Try it out
Lees hoofdstuk 1
Boodschap van Jesaja
 
Boek kaft: Boodschap van Jesaja

Inleiding

Toen ik deze inleiding schreef, gingen er geruchten dat de bejaarde Deng Xiaoping op zijn sterfbed lag, mogelijk in coma, en de hele Volksrepubliek China hield haar adem in. Dat deden ook duizenden China-deskundigen wereldwijd, bewust als ze zich ervan waren dat een kritisch ogenblik naderde. Deng was sinds het eind van de jaren ’70 de daadwerkelijke leider van China geweest, wat hem tot een figuur maakte met onberispelijke revolutionaire geloofsbrieven. Hij hielp in de jaren dertig van deze eeuw de eerste communistische enclave organiseren, nam deel aan de Lange Mars en speelde een leidende rol in het verzet tegen de Japanse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog. In die eerste dagen was hij een kameraad van Mao Zedong zelf geweest. Deng vertegenwoordigde stabiliteit, gebaseerd op continuïteit met het verleden en op het respect dat hij alom nog steeds kon afdwingen. Over het geheel was zijn status de laatste jaren eerder toe- dan afgenomen door de manier waarop hij economische hervormingen doorgevoerd had die China stap voor stap openstelden voor de rest van de wereld. Het was een gevaarlijke balanceeractie, die diepe spanningen teweegbracht tussen progressieve en conservatieve elementen, tussen Noord en Zuid en tussen arm en rijk, maar mogelijk was dit voor China de enige kans om opnieuw bloedvergieten te vermijden in een wereld waarin de druk van verandering onafwendbaar was. Maar nu lag Deng op zijn sterfbed en niemand leek in staat om zijn plaats in te nemen. China was een en al onzekerheid, met ijzingwekkende, onheilspellende mogelijkheden in het verschiet. In vergelijkbare omstandigheden, meer dan twee en een half duizend jaar geleden, stond een jongeman, die Jesaja heette, in de tempel te Jeruzalem en hoorde dat God hem tot profeet riep. Naar Jesaja’s eigen tijdrekening was dat in het jaar 740 v.Chr.,1 ‘in het sterfjaar van koning Uzzia’ (6:1). Jesaja en zijn wereld2

Juda was nauwelijks het China van de oude wereld; het was klein in vergelijking met Egypte in het zuiden en Assyrië in het noordwesten. Maar samen met zijn zusterkoninkrijk Israël nam het een strategische plaats in, dwars op de landroutes die Afrika verbonden met Centraal-Azië en het Verre Oosten. Het lag in het centrum van de bekende wereld en claimde verbazingwekkend genoeg dat zijn God, de HERE,3 de schepper en daadwerkelijke regeerder van alles was. Uzzia en zijn voorgangers in de Davidische lijn waren de onderkoningen van de HERE die Hij op Sion, zijn heilige berg, aangesteld had, dat het centrum van een nieuwe wereld zou worden. Juda leefde in de overtuiging dat de HERE de ware koning was en keek uit naar de dag waarop de hele aarde dat zou weten.
