de zavelput. ‘
‘Ha.’
We schommelden zwijgend verder. Met mijn ogen in spleetjes tuurde ik over het veld. Enkele meters verder vloog een koolwitje met ons mee.
‘Waren er ook wittekes daarboven, oom Udo?’
‘Och jongen. Op de berg waar wij woonden zag je op één middag meer vlinders dan dat jij in heel uw leven al bij elkaar gezien hebt. In de zomer staat de juwelendoos van moeder natuur wijdopen, zei mijn vader zaliger altijd, en dan stikte de lucht van vlinders en insecten: witjes, parelmoervlinders, koninginnepages, bijen, véél bijen, want er woonden ook imkers bij ons in het dorp... en als we dan zogezegd toevallig eens bij Jacques of Emile langsgingen als ze aan hun bijenhokjes zaten, dan wreven ze met een houten spatel langs zo’n stuk honingraat en kwamen ze naar ons om een klad verse honing in onze mond te plakken. Hmm... net engeltjes die je mond volscheppen met hemelhars,’ fluisterde hij. Ik glimlachte.
‘En mijn grootvader? Woont die daar nog?’
‘Nee jongen, die is allang dood, dat wist je toch.’
‘Hmm, maar vertel nog eens over grootvader, nonkel.’
Udo gromde goedkeurend.
‘Je grootvader heette Bernard Steenhuyze. Hij was een onderzoeker aan de universiteit, hij onderzocht planten, dat heet een botanicus. Ongeveer een jaar nadat grootmoeder gestorven was, is vader met ons naar Zwitserland gegaan, naar een streek die Wallis heet. We woonden daar in een klein bergdorpje op de Dent Blanche. Normaal gezien zouden we er maar enkele maanden blijven, maar toen brak de oorlog uit en we bleven lekker boven.
Zwitserland bleef neutraal tijdens de Grote Oorlog, we konden in die jaren op geen betere plek wonen. Na de oorlog leerde vader een uitgever van boeken kennen en toen begon hij boeken te schrijven over de bergflora. Vader wist heel veel van geneeskrachtige kruiden.’
‘En hij droeg alleen witte hemden.’
‘Een wit hemd dat hij met een heet stoomijzer en stijfsel tot een harnas streek. Uit zijn jasje hing een zilveren horloge en een knijpbrilletje... en hij had een indrukwekkende snor. Hij zag er meer uit als een heer uit de stad dan als een vastberaden onderzoeker in onherbergzame streken... ‘
‘Een snor zoals jij.’
‘Ja, zoals ik. En als we diep over iets moeten nadenken, friemelen we aan het puntje van onze snor.’
‘En zijn voorhoofd eindigde halverwege zijn kop, omdat hij zoveel verstand had.’
‘Dat ook, ja.’
‘Zat hij dan de hele dag te schrijven?’
‘Ja, vooral na de oorlog, maar hij was ook vaak onderweg. Vanaf het voorjaar trok hij er met zijn weitas op uit om planten te zoeken en dan reisde hij vaak naar andere streken.’
‘Wie zorgde er dan voor jullie?’
‘Juffrouw Matti, onze buurvrouw. Zij wekte ons en maakte ons ontbijt en zette ons op weg naar de school in het dorp wat verderop. Jouw papa plaagde haar altijd. Op een keer had juffrouw Matti tegen hem geschreeuwd en toen deed hij alsof hij doof geworden was. Een hele dag hield hij dat vol. Juffrouw Matti en ik probeerden hem aan het lachen te brengen, we slopen achter hem aan en brulden in zijn oren, maar niets kon onze Jozef van zijn stuk brengen. Maar toen vader thuiskwam, gaf hij hem een paar fikse oorvijgen en toen hoorde hij het al tuiten, zei hij. Vader was een man van weinig woorden.’
Udo lachte, maar ik niet. Toen begon hij gauw over iets anders.
‘Soms gebeurde het dat de bergpas naar de school vol sneeuw lag en dan hoefden we wel een week lang niet naar school te gaan.’
‘Waaw!’
‘Op het einde van de winter kan het erg gevaarlijk zijn op de flanken van een berg en dan mochten we van vader het dorp niet verlaten, want dan blaast de warme zuidenwind, de Föhn, de bovenste sneeuwlagen los en dan is er lawinegevaar. Honderd meter boven het dorp lag een grote spitse rots die het dorp beschermde voor al wat van boven kwam.’
We draaiden het pad naar de put op. Je hoorde de kikkers al van ver. Links en rechts stonden van de wegel stonden hoge bremstruiken die de weg in de schaduw zetten. Vijftig meter verder brak de zon weer door. In het midden van een uitgestrekt terrein lag een grote, langwerpige kreek. De kikkers in het water zwegen abrupt, maar de krekels in het gras schenen zich niets van onze aanwezigheid aan te trekken. Aan de overkant van het water stond een treurwilg met takken die bijna tot het midden van de put reikten. Udo wierp zijn fiets in het gras en ik achtte de tijd rijp om een vraag te stellen die al dagen op mijn hart lag.
‘Waarom hadden ze zo vaak ruzie, nonkel, mijn vader en grootvader? Was dat omdat grootmoeder dood was?’
Udo antwoordde niet. Hij rekte zich uit en krabde bedenkelijk onder zijn pet, koos vervolgens een plekje in de schaduw van de boom en liet zich met een kreun in het gras zakken.
