Try it out
Lees hoofdstuk 1
De eeuwigheid in hun hart
 
Boek kaft: De eeuwigheid in hun hart

HOOFDSTUK EEN

Volkeren van de vage God

De Atheners
Ergens in de zesde eeuw voor Christus, in een raadszaal op de Marsheuvel, Athene…

‘Vertel ons, Nicias, welk bericht heeft het Pythian orakel je meegegeven? Waarom worden wij geteisterd door deze plaag? En waarom hebben al onze talloze offers niet gebaat?’
Met een oprechte blik in zijn koele ogen keek Nicias het hoofd van de raad aan. ‘De priesteres verklaart dat onze stad onder een vreselijke vloek staat. Een zekere god heeft deze vloek op ons geplaatst omdat Koning Megacles een afschuwelijke misdaad heeft gepleegd, door de volgelingen van Cylon te verraden...’
‘Inderdaad! Ik herinner het me nu’, zei een ander raadslid grimmig. ‘Megacles verkreeg de capitulatie van de volgelingen van Cylon door een belofte van gratie. Toen brak hij prompt zijn woord en slachtte ze af! Maar welke god verwijt ons deze misdaad nu nog? We hebben aan alle goden verzoeningsoffers gebracht!’
‘Dat is niet helemaal waar’, antwoordde Nicias. ‘De priesteres zegt dat er één god is die nog altijd onverzoend blijft.’
‘Wie zou hij kunnen zijn?’ vroegen de oudsten, en ze keken Nicias ongelovig aan.
‘Dat kan ik jullie niet vertellen’, zei Nicias. ‘Het lijkt erop dat het orakel zelf zijn naam ook niet kent. Het zei enkel dat…’
Nicias wachtte even en inspecteerde de bezorgde gezichten van zijn collega’s. Ondertussen weerklonk het tumult van duizenden klaagzangen vanuit de geteisterde stad rondom hen.
Nicias ging door: ‘… dat we onmiddellijk een schip naar Knossos, op het eiland Kreta, moeten sturen, om daarvandaan een man genaamd Epimenides naar Athene te brengen. De priesteres verzekert me dat hij zal weten hoe we ons met deze gekwetste god moeten verzoenen, en op die manier onze stad kunnen redden.’
‘Is er dan geen enkele man hier in Athene die genoeg wijsheid heeft?’ flapte een verontwaardigde oudste eruit. ‘Moeten we beroep doen op een… een vreemdeling?’
‘Als jij hier in Athene een man kent die genoeg wijsheid heeft, zeg hem dan te komen’, zei Nicias. ‘Als dat niet het geval is, laten we dan gewoon doen wat het orakel ons heeft gezegd.’
Een koude wind, zo koud dat het leek alsof het verkild was door de terreur in Athene, zwiepte door de witmarmeren raadszaal op de Marsheuvel. De ene oudste na de andere trok zijn magistraatskleed over zijn schouders en woog de woorden van Nicias af.
‘Ga namens ons allen, mijn vriend’, zei het hoofd van de raad. ‘Haal deze Epimenides op, als hij je pleidooi wil aanhoren. En als hij onze stad redt, zullen we hem belonen.’
Andere leden van de raad stemden ermee in. Nicias, met zijn kalme stem, stond op, boog voor de vergadering, en verliet de zaal. Hij liep de Marsheuvel af, richting de haven van Piraeus, op elf kilometer afstand van de Baai van Phaleron. Een schip lag daar voor anker.

Met stevige pas zette Epimenides voet aan wal in Piraeus, gevolgd door Nicias. De twee mannen begonnen direct aan hun reis naar Athene en kregen langzaam hun ‘landbenen’ terug na een een lange zeereis vanuit Kreta. Toen ze de nu al wereldberoemde ‘filosofenstad’ binnengingen, zagen ze overal sporen van de plaag. Maar Epimenides merkte nog iets anders op...
‘Ik heb nog nooit zoveel goden gezien!’ riep de Kretens uit tegen zijn gids, en zijn ogen knipperden van verbazing. Slagordes afgoden stonden aan beide zijden van de weg vanuit Piraeus. Honderden andere goden sierden een rotsige glooiing, genaamd de Acropolis. Een latere generatie van Atheners zou daar het Parthenon bouwen.
‘Hoeveel goden heeft Athene?’ voegde Epimenides eraan toe.
