Try it out
Lees hoofdstuk 1
Christy
 
Boek kaft: Christy

1

Mijn vader was de enige die mij die zondagochtend in 1912 naar het station van Asheville bracht. Moeder was vroeg opgestaan om een warm ontbijt voor ons te maken. Dit was een van die momenten die ik me altijd even scherp zou herinneren als op die januari-ochtend zelf: die blik in moeders ogen – liefde, verlangen -, de geur van haar fris gesteven, stralend witte keukenschort, het geknetter van dennehars in het grote ijzeren fornuis, een zee van gesmolten boter rond de dampende lading maïskorrels op mijn bord.
Toen had vader uit de woonkamer geroepen: ‘Tijd om te gaan!’en was mijn broer George zijn bed uitgekomen en de trap afgestommeld naar de overloop, waar hij slaperig, met zijn haar warrig voor zijn ogen, over de leuning bleef hangen om me gedag te zeggen.
‘We moeten gaan’, zei vader, die al bij de voordeur was. ‘De motor loopt. ’t Is me wat om dat ding in de kou aan de praat te krijgen’.
Het treinstation had iets spookachtigs in die grijze ochtendschemering. Ik voelde me vreemd en opgewonden toen ik zag dat de ‘Old Buncombe’ voor de trewin stond, een bekende locomotief bij de spoorwegen van Oost-Tennessee, Virginia en Georgia. Het gevaarte was groen geverfd, met een gouden rand en gouden letters en grote koperen versieringen op de koplamp. Tegen de achtergrond van versgevallen sneeuw leken de grote rookwolken uit de locomotiefschoorsteen nog zwarter dan gewoonlijk.
Vader liep met me mee het perron op. Hij droeg mijn tas en probeerde opgewekt te praten, alsof ik negen was in plaats van negentien. Hij vond me nog steeds te jong om alleen op reis te gaan, en zeker te jong voor dit avontuur – lesgeven op een schooltje in een vallei waar, zover hij wist, nog nooit iemand in onze familie en in heel Asheville van gehoord had.
Voordat het zover was moest ik een lang en moeizaam gevecht met hen leveren. De hele familie Huddleston heeft een koppig trekje, een overblijfsel van onze Schotse voorouders denk ik. Ik wist heel goed dat het aan die koppigheid te danken was geweest dat mijn vader zoveel succes in zaken had. Maar deze keer kreeg ik mijn zin en niet hij.
Toen ik die ochtend in januari over het perron liep, kon ik echter niet zo opgetogen zijn over de zege op mijn ouders. Ik keek naar vaders met zijn ijzergrauwe haar. Die lieve, lieve vader. In een impuls stak ik mijn rechterhand in de zak van zijn langen winterjas.
‘Ik heb koude handen’, zei ik, alsof dit kinderachtige gebaar om uitleg vroeg. Maar hij wist het wel. In de jaszak voelde ik zijn linkerhand over de mijne. ‘Meisje’, vroeg hij ineens (“meisje” was mijn koosnaampje), ‘denk je echt dat je met je geld uitkomt tot je eerste loon?’
‘Ja, het is echt genoeg, vader. Bedankt’.
‘Maar vijfentwintig dollar is niet veel voor één maand’. Hij klonk knorrig, maar dat kwam door de emotie.
‘Dit zal voor het eerst in m’n leven zijn dat ik niet verleid word om het uit te geven’. Ik probeerde vrolijk te klinken. ‘Net zoals jij altijd zegt, vader. Voor zover ik weet heeft Cutter Gap niet één winkel’.
We beklommen het trapje naar de trein. Omdat het maar zes uur reizen was zat ik in het personenrijtuig. Er hing een kolengeur in de treinstellen. Overal was roet, zelfs in de kleinste hoekjes van de raamkozijnen. Er stonden kwispedoors, achterin een ronde kachel, zakken vol graan en andere producten lagen opgestapeld tegen de muur. En het was druk. Ik was verbaasd dat zoveel mensen zo vroeg opstonden om ’s morgens om half zeven een trein te halen.
Vader vond een lege plaatsje voor me en ik plofte neer in het gehavende rode pluche. Mijn koffer zette ik naast me op de grond. Toen klonk het schrille gefluit van de conducteur. Vader omarmde me. De tweestof van zijn lange jas schuurde zachtjes langs mijn gezicht. ‘Goed onthouden hoor, zodra je aankomt moet je ons meteen schrijven. We moeten weten of je veilig aangekomen bent’. In een poging tot speelsheid kneep hij in mijn wang – en verdween.
Ik zag vader op het perron met de oude conducteur staan praten. Toen hij in mijn richting wees wist ik uit jarenlange ervaring wat hij tegen de man zei. ‘Mijn dochter zit daarbinnen. Let goed op mijn meisje’. Dit was pijnlijk. Ik was te oud om te willen dat vader zoiets zei, en te jong om me gevleid te voelen.
