Try it out
Lees hoofdstuk 1
Boodschap van de Bergrede (Matteus 5-7)
 
Boek kaft: Boodschap van de Bergrede (Matteus 5-7)

Matteüs 5:3-12
De aard van een christen: de zaligsprekingen

3 Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
4 Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.
5 Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
6 Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
7 Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.
8 Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.
9 Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.
10 Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
11 Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.
12 Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd.

Iedereen die van Jezus van Nazaret heeft gehoord en ook maar iets van zijn leer afweet, kent de zaligsprekingen waarmee de bergrede begint. Elke nieuwe generatie christenen, maar ook vele anderen, worden aangetrokken door de eenvoud van deze woorden en de diepte van de gedachten erachter. Hoe meer we de consequenties ervan onderzoeken, des te meer lijkt het erop, alsof het grootste gedeelte nog niet is onderzocht. Hun rijkdom is onuitputtelijk. We kunnen de diepte ervan niet peilen. Werkelijk, ‘wij zijn hier dicht bij de hemel.’1
Voor we iedere zaligspreking afzonderlijk behandelen, zijn er eerst nog drie algemene vragen die we erover moeten stellen. Die hebben betrekking op de mensen die worden beschreven, de deugden die worden aanbevolen en de zegeningen die worden beloofd.

a. De mensen die worden beschreven
De zaligsprekingen verwijzen naar het uitgebalanceerde en pluriforme karakter van de hele christen-gemeenschap. Die bestaat niet uit acht aparte en duidelijk verschillende groepen, waarvan sommige zachtmoedig zijn terwijl anderen barmhartig zijn, en weer anderen zich geroepen voelen om vervolgd te worden. Het zijn acht eigenschappen van dezelfde groep mensen die tegelijkertijd zachtmoedig en barmhartig zijn, arm van geest en zuiver van hart, treuren en honger hebben, vredestichters en vervolgden zijn.
Verder is de groep die deze kenmerken vertoont, geen elite, geen geestelijke aristocratie, afgezonderd van de gewone christenen. Integendeel. In de zaligsprekingen maakt Jezus precies duidelijk wat iedere christen eigenlijk zou moeten zijn. Al deze eigenschappen zouden het kenmerk moeten zijn van al zijn volgelingen. Evenals de negenvoudige vrucht van de Geest, die Paulus beschrijft, moet rijpen in iedere christen, vormen de acht zaligsprekingen waarover Christus spreekt, zijn ideaal voor elke burger van het Koninkrijk van God. Anders dan de gaven van de Geest, die Hij verdeelt over verschillende leden van het lichaam van Christus om hen uit te rusten voor verschillende vormen van de dienst aan God, zorgt dezelfde Geest ervoor dat al deze christelijke genadegaven in ons allen werkzaam zijn. Wij kunnen ons niet onttrekken aan de verantwoordelijkheid om ze allemaal te begeren.

