Try it out
Lees hoofdstuk 1
Het genodyne experiment
 
Boek kaft: Het genodyne experiment

1

‘Jij hebt geen respect voor mij.’
Geen antwoord.
‘Hoor je me? Je hebt geen respect voor mij.’
Michael Coleman hoefde niet van zijn Thanksgiving-kalkoen met saus op te kijken om te weten wie dit tegen hem zei. Het was Sweeney. Grote, deprimerende tatoeages op zijn kale achterhoofd. Als lid van de Arische Broederschap was hij veroordeeld wegens het doodsteken van een jood. Hij was nog maar een week op de death row, waar Coleman en de andere terdoodveroordeelden hun laatste dagen uitzaten, en dit was zijn eerste zet. ‘Hoor je me, Cole?’
Onopvallend klemde Coleman zijn handen harder om zijn lepel. Hij kon zich wel voor zijn kop slaan omdat hij niet van tevoren een zelfgeslepen mesje in zijn broek had gestopt. Hij wist dat er een machtsspel zat aan te komen; alleen niet nu al. Maar ja, dan moest het maar met een lepel. Zijn waarnemingsvermogen stond nu op scherp. Het oranje van de sinaasappelsaus stak steeds duidelijker af tegen het groene plexiglas van het dienblad. De acht andere mannen stopten met eten en keken naar Coleman. In de plotselinge stilte zwol het zoemen van de verwarmingselementen boven hun hoofden aan tot een allesverslindend geraas.
‘Kom hier zitten,’ klonk Colemans bevel. Hij was blij dat hij zijn keel niet hoefde te schrapen. Dat verried namelijk zwakheid en zwakheid was meestal synoniem met dood.
Sweeney verschoof op zijn stoel.
Goed zo.
Uiteindelijk keek Coleman op. Maar niet naar Sweeney. Hij keek naar de gevangene tegenover hem. Een zwarte jonge man, een knulletje eigenlijk nog, die de fout had gemaakt bij een knokpartij een blanke man net één klap teveel te geven. Als hij zich een goede advocaat had kunnen veroorloven had hij hier niet gezeten. De jongen stond snel op om Sweeney op zijn plaats te laten zitten.
Dit was de vuurproef. Als Sweeney gehoorzaamde, als hij ging zitten, betekende dat dat hij ontzag voor Coleman had en in was voor een gesprek. Zo niet, dan was dat een regelrechte aanval op Colemans machtspositie.
Sweeney verroerde zich niet.
Dat verbaasde Coleman niet. Zijn hart bonkte – maar niet van angst. Dit was opwinding. Een prettige opwinding die hij zorgvuldig in toom zou houden in afwachting van het juiste moment.
Weer verschoof Sweeney op zijn stoel, maar deze keer om zich schrap te zetten voor wat er ging komen. ‘Jij heb geen respect voor mij en Garcia.’ Hector Garcia was de zwakste van de Row en daarmee de kwetsbaarste. Bij het plaatsen van één van zijn bommen was per ongeluk een ouder echtpaar omgekomen – het verkeerde moment op de verkeerde plek. Daarmee stond hij zo goed als onderaan in de pikorde van de gevangenis, ongeveer op het niveau van een kindermishandelaar.
Zodra Sweeney op de Row was gearriveerd had hij Garcia tot handlanger gebombardeerd. Niemand vond het erg, ook niet toen hij Garcia dwong zijn benen te scheren en roze geverfde leggings te dragen. Maar toen de jongen voor de vierde keer in elkaar was geslagen was Coleman het zat. Hij wist dat Sweeney buiten contacten in de heroïnewereld had. Hij had zelfs gehoord dat Sweeney aan een paar bewakers leverde, hetgeen natuurlijk verklaarde waarom ze de andere kant opkeken als Garcia zijn klappen kreeg.