Toen zwaaide de conducteur met zijn armen en schreeuwde: ‘Iedereen instappen!’ Hij klom het trapje op en duwde met een klap de veiligheidsboom dicht. De ‘Old Buncombe’ begon te sputteren en te piepen – en toen volgde het bekende tsjoef…tsjoef…tsjoef. Ons treinstel werd vooruit geslingerd, het rijtuig achter ons stootte hard tegen ons aan. De deur aan de voorkant zwiepte gevaarlijk heen en weer., maar na een tijdje werden de bewegingen soepeler en al snel gleden we statig door het landschap, langs de hoge telefoonpalen.
Een eindje verder op in het rijtuig zat een boerenvrouw met een krijsend kind. De rood aangelopen baby werd door de vrouw heen en weer gewiegd. Toen het geschreeuw maar bleef doorgaan knoopte ze haar blouse open om het kind te voeden. De man tegenover mij stak een pijp met scherpe, zelfgeteelde tabak aan die door mijn keel sloeg en mijn ogen deed tranen. Na Budford in Noord-Carolina kwam de conducteur het gangpad door om de kaartjes te verzamelen. Zijn donkerblauwe pak vertoond glimmende plekken bij de ellebogen en de knieën. Ik hoopte vurig dat hij me niet voor schut zou zetten door te zeggen: ‘ik zal goed voor je zorgen hoor’, of iets dergelijks. Om de aandacht van mijn persoon af te leiden deed ik net of ik uit het raamnaar de witte velden en de steeds hoger wordende bergen zat te kijken. Maar in het spiegelbeeld van het raam zag ik iets anders – een tenger figuurtje dat alleen maar van een veel jonger meisje kom zijn. Ik rechtte mijn rug en haalde diep adem om mijn nieuwe lichtbruine mantelpak wat op te vullen. Onder het donker, opgestoken haar staarden twee blauwe ogen mij onderzoekend aan.
‘Kaartjes alstublieft. Jij bent zeker Christy Huddleston’.
Ik knikte en hoopte dat mijn waardige houding precies goed was, zodat hij zou zien dat ik gewoon één van de andere volwassen passagiers was. Dit was immer niet mijn eerste treinreis, bij lange na niet. In de afgelopen anderhalf jaar had ik tussen thuis en Flora College in Red Springs gependeld. Bovendien was ik een keer met de nachttrein naar mijn tante in Charleston gereisd. Maar de conducteur leek zich niet bewust van mijn ervaring met de wereld. ‘Ik ben Javis MacDonald’, ging hij verder. ‘Ik ken je vader al heel lang’. Hij stempelde mijn kaartje en gaf het terug. ‘Dus je gaat naar El Pano, jongedame? Je vader zei dat je gaat lesgeven. In el Pano?’
‘Nee, een nieuwe school. Een kilometer of tien achter El Pano, in Cutter Gap’.
MacDonald wreef peinzend langs zijn bakkebaarden. Er stond een bedachtzame blik in zijn ogen. Hij deed zijn mond open om iets te zeggen, dacht weer even na en zei toen ineens: ‘Dat Cutter Gap is nogal woest terrein. Net vorige week is er nog een ongeluk bij de kalkoenjacht gebeurd. Een van d kerels had geen zin meer in kalkoenen schieten en schoot een andere vent in zijn rug. Nou ja – ik moet zulke dingen maar niet vertellen. Maar je hoort die verhalen vast nog wel’.
Conducteur MacDonald ging verder met kaartjes knippen en ik was dankbaar nu met rust gelaten te worden. Gelukkig had ik niet hoeven uit te leggen waarom ik echt naar Cutter Gap wilde. De oude man zou het het sowieso sentimenteel en echt iets voor een meisje gevonden hebben om haar hele toekomst te laten afhangen van één gesprek met een volslagen vreemde.
Het was op mijn netvlies gebrand… het kerkelijk conferentie-oord in Montreat waar de familie Huddleston al zo lang als ik me kon herinneren elke zomer een paar weken doorbracht. De enorme aula met eenvoudige bankjes. De mannen en vrouwen in hun lichte zomerkledij. De dames in voile, baptist of crepe de Chine, sommige met lange kettingen van ivoren kralen of broches van jade uit de zendingswinkel verderop. Waaiers van palmbladeren wapperden. Aan de boekenplanken waarop de gezangbundels stonden waren advertenties voor christelijke uitgevers of haarspelden of kerkmeubilair geprikt. Vlak voor de dienst hoorde je een vertrouwt geroezemoes en tijdens de stiltes klonk het geklater van d bergbeek die zich naast het gebouw murmelend en neuriënd een weg door laurierstruiken en varens baande.