b. De aanbevolen eigenschappen
Het is bekend dat er, ten minste wat formulering betreft, een groot verschil is tussen de zaligsprekingen in Matteüs en Lucas. Zo schrijft Lucas: ‘Zalig, gij armen’, terwijl Matteüs schrijft: ‘Zalig de armen van geest’. De uitspraak van Lucas ‘Zalig, gij die nu hongert’ wordt door Matteüs weergegeven als ‘Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid’.
Als gevolg hiervan wordt wel beweerd dat de versie van Lucas de juiste is; dat Jezus een politiek of sociologisch oordeel uitsprak over armen en mensen die honger hadden; dat Hij aan degenen die ondervoed waren voedsel beloofde en aan het proletariaat rijkdom in het Koninkrijk van God; wat oorspronkelijk materiële beloften waren, zou door Matteüs worden vergeestelijkt.
Dat is echter een onmogelijke interpretatie, tenzij we bereid zijn om te geloven dat óf Jezus zichzelf tegensprak óf de evangelisten zo onhandig waren om Hem zo over te laten komen. Want bij de verzoekingen in de woestijn van Judea, waarover Matteüs in het voorafgaande hoofdstuk verhaalt, weigerde Jezus om stenen in brood te veranderen en verwierp Hij het idee om een aards koninkrijk te stichten. Gedurende zijn openbare leven bood Hij deze verleiding voortdurend het hoofd. Toen de menigten door het feit dat Jezus vijfduizend mensen te eten gaf, aangemoedigd werden ‘dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken’ trok Jezus zich onmiddellijk in het gebergte terug.2 En toen Pilatus Hem vroeg of er enige grond was voor de aanklachten die de joodse leiders tegen Hem inbrachten, en of Hij feitelijk politieke ambities had, was zijn antwoord ondubbelzinnig: ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.’3 Dat betekent dat het een andere oorsprong had en daardoor een ander karakter bezat.
Hiermee wil niet gezegd zijn dat Jezus onverschillig stond tegenover armoede en honger. Integendeel, Hij had medelijden met degenen die in nood verkeerden. Hij gaf eten aan degenen die honger hadden en gaf zijn volgelingen de opdracht om hetzelfde te doen. Maar de zegen van zijn Koninkrijk was niet op de eerste plaats gericht op materiële welvaart.
Als Hij geen onmiddellijke fysieke verlichting bood, en als Hij die ook niet beloofde in een toekomstige hemel, waarom verklaarde Hij dan intussen de armen en degenen die honger hadden zalig? Natuurlijk, in bepaalde omstandigheden kan God armoede gebruiken als een middel voor geestelijke zegeningen, evenals weelde daarvoor een hinderpaal kan zijn. Maar dit maakt de armoede in zichzelf nog niet tot een begerenswaardige toestand die door Jezus wordt gezegend. De kerk is altijd fout geweest als ze deze eerste zaligspreking gebruikte om de armoede van de grote massa te vergoelijken of vrijwillige armoede te vragen van monniken en anderen die moesten zweren afstand te doen van bezit. Mogelijk roept Christus nog steeds mensen op om in armoede te leven, maar het is niet juist om die oproep in deze zaligspreking te horen.
Nee, de armoede en honger waarnaar Jezus verwijst in de zaligsprekingen zijn geestelijk. Het zijn ‘de armen van geest’ en ‘degenen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid’ die Hij zalig verklaart. En het is verantwoord om hieruit af te leiden dat de andere eigenschappen die Hij noemt ook geestelijk zijn. Het is waar dat het Aramese woord dat Jezus waarschijnlijk gebruikte gewoon ‘arm’ geweest is, zoals in de versie van Lucas. Maar in die tijd waren ‘de armen’, de armen van God, al een duidelijk bepaalde groep, en Matteüs handelde juist door het met ‘armen van geest’ te vertalen. Want ‘de armen’ waren niet zozeer degenen die door armoede waren getroffen, als wel de vromen die – deels omdat ze behoeftig waren, vertrapt, onderdrukt of op andere manieren getroffen door leed — hun geloof en hoop op God hadden gesteld.