Maar genoeg was genoeg. Misschien kwam het door de herinneringen uit zijn jeugd, aan zijn eigen vader. Coleman wist het niet precies. Maar hij had de jongens laten weten dat er niet meer geslagen werd. En nu stond Sweeney daar, niet alleen om Colemans besluit, maar ook zijn positie in twijfel te trekken.
Coleman had een aantal opties tot zijn beschikking. Hij kon het uitpraten, wat natuurlijk zwak was, of – eigenlijk was er maar één optie. En met de stroom energie die als een bliksemflits door zijn lijf, leden en zenuwstelsel schoot, wist hij dat het juiste moment was aangebroken.
Sweeney wist niet waardoor hij werd geraakt. Colemans grote lijf kwam op hem af voordat hij kon bewegen. Coleman was sterk. Op een ogenblik als dit verloor hij iedere vorm van controle, verkeerde hij in een euforische roes van schoppen, steken, stompen en rukken.
Hij had nauwelijks door dat de bewakers zich op hem stortten en ruw overeind trokken. Het kon hem niet schelen dat ze hem schopten en sloegen – hoewel hij zag dat één van hen een klant van Sweeney was. Hij zag Sweeney overeind krabbelen en hem een bloederige, tandenloze grijns toewerpen. Ook zag hij Sweeney’s ijzeren vuist, klaar om toe te slaan. Coleman probeerde weg te komen, maar de bewakers hielden hem vast terwijl Sweeney op hem afkwam. Blijkbaar had deze man meer connecties dan Coleman dacht.
Het was in elk geval een troost dat er twee bewakers aan te pas moesten komen om hem vast te houden terwijl Sweeney zijn werk deed. En bij het incasseren van de klappen en het langzaam wegglijden van zijn bewustzijn vormde zich een plan in Colemans gedachten. Zo gemakkelijk liet hij zich zijn macht niet ontnemen. Dit was kinderspel. Een excuus voor wraak. En de wraak liet meestal niet lang op zich wachten. Volgens Michael Coleman moest je wraak niet koud opdienen, maar het liefst bloedheet èn op een manier die je niet snel vergat. Zo deed Coleman dat. Daardoor was hij zo sterk. Daarom waren ze allemaal bang voor hem.

Dr. Philip O’Brien had een probleem. Zijn attachékoffer zat zo volgepakt met papieren en documenten dat er geen plek meer was voor de ingelijste foto van Beth en de kinderen. Wat nu? Daar stond hij dan, directeur van de snelst groeiende onderneming in biotechnologie in noordwest Amerika en nu stond hij te dubben over wat hij voor een zakenreisje van twee dagen moest meenemen of thuislaten. Geïrriteerd om zijn besluiteloosheid trok hij het rapport ‘Toxiciteit van de Epidermische Groeifactor’ uit de koffer, gooide het op zijn bureau en pakte de foto op.
Toen draaide hij zich om en beende met grote stappen zijn kantoor uit, richting lift. O’Brien was een lange man van achterin de veertig (hoewel hij er met zijn grijze haar meer als een vijftiger uitzag), maar had nog steeds een jongensachtige charme over zich. Afgezien van het zachte geluid dat zijn Nikes op de vloerbedekking maakten en dat van zijn koffertje dat af en toe tegen zijn spijkerbroek schuurde, was het doodstil in de gang. En dat moest ook. Bij Genodyne werd er in de vakanties niet gewerkt. Alleen de veiligheidsmensen en de doorzetters van de afdeling Onderzoek waren nog aanwezig. Verder was het vijf verdiepingen hoge gebouw tot maandag gesloten, net als de fabriek een kilometer verderop. Dat was de manier waarop O’Brien vanaf het begin af aan te werk was gegaan. Gelukkige werknemers zijn ontspannen werknemers, en dat zijn weer creatieve werknemers die voor grote doorbraken in genetische manipulatie kunnen zorgen – een theorie die eind jaren tachtig was bedacht door één of andere slimme student. Na tientallen patenten en één – en binnenkort twee – produkten op de markt was dit een theorie die tot een omzet van honderdvijfenzeventig miljoen per jaar had geleid.