‘Minstens enkele honderden!’ antwoordde Nicias.
‘Enkele honderden!’ riep Epimenides uit. ‘Goden zijn hier vast makkelijker te vinden dan mensen!’¹
‘Goed gezegd!’ grinnikte raadslid Nicias. ‘Wie weet hoeveel gezegden mensen hebben verzonnen over ‘Athene, de stad overladen met goden.’ Je kunt net zo goed stenen naar een steengroeve slepen als nog een god naar onze stad brengen!’
Nicias stond stil, en dacht na over zijn eigen woorden. ‘En toch’, begon hij bedachtzaam, ‘verklaart het Pythian orakel dat er nog een god is met wie wij Atheners ons moeten verzoenen. En jij, Epimemides, moet de nodige verbinding tot stand brengen. Ondanks wat ik heb gezegd, hebben wij Atheners blijkbaar nog een god nodig!’
Plotseling gooide Nicias zijn hoofd naar achteren en lachte. ‘Werkelijk, Epimenides, ik heb geen flauw idee wie deze andere god kan zijn. Wij Atheners zijn ’s werelds voornaamste godenverzamelaars! We hebben de godsdiensten van vele volkeren rondom ons al geplunderd en alle godheden die we per wagen of per schip naar onze stad konden vervoeren bij elkaar verzameld!’
‘Misschien is dat jullie probleem’, zei Epimenides mysterieus.
Nicias knipperde met zijn ogen en keek Epimenides onbegrijpend aan. Hoe graag zou hij uitleg voor die laatste opmerking willen vragen. Maar iets in de houding van Epimenides bracht hem tot zwijgen. Enkele momenten later arriveerden ze bij een zeer oude stoa met een marmeren vloer, dichtbij de raadszaal op de Marsheuvel. Het bericht van hun aankomst had de oudsten van Athene ondertussen bereikt. De raad wachtte hen al op.

‘Epimenides, wij zijn dankbaar dat je...’ begon het hoofd van de vergadering.
‘Geleerde oudsten van Athene, het is niet nodig mij te bedanken’, onderbrak Epimenides. ‘Breng morgen bij zonsopgang een kudde schapen, een groep steenhouwers en een grote voorraad stenen en metselkalk naar de met gras bedekte helling aan de voet van deze heilige rots. De schapen moeten allemaal gezond zijn en verschillende kleuren hebben, sommige wit, sommige zwart. En jullie moeten ze niet laten grazen na hun nachtrust. Het moeten hongerige schapen zijn! Ik ga nu uitrusten van mijn reis. Roep me bij het aanbreken van de dageraad.’
Leden van de raad wisselden nieuwsgierige blikken terwijl Epimenides over de stoa naar een rustige alkoof stapte, zijn mantel als een deken over hem heen trok, en ging zitten om te mediteren.
Het hoofd van de raad keerde zich naar een juniorlid van de raad. ‘Zie toe dat alles dat hij heeft gezegd, wordt uitgevoerd’, beval hij.

‘De schapen zijn gearriveerd’, zei het juniorlid gedwee. Epimenides, nog wat verward en slaperig, kwam uit zijn rustplaats te voorschijn en volgde de boodschapper naar een met gras bedekte helling, onderaan de Marsheuvel. Twee scharen, één met zwarte en witte schapen en één met raadsleden, herders en steenhouwers, stonden onder een opgaande zon te wachten. Honderden burgers, afgetobd door alweer een nacht van zorg voor diegenen die door de plaag getroffen waren en door rouw over hun doden, beklommen de omringende heuveltjes en keken met spanning toe.
‘Geleerde oudsten’, begon Epimenides, ‘jullie hebben tot nu toe al jullie inspanningen besteed aan het brengen van offers aan jullie talrijke goden, maar het heeft allemaal geen zin gehad. Ik sta nu op het punt om offers te brengen, gebaseerd op drie veronderstellingen die aanzienlijk verschillen van die van jullie. Mijn eerste veronderstelling…’
Elk oog was gericht op de lange Kretens; elk oor stemde zich af om zijn volgende woorden op te vangen.
‘…is dat er nog een andere god is die betrokken is bij deze plaag in kwestie, een god wiens naam ons niet bekend is, en die daarom door geen van de afgodsbeelden in jullie stad vertegenwoordigd wordt. Ten tweede veronderstel ik ook dat deze god groot genoeg is, en goed genoeg, om iets aan deze plaag te doen, als we zijn hulp maar inroepen.’