‘Ach menneke, ze hielden wel van elkaar hoor, ze geleken ook zo goed op elkaar, misschien daarom, en ze waren allebei zo koppig, zeker daarom. Onze vader en Jozef konden slaande ruzie krijgen over de flauwste dingen, ze hadden een strijdend verbond. Het was alsof ze gekozen hadden elkaar te haten sinds de dood van moeder. Vaders verdriet had zijn karakter gepekeld. Jozef was bitter. Jozef vertelde mij later dat moeder in die eerste jaren na haar dood vaak in zijn dromen kwam, maar vader sprak haast nooit over haar. Als ik soms die lege, doffe blik in hun ogen zag, dan wist ik dat ze moeder heel hard misten, omdat ze van haar gedroomd hadden of dat ze hun gedachten niet bij haar konden weghouden. Dat waren de rustigste dagen in huis.’ Hij nam zijn pet af en draaide deze rond op zijn vinger. De pet vloog weg en kwam een paar meter verder in het gras terecht.
‘Wat droomde hij dan?’
Udo ging achterover liggen, geeuwde en rekte zich opnieuw.
‘Och, dat weet ik niet precies, jongen. Jozef vertelde me eens dat hij ’s nachts naar buiten keek en hij moeder had gezien, in een wit kleed en op een paard gezeten. Ze wenkte hem, lachte, gaf het paard de sporen en verdween tussen de bomen in de sneeuw. Dat is alles. ‘
Ik keek naar het water en de blaadjes van de treurwilg waarmee de wind op het water schreef, probeerde me mijn grootmoeder in een lang wit kleed voor te stellen. Udo keek me peinzend aan. Ik wilde alles weten over mijn vader, kon er niet over zwijgen, maar dat was normaal, ik miste hem. Udo ging op zijn ellebogen steunen en keek met een scheef hoofd naar het water.
‘Wat ik mij nog het levendigst herinner, zijn die lange avonden tijdens die bijna eindeloze winters. Buiten vroor het en het schemerde al om vier uur in de namiddag. In onze chalet brandde een groot haardvuur en tegen de balken van het plafond hingen tientallen bosjes kruiden en planten te drogen, die een lekkere zoete of soms ook een walgelijke geur in huis brachten. Als het avond werd, kwamen de buren thee drinken en soms zaten we met meer dan tien mensen bijeen en luisterden we naar verhalen van de beste vertellers. Sommige verhalen waren echt akelig, met veel spoken erin. Als ik bang was geworden, dan kroop ik in bed dicht tegen Jozef aan, want die was niet gauw bang, en als het buiten stormde, dan lagen we luidkeels te zingen tot we ervan duizelden, want zo overstemden we het janken van de wind. Jozef had een hekel aan de winter. Hij hield eigenlijk niet zo van het leven in de bergen. Hij zei altijd dat hij zou wegtrekken als hij een beetje ouder was, en dat heeft hij ook gedaan, vreselijk vond ik het, toen hij naar de stad getrokken was.’
‘De stad,’ fluisterde ik.
‘Ja, hij was vroegrijp en dan ook nog vijf jaar ouder dan ik. Toen hij al kampen bouwde in de bomen, sabbelde ik nog op een rammelaar en toen hij met vader mee op trektocht ging, ontdekte ik zijn gewonde tinnen soldaatjes op de bodem van de speelgoedkist. Eerlijk gezegd jongen, heb ik nooit goed begrepen wat er allemaal in hem omging. Het enige wat me nu nog van ’m rest, zijn deze herinneringen en die brieven over zijn vreemde belevenissen in Praag. Je mag ze lezen als je wat ouder bent,’ zei hij, maar ik zag aan zijn gezicht dat hij al spijt had dat hij dat laatste gezegd had.
Udo pakte zijn mes, sneed wat gras weg en begon met blote handen in de grond te graven. Hij maakte een paar hoopjes en noemde ze naar de bergen van de streek. Toen zocht hij platte keitjes die hij met wat speeksel schoon maakte. Zij dienden om de gletsjer voor te stellen en de morenen aan de zijkanten. We bogen onze hoofden en speelden berg en ijs, in het putteke van de zomer.

Hendrik Steenhuyze keerde zich af van de foto en schopte zijn schoenen uit. In de woonkamer schonk hij zich een brandy in en ging achter zijn schrijfmachine zitten.
‘Nu dan,’ zei hij, ‘de tijd is gekomen om mijn demonen te tekenen en de strijd met hen aan te gaan.’
Hij richtte zich halvelings op en begon onder zich aan het pianokrukje van zijn vader te draaien. Toen het de gewenste hoogte had ging hij zitten en leunde hij een beetje achterover, meette of zijn vingertoppen met gestrekte armen het klavier nog raakten, strekte zijn rug, liet zijn hoofd tussen de schouders zakken en drukte voorzichtig enkele toetsen in. Toen begon hij op een ritmische manier te schrijven.

Recensies uit de krant
1-9-2004Boekhandel de Vonk
9-9-2004Stichting Nederlandse bibliotheekdienst
Recensies van lezers
Naamremmelt mastebroek
Rapportcijfer6
RecensieIk vind het erg moeilijk om dit werk te recenseren, immers, het is een bijna literaire roman. En als er iets is dat ik niet ben, dan is dat literair. Besef van ooit is een verhaal dat mij niet echt kon bekoren. Ik kon me niet identificeren met de personen als beschreven door Peter. Toch is het denk ik een knap geschreven roman. En ongetwijfeld zal hij onder de meer intelectuelen hoger in waarde worden geschat dan door mij. Het slot van het boek is m.i. te beknopt geschreven. Waar alles uiteindelijk om draaide, is naar mijn mening wat summier weergegeven. Een knap geschreven literair werk dat ongetwijfeld een plaats moet hebben in de reguliere en betere boekhandel! Zeker in Vlaanderen!
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584