Dit credo was niet moeilijk te geloven geweest tijdens de lange regering van Uzzia die de hele eerste helft van de achtste eeuw omspande (791-740 v.Chr.).4 Het eens zo machtige Egypte, duidelijk over zijn hoogtepunt heen en verzwakt door interne strijd, was niet in de positie om te interveniëren. Assyrië, dat nog steeds ambities in die richting had, werd voorlopig teveel beziggehouden met belangrijkere zaken, zoals onrust langs zijn noordgrens en onzekerheid over de opvolging.5 Hooguit kon het genoeg druk op Damascus blijven uitoefenen om zich ervan te verzekeren dat dat ook zwak bleef.6 Als gevolg hiervan hadden Israël en Juda een prima kans om hun sleutellocatie in de regio uit te buiten en om rijke economische beloningen binnen te halen. Zij begonnen dan ook aan een indrukwekkend programma van militaire expansie, door met elkaar het meeste van het territorium te heroveren waarover Israël geregeerd had in de hoogtijdagen van de gouden eeuw onder Salomo. Het was een trotse tijd van militair succes, politieke stabiliteit en grote welvaart.7
Toen Uzzia’s regering echter ten einde liep, was het duidelijk dat deze stand van zaken niet veel langer zo kon blijven. Vijf jaar voor Uzzia’s dood in 745 v.Chr. was in Assyrië een ambitieuze en capabele nieuwe regeerder, Tiglath-Pileser III, aan de macht gekomen. Hij kreeg Babylon snel in zijn macht en beveiligde zijn noordgrens door een beslissende overwinning over Sardur II van Urartu.8 Tijdens meedogenloze veldtochten sloeg hij alle rebellie neer, reorganiseerde het land in een netwerk van provincies, bestuurd door zijn aangestelden en richtte zijn aandacht toen op de westelijke landen. De eerste stad die zijn toorn voelde was de Syrische stad Arpad, dat een verbond was aangegaan met zijn noordelijke vijanden. Het werd twee jaar lang belegerd en uiteindelijk in 740 v.Chr. geannexeerd. Ziende dit teken aan de wand begonnen de heersers van andere staten in de regio spoedig een bijdrage te leveren, met inbegrip van Rezin van Damascus, Menahem van Israël en Hiram van Tyrus. De richting van de opmars van Assyrië was duidelijk en alles tussen die staat en Juda raakte in verval. In het sterfjaar van Uzia was het internationele toneel vol dreiging. En ook intern liep het verre van goed. De nieuwverworven welvaart was niet evenwichtig verdeeld. Zij lag in handen van een economische elite die zich weinig gelegen liet liggen aan de bezitslozen onder hen. Diepe scheuren werden in de Judese maatschappij getrokken toen het recht gekocht en verkocht werd of gewoon werd veronachtzaamd en vervangen door gewelddadige uitbuiting en onderdrukking. De inachtneming van de religieuze gebruiken ging door, maar zonder dat het het rottingsproces kon verhullen dat daaronder had ingezet.9 Het credo dat de HERE koning was, was hol geworden. De ethische implicaties ervan werden niet in rekening gebracht en het boezemde niet langer veel vertrouwen in als men keek naar de veranderende wereld buiten Juda’s wankele grenzen. Het werd steeds moeilijker om in de turbulente jaren die kwamen, bij dit credo te leven.
Onder Jotam, Ahaz en Hizkia belandde Juda van de ene crisis in de andere en werd de Assyrische druk meedogenloos opgevoerd. In 734 v.Chr. vormden Peka van Israël en Rezin van Damascus een defensief bondgenootschap en probeerden ze Achaz over te halen zich bij hen aan te sluiten. Toen deze weigerde, vielen zij Juda binnen om hem te vervangen door iemand die dat wel zou doen. Het was een zware beproeving en Achaz was daar niet tegen opgewassen. Jesaja raadde hem aan om standvastig op de HERE te vertrouwen; in plaats daarvan deed hij echter een beroep op Tiglath-Pileser om te komen helpen en onderwierp hij Juda in feite aan Assyrische overheersing.10 Van toen af zou de belasting een zware aderlating zijn voor de nationale schatkist. Een weigering om dat te betalen zou rebellie betekenen die een snelle vergelding zou uitlokken.