‘Een god aanroepen wiens naam wij niet kennen?’ riep een oudste uit. ‘Is dat mogelijk?’
‘De derde veronderstelling is mijn antwoord op uw vraag’, weerlegde Epimenides. ‘Die veronderstelling is een hele simpele: een god die groot genoeg en goed genoeg is om iets aan de plaag te doen, is waarschijnlijk groot genoeg om te glimlachen om ons gebrek aan kennis; als we ons gebrek erkennen en hem aanroepen!’
Goedkeurend gemompel mengde zich met het blaten van hongerige schapen. Nog nooit eerder hadden de oudsten van Athene dit soort redeneringen gehoord. Maar waarom, vroegen ze zich af, moesten de schapen verschillende kleuren hebben?
‘Nu dan!’ riep Epimenides, ‘wees gereed om de schapen vrij te laten op deze gewijde helling! Als jullie ze eenmaal vrijgelaten hebben, laat elk dier dan grazen waar het wil. Maar laat een man elk dier volgen en het goed in de gaten houden.’ Toen sloeg Epimenides zijn ogen op naar de hemel en bad in een zeer machtige stem, vol uiterst vertrouwen: ‘O gij onbekende god! Zie de plaag die deze stad teistert! En als u inderdaad barmhartigheid voelt om ons te vergeven en te helpen, zie dan deze kudde schapen! Openbaar uw gewilligheid om te antwoorden, ik smeek u, door ervoor te zorgen dat elk schaap dat u wilt, op het gras gaat liggen in plaats van te grazen. Kies witten als wit u behaagt; zwarten als u zich in zwart verheugt. En diegene die u kiest, offeren wij aan u en daarmee erkennen wij onze verachtelijke onwetendheid over uw naam!’
Epimenides zette zich neer op het gras, boog zijn hoofd en maakte een handgebaar naar de herders die bij de schapen stonden. Langzaam gingen de herders opzij. Snel en enthousiast verspreidden de schapen zich over de gehele helling en begonnen te grazen. Ondertussen zat Epimenides stil als een beeld, zijn ogen naar de grond.
‘Het is hopeloos’, mompelde een fronzend raadslid in zijn baard. ‘Het is vroeg in de morgen, en ik heb zelden een kudde gezien die zo vurig wilde grazen. Niet één zal ervoor kiezen uit te rusten voor zijn buik vol is, en wie zal dan geloven dat het een god was die hem neer deed liggen?’
‘Dus daarom heeft Epimenides deze tijd van de dag uitgekozen!’ antwoordde Nicias. ‘Alleen dan zullen we weten dat een schaap dat gaat liggen, het doet door de wil van deze onbekende god en niet omdat hij er zelf voor kiest!’
Nauwelijk was Nicias uitgesproken of een herder riep: ‘Kijk!’ Elk oog keerde zich en zag een superieur ram die zijn knieën boog en op het gras ging zitten.
‘En hier is er nog één!’ brulde een verbouwereerde raadsman, buiten zichzelf van verbazing. Binnen enkele minuten lag een aantal superieure schapen te rusten op het gras, dat zo sappig was dat het voor geen enkele hongerige planteneter te versmaden was – onder normale omstandigheden!
‘Als er maar één was gaan rusten, zouden we gezegd hebben dat hij ziek was!’ riep het hoofd van de raad uit. ‘Maar dit! Dit kan alleen maar een antwoord zijn!’
Met verwondering in zijn ogen keerde hij zich naar Epimenides en zei, ‘Wat zullen we nu doen?’
‘Scheid de rustende schapen af van de rest’, antwoordde de Kretens, en voor de eerste keer sinds hij zijn onbekende god had aangeroepen, hief hij zijn hoofd op. ‘En markeer de plaats waar elk schaap lag. Laat de steenhouwers dan altaren bouwen, een altaar op de rustplaats van ieder dier!’
Enthousiaste steenhouwers begonnen de stenen te metselen. Tegen het eind van de middag was de metselkalk genoeg gehard. Elk altaar was klaar om gebruikt te worden.
‘Van welke god zullen we de naam op deze altaren graveren?’ vroeg een overenthousiaste junior-raadsman. Alle hoofden keerden zich om het antwoord van de Kretens te horen.