Bedrijven in de biotechnologie kwamen en gingen. Van de ruim vijftienhonderd beginners hadden er slechts veertien een produkt op de markt weten te brengen. En dat niet zonder reden. Met dat paranoïde gedoe van het grote publiek, een onmogelijke wetgeving en ontelbare onderzoeken koste het ontwikkelen van één medicijn tussen de honderd en driehonderd miljoen dollar. Maar als een produkt aansloeg, zoals Genodyne had bewezen, kon het binnen luttele dagen een kassucces worden.
O’Brien liep langs de lift en nam de trap. Waarom was hij eigenlijk hier? Waarom had hij, het hoofd van een goedlopend, prettig bedrijf zijn Thanksgiving-maaltijd naar binnen geschrokt om de rest van het weekend zonder zijn vrouw en twee kinderen door te brengen? O’Brien was nu op de volgende verdieping aangeland en deed de deur open. Achter die deur zat het antwoord op zijn vraag al te wachten.
‘Fijn, dat je kon komen.’ De spreker was een knul van vierentwintig, goed gebouwd, met zwart haar dat altijd in zijn gezicht hing en volgens Sarah, O’Briens twaalfjarige dochter, een ongelofelijk lekker stuk. ‘Het instrumentarium voor het lab en de vriezer zijn al ingeladen. Het vliegtuig heeft een half uur op de startbaan gestaan. Waar was je?’ Het was Kenneth Murkoski. Murkoski de Verschrikkelijke. Murkoski de Ambitieuze.
Murkoski het Kleine Genie.
‘Ik had m’n toetje nog niet op.’
De kruising tussen man en kind lachte niet. ‘De gevangenis belde. Een incident op de Row.’
‘Een incident?’
‘Zo noemden ze het.’
‘Was onze man erbij betrokken?’
‘Reken maar. Ze zeiden dat we een paar dagen moesten wachten.’
‘En?’
‘Ik zei: Mooi niet.’
‘Kenny...’ Hij zag Murkoski ineenkrimpen. Hij wist dat de jongen een hekel aan die naam had, dus zei hij het alleen maar als het nodig was. Anderhalf jaar geleden had hij Murkoski hoogstpersoonlijk uit het Instituut voor Technologie in Massachusetts geplukt. Hij was de slimste, de beste en de meest ambitieuze van het hele land. Ook was hij een uitslover en een publiciteitsdier – een gevaarlijke combinatie, toch had O’Brien besloten het risico maar te lopen. Hij had trouwens niet veel keus. De afdelingen Onderzoek en Ontwikkeling, Produktie, Administratie, Verkoop en Logistiek eisten al zijn aandacht op, zodat zijn creativiteit op een bitter laag pitje stond. Om het bedrijf te laten overleven had hij een wetenschapper in hart en nieren nodig, nieuw bloed (nieuwe hersencellen eigenlijk) om de afdeling Gentherapie te runnen. Kort gezegd had hij iemand nodig die er dezelfde denkwijze op nahield als O’Brien toen hij zelf jong was. Natuurlijk hield dat meer in dan gekrenkte ego’s weer oppeppen en hier en daar een vuurtje uittrappen (Murkoski’s sociale vaardigheden waren namelijk net zo onderontwikkeld als zijn bescheidenheid). Het aanstellen van ‘nieuw bloed’ betekende echter ook dat hij steeds minder vat op de details van de onderzoeken begon te krijgen – details die Murkoski voor O’Briens gevoel opzettelijk voor hem verborgen hield. Maar toch, ondanks alle risico’s en frustraties was de jongen het dubbel en dwars waard. Zelfs nu.
‘Weet je zeker dat we ze niet teveel onder druk zetten?’ vroeg O’Brien. ‘Wat zeiden ze?’
‘Wat kunnen ze zeggen? Ze zitten toch niet meer met één of andere tweederangs biotech-bedrijfje te pingpongen. We hebben verdorie de hele regering achter ons.’