De noordelijke alliantie viel snel uiteen, te beginnen met de val van Damascus in 732 v.Chr. Samaria volgde in 722 v.Chr. Het noordelijke koninkrijk Israël werd ontmanteld en gereorganiseerd als een provincie van het rijk waarvan de grens nu ongeveer 13 kilometer ten noorden van Jeruzalem lag. In de jaren die volgden, vochten Juda en zijn zuidelijke buren door, economisch kreupel gemaakt en weerspannig als ze waren onder het Assyrische juk. Ieder teken of gerucht van Assyrische zwakheid lokte nieuwe gesprekken uit over rebellie, met hoop op Egyptische steun. Eén zo’n opstand door de Filistijnse stad Asdod werd in 711 v.Chr. bruut neergeslagen.11 Het zou voor Juda een voldoende waarschuwing moeten zijn geweest om zich van al dat soort intriges afzijdig te houden, maar in de loop van de eeuw raakte het daarin verzeild door wanhoop en door de ontstane situatie. Het Assyrische juk was ondraaglijk; het omvatte erkenning van de rijksgoden, een te hoge prijs om te betalen. Achaz was daartoe bereid geweest,12 maar Hizkia niet. Hij koos openlijk positie en hield voet bij stuk door uitgerekend in het eerste jaar van zijn regering belangrijke hervormingen door te voeren. Van toen af werd het een zenuwenoorlog, omdat Hizkia de tijd uitkocht om zich zo degelijk mogelijk voor te bereiden op de confrontatie die vroeg of laat moest komen. Overal waren er tekenen dat de gebeurtenissen hem in de kaart speelden. Na de dood van Sargon II waren er wijdverspreide revoltes tegen zijn opvolger Sennacherib (705-681 v.Chr.). In het oosten was Babylon al in opstand gekomen en zag Juda als een potentiële bondgenoot.13 Ook Egypte beleefde iets van een opleving en leek bereid om hulp te verlenen.14 Een gelijktijdig oproer in het oosten en westen bood de beste gelegenheid om te profiteren van Assyrië’s zwakte en het zag ernaar uit dat het nu of nooit zou zijn. Dit keer aarzelde Hizkia niet. Hij riskeerde alles door zijn handschoen zonder reserve in de ring te werpen. Hij hield de schatting achter, bracht de tegenstribbelende Filistijnen in het gareel en versterkte Jeruzalems verdedigingen.15
Het was een beslissende zet; goedbedoeld misschien, moedig zeker, maar een afschuwelijke misser, en het bracht Juda op de rand van de afgrond. Sanherib trok sneller op en bleek veel sterker dan ook maar iemand gedacht had. In minder dan een jaar kreeg hij de teugels intern krachtig in handen, bracht hij Babylon in het gareel en beveiligde zijn noordgrens. Omstreeks 701 v.Chr. zou hij al naar het westen optrekken, vastbesloten om de zaken voor eens en altijd te beslissen. Het was een enorme campagne, waarin hij Palestina systematisch verwoestte, van Sidon in het noorden tot Lakis in het zuiden toe, en waarin hij uiteindelijk Jeruzalem zelf belegerde.16 ‘Hizkia, de Judeër’, was een sleutelfiguur geweest in de opstand en Sanherib was vastbesloten om hem die voluit betaald te zetten.17
Hizkia’s laatste hoop, menselijkerwijs gesproken, was Egypte, maar dat bleek uiteindelijk een gebroken rietstaf waarvan de hulp volstrekt niets uithaalde.18 Dit leek het einde te zijn en dat zou het ook zijn geweest als de HERE niet tussenbeide was gekomen.19 Jeruzalem bleef wonderwel overeind, maar het hele Judese platteland werd een rokende puinhoop.
Door dit alles klampte Jesaja zich vast aan de waarheid die zich door zijn roeping in zijn geweten had ingegrift. In het sterfjaar van koning Uzzia had hij de Koning gezien, hoog en verheven, en de hele aarde, vol van zijn glorie. Dus toen Sanheribs mannen bij de poorten stonden en in de naam van ‘de grote koning, de koning van Assyrië’ verkondigden dat Jeruzalem helemaal in zijn macht was, wist Jesaja dat dit een leugen was.20 De waarheid achter de schijn was dat de HERE zelf de hoogste heerser was en zowel het lot van Assyrië als Juda zou bepalen. Jesaja leefde bij het oude credo. Achaz en Hizkia vonden het moeilijk dat in praktische politiek te vertalen, het gewone volk bewees het alleen maar lippendienst en Sanherib bespotte het als dwaasheid, maar Jesaja liet zijn hele koers daardoor bepalen.