‘Naam?’ antwoordde Epimenides bedachtzaam. ‘Het heeft de Godheid wiens hulp we inroepen behaagd om ons te antwoorden toen we ons gebrek aan kennis erkenden. Als we nu doen alsof we goed ingelicht zijn door een naam op de altaren te graveren terwijl we geen enkel idee hebben wat Zijn naam is, vrees ik dat we hem alleen maar zullen beledigen!’
‘Dat risico moeten we niet nemen’, stemde het hoofd van de raad in. ‘Maar er moet toch een passende manier zijn om..., om elk altaar op te dragen voor het wordt gebruikt.’
‘U heeft gelijk, geleerde oudste’, zei Epimenides met een zeldzame glimlach. ‘Er is een manier. Graveer eenvoudig de woorden agnosto theo – aan een onbekende god – op de zijkant van ieder altaar. Meer is niet nodig.’
De Atheners graveerden de woorden die hun Kretense raadgever hen had geadviseerd op de altaren. Toen offerden ze elk ‘opgedragen’ schaap op het altaar dat de plek aangaf waar dat schaap had gerust. De nacht brak aan. De volgende dag, bij het aanbreken van de dageraad, was de dodelijke greep waarmee de plaag de stad vast had, al wat verslapt. Binnen een week waren de getroffenen weer beter. Athene vloeide over van lof aan de ‘onbekende god’ van Epimenides en aan Epimenides zelf, voor het geven van zulk een wonderbaarlijke hulp op zulk een vindingrijke manier. Dankbare burgers plaatsten bloemenslingers rond de slordige groep bescheiden altaren op de zijde van de Marsheuvel. Later sneden ze een beeld van Epimenides in een zittende positie en plaatsten het voor een van hun tempels.²
Echter, de tijd ging voorbij, en de mensen van Athene begonnen de genade die de ‘onbekende god’ van Epimenides hen had geschonken, te vergeten. Op de lange duur verwaarloosden ze Zijn altaren op de helling onder de Marsheuvel. Ze keerden terug tot het aanbidden van de enkele honderden goden, die hulpeloos waren gebleken om de vloek van hun stad te verwijderen. Vandalen verwoestten sommige altaren en braken stenen van anderen los. Gras en mos verdrongen de overblijfselen, tot… Op een dag stonden twee oudsten, die zich de betekenis van de altaren konden herinneren, stil tussen de resten, op weg van de raad naar huis. Leunende op hun staf, staarden ze droevig naar de met kruipers bedekte relieken. Een van de oudsten verwijderde een stuk mos en las de oude inscriptie die eronder verborgen zat: ‘Agnosto theo, Demas, weet je nog?’
‘Hoe zou ik het kunnen vergeten?’ antwoordde Demas. ‘Ik was het juniorlid van de raad die de hele nacht opbleef om ervoor te zorgen dat de kudde, de stenen, de metselkalk en de steenhouwers allemaal gereed zouden zijn bij zonsopgang!’
‘En ik’, zei de andere oudste, ‘was dat overenthousiaste juniorlid dat opperde dat op elk altaar de naam van de één of andere god gegraveerd moest staan! Wat dwaas van me!’
De spreker stopte even, diep in gedachten. Toen voegde hij eraantoe: ‘Demas, misschien zul je me wel een heiligschenner vinden, maar ik kan het gevoel niet onderdrukken dat als de ‘onbekende god’ van Epimenides zich maar openlijk aan ons zou openbaren, alle anderen snel overbodig zouden worden!’ De bebaarde oudste zwaaide zijn staf met milde minachting richting rij-achter-rij met doofstomme afgodsbeelden. Er waren er nu meer dan ooit, die langs de top van de acropolis stonden.
‘Als Hij ervoor kiest zich ooit te openbaren’, zei Demas bedachtzaam, ‘hoe zal ons volk dan weten dat Hij geen vreemdeling is, maar een God die al eens eerder deelgenomen heeft in zaken aangaande onze stad?’
‘Ik denk dat er maar één manier is’, antwoordde de eerste oudste, ‘We moeten trachten om tenminste een van deze altaren te conserveren als bewijs voor het nageslacht. En het verhaal van Epimenides moet op de één of andere manier in leven gehouden worden onder onze overleveringen.’