‘Maar als ze voorstellen dat we beter kunnen wachten, wat is dan het probleem?’
Murkoski trok een gezicht, maar werd onderbroken door de telefoon. Uit de zak van zijn linnen sportjack haalde hij een telefoon en beantwoordde intussen O’Briens vraag. ‘Tegen de tijd dat we daar aankomen is het allemaal wat gezakt. Sterker nog, hij zal dan eerder bereid zijn het spelletje mee te spelen.’ Hij draaide zich om en zei kortaf in de telefoon: ‘Ja?’ Zijn gezichtsuitdrukking veranderde en hij begon langzaam weg te lopen. ‘Wat bedoel je daar precies mee?’ vroeg hij op zachte toon. Het was duidelijk dat de jongen wat privacy wilde. O’Brien vond het niet erg. Hij wilde nog even bij Freddy langs voordat hij wegging. Dus terwijl Murkoski zijn gesprek voortzette liep O’Brien de gang weer in.
Een bedrijf in biotechnologie dat een contract met de regering voor gentherapie kreeg was ongehoord. Net als het geldbedrag dat ermee gemoeid ging. Maar dit was wel iets heel bijzonders. Na nog geen jaar bleken de resultaten overweldigend. Geen wonder dat Murkoski er zo fel achteraan zat. Het had niets met concurrentie te maken – er waren namelijk geen concurrenten. Nee, het was puur ongeduld. Als datgene wat zij hadden ontdekt klaar was voor het grote publiek, dan zou de wereld in één klap veranderen.
O’Brien was nu op B-11. Hij hield zijn portefeuille met de magneetstrip tegen het kleine zwarte kastje. Vervolgens toetste hij zijn zescijferige code in. Er klonk een klik van een elektronisch slot. Toen deed hij de deur open.
Het was een kamer van zestig vierkante meter. Rechts achterin leek het net een kinderspeelplaats, compleet met schommel, een klimrek, een glijbaan en grote keien verspreid over de vloer. Op de muren waren bomen en bergen geschilderd en de vloerbedekking was een grasmat die om de zes weken moest worden vervangen. In een hoek stond een dode boom met knoestige takken, die door een dik stuk touw op zijn plaats werd gehouden. De andere kant van de kamer was een soort keuken: kasten, een aanrecht, een kleine bar met krukken om aan te eten, wat speelgoed en een tafeltje met vier kinderstoelen. Alles was in heldere kleuren geverfd – roze, blauw, paars en groen.
O’Brien liet de deur achter zich dichtvallen en liep naar een parkbankje in het midden van de kamer. ‘Freddy,’ riep hij. ‘Freddy, waar ben je?’
Een baviaan van een meter groot klom van achter de stenen vandaan en rende op hem af. Het dier woog ruim dertig kilo en had een lange snuit, een donkerbruin met grijze vacht en ogen die zo dicht bij elkaar stonden dat het bijna leek alsof hij scheel keek. Met zijn staart in een grote boog over zijn rug gestrekt waggelde hij door de kamer. Het zag er komisch uit, maar dat was in werkelijkheid een afleidingsmanoeuvre, waarmee de baviaan leek te willen zeggen: ‘Hoi, moet je zien hoe sullig ik ben, ik doe geen vlieg kwaad.’
En dat niet zonder reden. Hoewel Freddy niet zwaar was, kunnen bavianen hard vechten en hebben ze de kracht van vijf dieren van hun grootte.
O’Brien legde zijn koffertje op de bank en ging zitten.
‘Hoe gaat het, jongen?’
Freddy sprong naast hem op de bank en begon geïnteresseerd het koffertje te onderzoeken. Hij liet zijn lange, zwarte, bijna menselijk uitziende handen over het gladde oppervlak en langs de koperen sluitingen glijden. Toen tikte hij het handvat heen en weer, op zoek naar een manier om het koffertje open te maken.
O’Brien grinnikte. ‘Sorry. Er zit niks interessants voor je in. Echt niet.’