Ineens was er een oudere man met een keurig wit sikje opgestaan en met sterke, heldere stem begonnen te spreken – wat een stem voor zo’n kleine man! Hij vertelde dat hij arts was en daarom niet zou gaan preken maar gewoon zijn eigen verhaal wilde vertellen. Hij hield het bij feiten, naakte feiten – hoe hij tijdens de Burger-oorlog te paard de Cumberland Mountains had doorkruist om zich bij het leger van de Geconfedeerde Staten aan te sluiten. Aangezien er langs die weinig herbergen waren, had hij onderdak gevonden bij de mensen in de berghutten. Hij was niet alleen zwaar onder de indruk van de schrijnende armoede, maar ook van hun intelligentie. Jaren later, toen hij een bloeiende artsenpraktijk in Arkansas had opgebouwd werd hij geveld door een ernstige vorm van roodvonk. Toen de ziekte een kritiek punt bereikte zwoer hij God dat als hij het zou overleven, hij naar de Appalachen zou terugkeren om de mensen daar te helpen. Zo gaf hij zijn keurig artsenbaan op voor het zendingswerk in Arkansas en Kentucky, en later in de Great Smokies.
Daar had hij iemand ontmoet die net zo gedreven was als hij om het bergvolk te helpen waar nodig: Mis Alice Henderson, een Quaker uit Ardmore in Pennsylvania. Ze was een moderne vrouw, zei hij, die geen gevaar en ontbering uit de weg ging om te helpen waar ze maar kon.
Onder mijn kanten jabot voelde ik mijn hart sneller gaan kloppen. Die vrouw wilde ik leren kennen. Helemaal in haar eentje, ging hij verder, had Miss Henderson drie scholen gesticht: Big Lick Spring, Cataleechie en een paar jaar geleden de school in Cutter Gap.
Dokter Ferrand legde uit dat Miss Alice Henderson haar drie scholen onder toezicht van zijn organisatie de Americn Inland Mission had gesteld in het geloof dat zij samen sterker zouden staan om hun werk te doen.
‘Wat zou ik haar graag hier hebben vandaag’, zei de kleine dokter, ‘zodat u zelf kunt zien wat een enthousiasme er van deze sterke vrouw uitgaat. Het is niet dat ze geen zin had om hierheen te komen’, grinnikte hij, ‘maar ze rijdt op haar paard van de ene school naar de andere – ze wil gewoon haar werk niet in de steek laten.’
In de rest van zijn verhaal liet dokter Ferrand de ‘hooglanders’ zoals hij ze noemde, tot leven komen: Minna Bes die op haar vijftiende getrouwd was; Branner Bill, de schrik van Cataleechie Cove totdat hij het evangelie hoorde en een ander mens werd; en Uncle Jason die zijn enige inkomsten kreeg uit het verzamelen en verkopen van hulstbladeren – twintig cent per duizend stuks; en Rob Allen die zo graag wilde leren dat hij op blote voeten naar school kwam lopen, dwars door een pak sneeuw van twee meter dik.
De echo van dokter Ferrands stem klonk nog na in mijn hoofd. Hij had verteld hoe deze nobele mensen hem ertoe bracht de American Inland Mission te stichten – met maar één werknemer en driehonderdzestig dollar. Vervolgens had hij gezegd dat hij meer nodig had dan alleen maar geld: vrijwilligers. ‘Daar achter die hoge bergen strekken zich handen naar u uit, stemmen roepen u toe: “Kom ons helpen!”. Deze bergbewoners zijn uw landgenoten, uw buren. Wilt u naar hen luisteren, hen helpen, of wilt u hen in hun wanhoop en onwetendheid aan hun lot overlaten?’En met die woorden was de klein dokter gaan zitten.
Het was volkomen nieuw voor mij om iemand te horen die een doel had, een missie waar hij achter stond, waar hij met hart en ziel in geloofde. Daar, in de aula, staarde ik naar mijn nieuwe witte lakschoentjes met mooie knoopjes en een zwarte punt. Ik dacht aan mijn chique schoeisel en de jongen die in de snijdende kou blootsvoets naar school was gelopen. Natuurlijk had ik wel over landen als China en Afrika gehoord maar ik had geen idee dat maar een dag reizen vanuit Asheville – in onze bergen – mensen in dezelfde omstandigheden leefden. Waarom hadden vader en moeder me dat nooit verteld? Misschien wisten zij het ook niet.
Tijdens het slotlied, ‘Neem mijn handen’, had zich een opwinding van mij meester gemaakt waardoor ik nauwelijks nog mee kom zingen.
Na de zegen baande ik mij langzaam een weg langs het lange, afhellende middenpad. Dokter Ferrand gaf me een warme handdruk en keek me recht in de ogen.
Mijn stem trilde een beetje. ‘U vroeg om vrijwilligers ‘, zei ik. ‘Hier is er een’.
Het sikje was op en neer gegaan. ‘En wat wil je doen, mijn kind?’ ‘De bergbewoners helpen. Ik kan lesgeven, alles, wat u maar wilt.’ Een lange stilte volgde. De ogen van de kleine man drongen dwars door mij heen. ‘Weet je het zeker, kind?’
‘Heel zeker’
En zo werd de zaak beklonken.

Recensies van lezers
Naamr krist
Rapportcijfer8
Recensiemooi boek
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584