‘Een goed idee!’ Demas straalde. ‘Kijk! Dit altaar is nog in redelijk goede conditie. We zullen steenhouwers inhuren om het weer in goede staat te brengen. En morgen zullen we de hele raad herinneren aan die overwinning op de plaag van lang geleden. We zullen ervoor zorgen dat een motie zal worden aangenomen die de stad verantwoordelijk zal stellen voor het onderhoud van tenminste dit altaar!’
De twee oudsten schudden elkaar de hand in overeenstemming. Toen strompelden ze arm in arm het pad af naar beneden, en lieten hun twee staffen in triomf tegen de stenen van de Marsheuvel aanklikken.

Het voorafgaande is hoofdzakelijk gebaseerd op een overlevering die als geschiedenis is vastgelegd door Diogenes Laertius, een Griekse auteur uit de derde eeuw na Christus, in een klassiek werk genaamd The Lives of Eminent Philosophers (vol. 1, p. 110). De basiselementen in het verslag van Diogenes zijn: Epimenides, een Kretense held, reageerde op een verzoek van Athene dat hem werd bezorgd door een man genaamd Nicias, waarin hem werd gevraagd om de stad Athene te adviseren aangaande de kwestie van een plaag.
Toen hij in Athene arriveerde, verwierf Epimenides een kudde zwarte en witte schapen, liet ze vrij op de Marsheuvel, en droeg verscheidene mannen op om de schapen te volgen en de plaatsen te markeren waar ze eventueel zouden gaan liggen.
Blijkbaar was het doel van Epimenides om welke god ook die zich betrokken voelde in de zaak, een gelegenheid te geven zijn gewilligheid om te helpen te openbaren, door ervoor te zorgen dat de schapen die hem behaagden, zouden gaan liggen om te rusten, als teken dat hij die schapen zou accepteren als zij aan hem geofferd zouden worden. Aangezien het helemaal niet ongebruikelijk zou zijn om schapen te zien rusten, behalve tijdens hun gebruikelijke graasperioden, voerde Epimenides zijn experiment vermoedelijk vroeg in de morgen uit, een tijdstip waarop schapen de meeste honger hebben.
Een aantal schapen gingen liggen om te rusten, en die werden door de Atheners geofferd, op altaren zonder naam, die speciaal voor dit doel gebouwd waren. Aldus kwam er een einde aan de plaag die de stad had geteisterd.
Lezers van het Oude Testament zullen zich herinneren dat een held genaamd Gideon, die de wil van God wilde weten, ‘een vlies uitlegde.’ Epimenides ging nog een stap verder dan Gideon – hij legde een hele kudde uit!
Volgens een gedeelte in Plato’s De Wetten, profeteerde Epimenides gedurende diezelfde tijd ook dat tien jaar later een Perzisch leger tegen Athene op zou trekken. Hij verzekerde de Atheners echter dat hun Perzische vijanden ‘terug zouden keren, hun hoop de grond ingeboord, nadat ze meer ellende hadden ondergaan dan toegebracht.’ Deze profetie ging in vervulling. De raad bood Epimenides een talent munten aan, maar hij weigerde betaling te accepteren. ‘De enige beloning die ik wens’, zei hij, ‘is dat we hier en nu een vriendschapsverdrag instellen tussen Athene en Knossos.’ De Atheners stemden daarmee in. Ze bekrachtigden een verdrag met Knossos en zorgden vervolgens voor een veilig transport terug naar zijn eiland.
(In ditzelfde gedeelte brengt Plato hulde aan Epimenides als ‘die geïnspireerde man’, en rekent hem aan als een van de grote mannen die de mensheid heeft geholpen om uitvindingen te herontdekken die verloren gegaan waren tijdens ‘De Grote Vloed.’) Andere details in dit verslag aangaande de reden van de vloek komen uit een voetnoot van een redacteur betreffende Retorica, boek 3, 17:10 door Aristoteles, gevonden in de Loeb Klassieke Bibliotheek, vertaald door J.H Freese en uitgegeven in Cambridge, Massachusetts. De uitleg dat niemand anders dan het Pythian orakel de Atheners instrueerde om Epimenides te raadplegen, wordt gevonden in de eerder genoemde verwijzing uit De Wetten door Plato.