Maar Freddy liet zich niet afschepen. Hij tilde het koffertje op, keek eronder en bestudeerde de zijkanten.
Geamuseerd keek O’Brien toe. Het dier deed sinds vijftien weken aan het experiment mee. En dit was niet het eerste proefdier. Twee andere primaten waren hem voorgegaan. Geen van beide had het overleefd. Maar Freddy had het gered. En ook zijn gedrag was, net als bij de muizen in de andere experimenten, sterk veranderd.
O’Brien legde zijn hand op de borst van het dier. De vacht was ruw en borstelig. Freddy strekte zich uit om eens even lekker gekrabd en geaaid te worden.
‘Zullen we eens even naar je borstbeen kijken?’
O’Brien zette zijn bril recht en bestudeerde het kaalgeschoren stukje waar ze met een injectienaald het beenmerg hadden verwijderd. Een paar weken geleden was er een infectie opgetreden, die gelukkig weer helemaal genezen was.
‘Het ziet er goed uit, jongen.’
Freddy reageerde onmiddellijk op O’Briens vriendelijke toon. Hij liet het attachékoffertje voor wat het was en sloeg beide armen om O’Briens arm. Dit was een omhelzing – iets normaals voor vrouwtjes in het wild en ook tussen mannetjes en kleintjes. Maar nooit tussen twee mannetjes. En al helemaal nooit tussen verschillende soorten; dat was te gevaarlijk. Maar toch gebeurde het – een volwassen mannetje dat O’Brien omhelsde en knuffelde alsof ze vader en zoon waren.
Dit was niet de eerste keer. Freddy’s geknuffel duurde nu al een maand. Maar steeds als het gebeurde maakte O’Briens hart een sprongetje. Dit was de reden waarom ze al dat werk verrichtten. Dit was ook de reden waarom hij het met Murkoski kon uithouden, waarom hij zijn vrouw en kinderen in het weekend alleen liet. Ze waren in hem teleurgesteld omdat hij nooit thuis was. Ze begrepen het nog niet. Maar over een paar jaar, nog voordat zijn kinderen groot waren, zouden ze het wel begrijpen. En dan zouden ze net zo trots zijn als hij nu.
O’Brien streek de haren van Freddy’s vacht opzij en begon de huid zachtjes te masseren. Dit zou in het wild ‘vlooien’ zijn, het zoeken naar vlooien, luizen of zout, ook een teken van affectie onder bavianen. En hoe meer O’Brien hem masseerde, hoe heftiger Freddy zijn neus tegen hem aanwreef en hem omarmde.
Vreemd, mijmerde O’Brien. Als wetenschapper had hij geleerd dat bavianen een noodzakelijke stap waren in de evolutie van de mens, omdat zij de overgang vormden van het slingeren in de bomen naar het lopen op de open savanne. En nu zouden diezelfde dieren een nieuwe overgangsfase vormen, een revolutionaire stap in de evolutie, hoopte O’Brien. En stap die noodzakelijk was voor het overleven van het menselijk ras.
O’Brien moest weer aan Beth en de kinderen denken. Hij zou hen bellen. In de auto op weg naar het vliegveld zou hij hen bellen om te zeggen dat hij van hen hield. Maar eerst moest hij nog even hier blijven. Om wat te zitten, te dromen en te genieten van Freddy’s aanhankelijkheid.

Recensies van lezers
NaamJannie de Klein-Beekelaar
Rapportcijfer9
RecensieDe auteur gaat uit van de Bijbelse waarheid, dat de Here Jezus tegelijk God en mens was. Hij brengt dat op een bijzondere manier tot uiting, door dit tegelijk God en Mens zijn in het DNA te verwerken. Ik geef geen 10, omdat het m.i. niet mogelijk is DNA achterstevoren te laten werken. Maar het idee vond ik wel erg goed. Ik raad Het Genodyne-experiment aan voor iedereen die van spannende boeken houdt.
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584