c. De beloofde zegeningen
Elke in de zaligsprekingen genoemde eigenschap is aanbevelenswaardig, omdat iedere persoon ‘zalig’ wordt verklaard die gestalte geeft aan die eigenschap. Het Griekse woord makarios kan ‘gelukkig’ betekenen, en betekent dat hier ook. Daarom vertaalt JBP de openingswoorden van iedere zaligspreking met: ‘Hoe gelukkig zijn...!’ Verschillende commentatoren hebben ze dan ook uitgelegd als het recept van Jezus om gelukkig te worden. De meest vernuftige poging hiertoe is gedaan door Ernest M. Ligon van de faculteit psychologie van het Union College, Schenectady, New York, in zijn boek The psychology of Christian personality.4 Na zijn erkentelijkheid te hebben betuigd aan Harry Emerson Fosdick, gaat hij de bergrede verklaren ‘vanuit het standpunt van de geestelijke gezondheid’ (p. vii). `De belangrijkste fout die mensen gemaakt hebben bij het uitleggen van deze verzen van Jezus (de zaligsprekingen)’, schrijft hij, `is het verzuim om op te merken dat het eerste woord ervan steeds gelukkig is.’5 In zijn visie ‘vormen zij Jezus’ theorie van geluk’.6 Het zijn niet zozeer ethische plichten als wel ‘een serie van acht fundamentele emotionele houdingen. Als een mens in deze geest reageert op zijn omgeving zal hij een gelukkig leven leiden,’7 want dan heeft hij de ‘formule voor geestelijke gezondheid’ ontdekt. 8 Volgens Ligon legt de bergrede in het bijzonder de nadruk op de ‘krachten’ van geloof en liefde, ‘ervaringsgeloof’ en ‘vaderlijke liefde’. Deze twee principes zijn onmisbaar voor de ontwikkeling van een ‘sterke en gezonde persoonlijkheid’.9 Niet alleen kunnen angstgevoelens worden overwonnen door geloof, en destructieve wrokgevoelens door liefde, maar ook ‘het minderwaardigheidscomplex met zijn vele bijverschijnselen’ door de Gulden Regel.10
Deze interpretatie is niet per se volkomen onjuist, want niemand weet beter hoe we werkelijk mens kunnen worden dan onze Schepper. Hij heeft ons gemaakt en Hij weet hoe wij het best functioneren. Door te gehoorzamen aan zijn morele wetten ontdekken wij wie we zelf zijn en bereiken we onze bestemming. En op basis van eigen ervaringen kunnen alle christenen getuigen dat er een nauwe band bestaat tussen heiligheid en geluk.
Desalniettemin is het zeer misleidend om makarios te vertalen met ‘gelukkig’. Want geluk is een subjectieve toestand, terwijl Jezus een objectief oordeel uitspreekt over deze mensen. Hij legt niet uit hoe ze zich kunnen voelen (`gelukkig’), maar Hij maakt duidelijk hoe God over hen denkt, en wat zij ten gevolge daarvan zijn, namelijk zalig, ofwel gezegend.
Wat is deze zegen? De tweede helft van elke zaligspreking maakt dat duidelijk. Zij bezitten het Koninkrijk der hemelen en zij erven de aarde. Degenen die rouwen zullen getroost worden, en degenen die honger hebben zullen verzadigd worden. Zij ontvangen genade, zij zien God, zij worden de kinderen van God genoemd. Hun beloning in de hemel is groot. Al deze zegeningen horen bij elkaar. Net zoals de acht eigenschappen (het ideaalbeeld van) iedere christen beschrijven, zo zijn de acht zegeningen bestemd voor iedere christen. De bijzondere zegening die in ieder geval apart wordt beloofd, hoort bij de bijzondere categorie die wordt genoemd. Maar tegelijkertijd is het beslist onmogelijk om het Koninkrijk der hemelen te erven zonder de aarde te erven, getroost te worden zonder verzadigd te worden, en God te zien zonder zijn genade te ontvangen en zijn kinderen genoemd te worden. De acht categorieën samen vormen de verantwoordelijkheden en de acht zegeningen de voorrechten van iemand die burger is van het Koninkrijk van God.