De weinige biografische details die we hebben, geven aan hoe volledig Jesaja ’s roeping hem domineerde en in beslag nam. Jeruzalem, dat zo’n belangrijke rol speelde in zijn prediking, was zijn woonplaats.21 Zijn gemakkelijke toegang tot de koning suggereert dat hij van hoge geboorte was en zich binnen de elite bewoog.22 Toch was er niets steriels of kruiperigs aan hem. Zijn aanwezigheid was een constante herinnering aan het feit dat koninklijke macht niet absoluut was en dat privileges zware verantwoordelijkheid met zich meebrachten. Zijn gespannen confrontatie met Achaz in hoofdstuk 7 bijvoorbeeld, spreekt boekdelen over zijn moed en niet aflatende toewijding aan zijn hoge roeping, kwaliteiten die hem uiteindelijk het leven zouden kosten. Zijn vrouw wordt in 8:3 ‘de profetes’ genoemd, wat suggereert dat ook zij profeteerde. In elk geval deed zij dat indirect, want zij bracht voor Jesaja kinderen ter wereld van wie de symbolische namen belangrijke aspecten van zijn boodschap uitdrukten.23 Verder weten we niets over zijn familieleven, wat voor troost hij daarin vond of wat voor spanningen hij daardoor doormaakte. Alles wat we weten, is dat hij een man uit één stuk was, dat zijn roeping zijn huiselijk leven beïnvloedde en vormgaf, zoals dat gebeurde in elke kring waarin hij zich bewoog. We zien in 8:16-18 een glimp van een kleine groep discipelen die zich rond hem verzamelden, met de sterke aanwijzing dat die zijn zoons omvatte.24 Dat moet in ieder geval een enorme troost voor hem zijn geweest en een heel passende beloning voor zijn trouw.25
Veel van het materiaal in de hoofdstukken 1-39 van het boek betreffen op de een of andere maner zijn ambtsperiode tijdens respectievelijk de crises van 734 en 701 v.Chr. Maar zelden krijgen we hem direct te zien en zelfs dan richt zich de aandacht niet op hemzelf, maar op anderen: Achaz, Hizkia, Sanherib en natuurlijk de HERE, wiens woord alles vorm en leiding geeft. De dienstknecht gaat schuil achter zijn HERE, en de boodschapper achter zijn boodschap. Maar hij was voorbestemd om nog meer in het verborgene op te treden, want er kwam een tijd dat hij onmogelijk in het openbaar kon verschijnen. Binnen vijf jaar na het debâcle in 701 v.Chr.26 had Manasse het beleid van zijn vader volledig teruggedraaid en stortte hij Juda in een van de donkerste perioden van zijn geschiedenis. Onderwerping aan Assyrië werd de nieuwe politieke orthodoxie, heidense riten van de meest afschuwelijke soort werden weer ingevoerd en elke afwijkende mening werd onbarmhartig de kop ingedrukt.27 De overlevering wil dat Jesaja in die tijd de marteldood stierf en door Manasses mannen in tweeën werd gezaagd.28 Zo ja, dan was het bepaald een wreed einde, maar geen nederlaag, want waarschijnlijk was het in die laatste stille jaren van ouderdom en vervolging, dat hij de diepten bereikte en de hoogten beklom van geestelijk inzicht, en dat hij zijn leerlingen de onschatbare schatten toevertrouwde die voor ons bewaard zijn in de hoofdstukken 40-46. Ze vormen een completering op en een afronding van de inzichten van zijn eerdere prediking. Want iets groters hield zijn geest nu bezig dan de bijzonderheden die met deze of gene politieke crisis gepaard gingen. Het was het volledige beeld van Gods toekomstplannen met zijn volk en met de wereld. Het was wat het openingsvers van het boek zijn ‘gezicht’ of ‘visioen’ noemt.

Recensies uit de krant
9-4-2003Stichting Nederlandse Bibliotheek dienst
1-9-2003de Boekensteun
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584