Diogenes Laertius zelf vermeldt niet dat de woorden agnosto theo op de altaren van Epimenides gegraveerd stonden. Hij verklaart alleen dat ‘men altaren kan vinden op verschillende delen van Attica waar geen naam op gegraveerd staat, en die gedenktekens van deze verzoening zijn.’
Er zijn echter twee schrijvers uit de oudheid – Pausanius in zijn Description of Greece (vol. 1, 1:4) en Philostratus in zijn Appolonius of Tyana – die naar ‘altaren aan een onbekende god’ verwijzen, waaruit blijkt dat er een inscriptie van dien aard op was gegraveerd.
Dat zulk een inscriptie gegraveerd stond op tenminste één altaar in Athene, wordt bevestigd door een eerste-eeuwse geschiedschrijver, genaamd Lucas. Als hij de avonturen van Paulus, de beroemde christen-apostel, beschrijft, vertelt Lucas over een confrontatie die op een indrukwekkende manier belicht wordt door het voorafgaande verhaal van Epimenides:

‘En terwijl Paulus te Athene … wachtte’, begon Lucas, ‘werd zijn geest in hem geprikkeld, toen hij zag, dat de stad zo vol afgodsbeelden was’ (Hand. 17:16).
Athene beroemde zich erop enkele honderden goden te hebben in de tijd van Epimenides, maar er waren er wellicht honderden meer in de tijd van Paulus. Afgoderij heeft van nature een ingebouwde ‘inflatiefactor.’ Als mensen de enige alwetende, almachtige en alomtegenwoordige God eenmaal afwijzen ten gunste van mindere godheden, ontdekken ze uiteindelijk – tot hun frustratie – dat je een oneindig aantal mindere godheden nodig hebt om de schoenen van de ware God te vullen!
Toen Paulus zag hoe de inwoners van Athene het heilige voorrecht te aanbidden onteerden door zich aan louter hout en steen te vergrijpen, werd hij overvallen door afgrijzen. Hij ondernam onmiddellijk actie. Het eerste wat hij deed: ‘Hij hield daarom in de synagoge samensprekingen met de Joden en met hen, die God vereerden’ (Hand. 17:17).
Niet dat Joden en God-vererende Grieken degenen waren die de afgoden dienden! Helemaal niet. Zij waren echter diegenen die de grootste verantwoordelijkheid droegen om zich tegen de alomheersende afgoderij in hun stad te verzetten.
Misschien zag Paulus dat ze zo gewend waren aan de afgoderijtaferelen, dat ze er niet langer een overredend offensief tegen konden ontketenen. In elk geval ging Paulus zelf in de aanval. Hij hield ook samensprekingen, zegt Lucas, ‘op de markt dagelijks met hen, die hij er aantrof’ (Hand. 17:17).
Wie trof hij daar aan? En hoe reageerden ze? Lucas vertelt: ‘En ook enige van de Epikureïsche en Stoïcijnse wijsgeren twistten met hem en sommigen zeiden: Wat zou die betweter willen beweren?’
Zelfs een apostel kan moeilijkheden ervaren wanneer verschillende culturen in communicatie elkaars pad kruisen!
‘Maar anderen: Hij schijnt een verkondiger van vreemde goden te zijn’ (Hand. 17:18).
Waarom deze laatste opmerking? Ongetwijfeld hoorden de filosofen Paulus spreken over Theos – God. Theos was een term die hen bekend was. Zij gebruikten het echter over het algemeen niet als een persoonlijke naam, maar als een algemene term voor elke godheid – net als het woord ‘man’ in het Nederlands elke man betekent en niet kan worden beschouwd als een persoonlijke naam voor één specifieke man.
De filosofen moeten echter geweten hebben dat Xenophanes, Plato en Aristoteles – drie grote filosofen – Theos in hun werken gebruikten als een persoonlijke naam voor één Hoogste God (zie bijvoorbeeld Encyclopaedia Britannica, 15e ed., vol.13, p. 951 en vol.14, p. 538).