Zijn de zegeningen er nu al, of komen ze pas in de toekomst? Persoonlijk denk ik dat het enig mogelijke antwoord is: ‘beide’. Er zijn echter commentatoren die volhouden dat ze er pas in de toekomst zullen zijn; zij leggen de nadruk op het ‘eschatologisch’ karakter van de zaligsprekingen. Het is waar dat het tweede gedeelte van de laatste zaligspreking aan degenen die vervolgd worden een grote beloning in de hemel belooft, en dat moet wel in de toekomst zijn (11). Het valt ook niet te ontkennen dat slechts in de eerste en de achtste zaligspreking de zegening wordt uitgedrukt in de tegenwoordige tijd ‘want hunner is het Koninkrijk der hemelen’ (3, 10); en het is zelfs waarschijnlijk dat Jezus deze werkwoordsvorm in het Aramees niet gebruikte. De andere zes zaligsprekingen hebben het werkwoord in de toekomende tijd (‘zij zullen’). Het is duidelijk uit de rest van het onderricht van Jezus dat het Koninkrijk van God een realiteit is die al aanwezig is en die we nu kunnen ‘ontvangen’, ‘erven’ of ‘binnengaan’. Op soortgelijke wijze kunnen we nu barmhartigheid en troost ontvangen, kunnen we nu kinderen van God worden en kan in dit leven onze honger gestild worden en onze dorst gelest. Jezus beloofde al deze zegeningen aan zijn volgelingen in het hier en nu. De belofte dat we ‘God zullen zien’ kan klinken als een verwijzing naar de uiteindelijke ‘zalige aanschouwing’,11 en is daar ongetwijfeld bij inbegrepen. Maar we kunnen God al zien in dit leven, zowel in de persoon van zijn Christus12 als met een geestelijke blik.13 Wij beginnen immers in dit leven al ‘de aarde te erven,’ want als we van Christus zijn is alles al van ons, ‘hetzij... wereld, leven of dood, hetzij heden of toekomst’.14
De beloften van Jezus in de zaligsprekingen zullen dus zowel in het heden als in de toekomst worden vervuld. We kunnen de eerste vruchten ervan nu plukken; de volledige oogst zal nog komen. En zoals professor Tasker terecht aantoont, ‘de toekomende tijd... legt de nadruk op hun zekerheid en niet louter op hun toekomstgerichtheid. Degenen die rouwen zullen inderdaad getroost worden, enz.’15
Dit brengt ons bij een volgende vraag over de zegeningen die Jezus beloofde. Het is een probleem waar we niet omheen kunnen. Zijn de zaligsprekingen geen heilsleer, waarbij het heil bereikt kan worden door menselijke verdienste en goede werken - wat onverenigbaar is met het evangelie? Beweert Jezus bijvoorbeeld niet uitdrukkelijk dat de barmhartigen barmhartigheid zullen ondervinden en de zuiveren van hart God zullen zien? En impliceert dat niet dat we barmhartigheid ondervinden door barmhartigheid te tonen en dat we God zullen zien omdat we zuiver van hart zijn geworden?
Er zijn exegeten die deze stelling ronduit verdedigen. Ze proberen de bergrede voor te stellen als niets anders dan een iets verchristelijkte vorm van de wet van het Oude Testament en de ethiek van het jodendom. Jezus functioneert hier als rabbi, als een wetgever, zo zeggen zij, die zijn geboden uitvaardigt en verwacht dat men die zal gehoorzamen, en verlossing belooft aan degenen die daarin slagen. Waarschijnlijk is de meest fervente aanhanger van deze visie Hans Windisch in zijn boek The meaning of the Sermon on the Mount (1929). Hij baseert zich vooral op ‘historische exegese’ en verwerpt wat hij noemt de ‘Paulinische exegese’, waarmee hij de pogingen bedoelt om de bergrede te interpreteren op een wijze die overeenkomt met de genadeleer van Paulus. Volgens hem mag dat niet worden gedaan: ‘Gezien vanuit het standpunt van Paulus, Luther en Calvijn is de soteriologie van de bergrede ketters.’16 Met andere woorden: de bergrede verkondigt de wet en niet het evangelie, en biedt gerechtigheid aan door werken en niet door geloof. ‘Er bestaat hier een kloof tussen Jezus en Paulus die door geen enkele exegetische kunstgreep overbrugd kan worden.’17 Windisch gaat zelfs nog een stap verder. Hij veronderstelt dat de nadruk die Paulus gelegd heeft op de verlossing als genadegave, velen ertoe gebracht heeft om goede werken als overbodig te beschouwen. Matteüs zou daarom welbewust de bergrede hebben opgesteld als een soort leer die tegen Paulus was gericht!18
Diezelfde vrees, namelijk dat de beloften van de bergrede voor hun vervulling afhankelijk zijn van menselijke verdienste, bracht J.N. Darby ertoe om ze te verschuiven naar het toekomstige ‘tijdperk van het Koninkrijk’. Dit zogenaamde dispensationalisme werd algemeen verbreid door de Scofield Reference Bible (1909) die als commentaar op 5:2 de bergrede ‘zuiver wet’ noemt, hoewel wordt toegegeven dat de principes van de bergrede ‘door christenen prachtig toegepast kunnen worden op moreel gebied’.

Recensies uit de krant
1-7-2003de Band
1-8-2003De boekensteun
7-8-2003Stichting Nederlandse Bibliotheek dienst
21-3-2004Groei
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584