Twee eeuwen na de tijd van Plato en Aristoteles worstelden vertalers van de Septuagint – de eerste Griekse versie van het Oude Testament – met een groot probleem: Kon een geschikt equivalent voor de Hebreeuwse naam voor God, Elohim, gevonden worden in de Griekse taal? Ze wezen de naam Zeus af. Hoewel Zeus ‘koning der goden’ genoemd werd, hadden heidense theologen ervoor gekozen om Zeus tot een nakomeling van twee andere goden, Cronus en Rhea, te maken. Een nakomeling van andere wezens kan niet gelijk zijn aan Elohim, die niet geschapen is. Uiteindelijk erkenden de vertalers het incidentele gebruik van Theos door de drie bovengenoemde filosofen als een persoonlijke Griekse naam voor de Almachtige. Theos, gebruikt op deze speciale manier, was een naam die nog altijd onaangetast was door een overvloed van vergissingen. Ze namen de naam over. Dus nam Paulus de naam Theos ook over voor zijn preken en geschriften in het Nieuwe Testament!
Daarom is het mogelijk dat het niet Theos was, maar de onbekende naam Jezus, die de filosofen het idee gaf dat Paulus ‘een verkondiger van vreemde goden’ was. Misschien waren ze ook wel zeer verbaasd dat iemand nóg een god naar Athene, de godenhoofdstad van de wereld, zou willen brengen! Atheners hadden per slot van rekening een Gouden Gids nodig om de vele godheden die reeds in hun stad vertegenwoordigd waren in het oog te houden!
Hoe reageerde Paulus op de veronderstelling dat hij bezig was overtollige vreemde goden aan te bevelen, in een stad die reeds overladen was met goden?

Jezus Christus had Paulus reeds een meesterlijke formule gegeven om te gebruiken in het omgaan met communicatieproblemen tussen verschillende culturen, zoals hier in Athene. Terwijl Hij sprak in een visioen dat zo overredend was dat het Paulus met nieuwe inzichten vulde, en zo fel dat hij er tijdelijk blind van werd, had Jezus gezegd: ‘Ik … zend [u], om hun ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht’ (Hand. 26:17-18).
De logica van Jezus was onberispelijk. Willen mensen zich van de duisternis naar het licht richten, dan moeten hun ogen eerst geopend worden om het verschil tussen duisternis en licht te zien. En wat heb je nodig om iemands ogen te openen?
Een eye-opener!
Maar waar kon Paulus - geboren als Jood, herboren als christen – een eye-opener vinden voor de waarheid over de allerhoogste God, in het afgod-geteisterde Athene? Hij kon van een religieus systeem dat totaal toegewijd was aan polytheïsme, nauwelijks verwachten dat het een erkenning zou bevatten dat monotheïsme beter is.
O, maar toen Paulus ‘door [de] stad liep en de voorwerpen [hunner] verering beschouwde’ (Hand. 17:23) vond hij iets middenin ‘het systeem’ dat niet ‘van’ het systeem was – een altaar dat aan geen enkele afgod verbonden was! Een altaar dat de merkwaardige inscriptie ‘aan een onbekende god’ droeg. Paulus onderscheidde een verschil tussen dat altaar en de afgoden. Het was zijn bondgenoot – een communicatiesleutel die waarschijnlijk op de sloten van de gedachten en harten van deze Stoïcijnse en Epikureïsche filosofen zou passen. Toen ze hem uitnodigden om zijn denkbeelden op een meer formele manier te presenteren, in een omgeving die beter zou bijdragen tot een beredeneerde discussie dan de markt, was Paulus er klaar voor.
Paulus’ plaats van verhoor was een bijeenkomst van ‘De Areopagus’, dat wil zeggen Het Genootschap van de Marsheuvel – een groep vooraanstaande Atheners, die op de Marsheuvel bijeenkwam om kwesties aangaande geschiedenis, filosofie of religie te bespreken. Deze heuvel was dezelfde plaats waar Epimenides zes eeuwen eerder ooit geworsteld had met het probleem van een dodelijke epidemie in Athene.
Paulus had zijn toespraak op de Marsheuvel eenvoudig kunnen beginnen door het kind bij zijn naam te noemen. Hij had kunnen zeggen: ‘Mannen van Athene, met al jullie verfijnde filosofieën keuren jullie afgoderij nog steed goed en brengen het zelfs in de praktijk! Bekeert u of u zult ten onder gaan!’ En elk woord zou zeker waar geweest zijn!
Verder zou hij geprobeerd kunnen hebben om ‘hun ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht’, zoals Jezus hem had bevolen. Maar dat zou net zoiets zijn als een slagman die de bal wegslaat en recht naar het tweede honk rent. Je moet eerst naar het eerste honk toe! Daarom voegde Jezus het bevel hun de ‘ogen te openen’ toe als eerste vereiste om mensen ‘uit de duisternis tot het licht’ te bekeren.
Paulus ‘rende naar het eerste honk’ met de volgende woorden: ‘Mannen van Athene, ik zie voor mijn ogen, dat gij in elk opzicht buitengewoon ontzag voor godheden hebt [wat een opmerkelijke terughoudendheid, als je beschouwt wat een afschuw Paulus had van afgoderij]; want toen ik door uw stad liep en de voorwerpen uwer verering aanschouwde, heb ik ook een altaar gevonden met het opschrift: AAN EEN ONBEKENDE GOD.’
Toen sprak Paulus een verklaring uit die zes eeuwen gewacht had om geuit te worden: ‘Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u’ (Hand. 17:22-23). Was de God die Paulus verkondigde echt een vreemde god zoals de filosofen vermoedden? Helemaal niet! Volgens de redenering van Paulus was Yahweh, de Joods-Christelijke God, aangekondigd door het altaar van Epimenides. Derhalve was Hij een God die al opgetreden had in de geschiedenis van Athene. Hij had zeker het recht om Zijn naam daar verkondigd te hebben! Maar begreep Paulus echt de historische achtergrond van dat altaar en het concept van een onbekende god? Er is bewijs dat dat het geval was! Want Epimenides kon niet alleen donkere problemen helpen verlichten in relaties tussen god en mensen, hij kon ook dichten! En Paulus citeerde de dichtkunst van Epimenides! Toen hij een zendeling genaamd Titus op het eiland Kreta achterliet om daar de kerken te versterken, schreef hij later instructies om hem te begeleiden in zijn omgang met de Kretenzen: ‘Iemand uit hun kring, hun eigen profeet, heeft gezegd: Leugenaars zijn de Kretenzen altijd, beesten en vadsige buiken. Dit getuigenis is waar. Daarom, weerleg hen kortweg, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof’ (Titus 1:12-13).
De woorden die Paulus citeerde komen uit een gedicht dat toegeschreven is aan Epimenides (Encyclopaedia Britannica, Micropaedia, 15de ed., vol.3, p.924). Het is opmerkelijk dat Paulus Epimenides een ‘profeet’ noemde. Het Griekse woord is propheetees, hetzelfde woord dat Paulus gewoonlijk gebruikte voor profeten uit het Oude en het Nieuwe Testament. Paulus zou Epimenides zeker niet geëerd hebben met de titel profeet, als hij geen kennis had gehad van het karakter en de daden van Epimenides! Een man die Paulus kon citeren als iemand die anderen berispte op het gebied van bepaalde slechte eigenschappen werd, als gevolg, door Paulus beoordeeld als zelf niet zichtbaar schuldig zijnde aan deze eigenschappen!
Verder verklaart Paulus in zijn toespraak op de Marsheuvel dat God ‘uit één enkele het gehele menselijke geslacht [heeft] gemaakt … opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons’ (Hand. 17:26-27). Deze woorden zijn wellicht een indirecte verwijzing naar Epimenides, als een voorbeeld van een heidense man die ‘al tastende’ een God vond die, hoewel zijn naam onbekend was, in werkelijkheid niet ver weg was!
Vermoedelijk waren de leden van het Marsheuvel Genootschap ook bekend met het verhaal van Epimenides vanuit de werken van Plato, Aristoteles en anderen. Ze moeten met bewondering geluisterd hebben toen Paulus zijn toespraak begon op een manier die zijn gewaarwording van een ‘culturen-kruising’ liet blijken. Maar kon deze christen-apostel, die gestudeerd had onder Gamaliël, de Joodse geleerde, de aandacht van deze mannen, die grootgebracht waren met de logica van Plato en Aristoteles, lang genoeg vasthouden om het evangelie aan hen over te brengen?
Na zijn buitengewone aanhef zou het succes van Paulus tijdens het belangrijkste gedeelte van zijn toespraak afhangen van één ding. Je zou het ‘hiaatloze logica’ kunnen noemen. Zolang elke achtereenvolgende verklaring die Paulus opperde de voorafgaande verklaringen logischerwijs opvolgde, zouden de filosofen luisteren. Zodra er een hiaat in zijn redenering zat, zouden de filosofen hem direct in de rede vallen! Het was een regel uit de filosofische opleiding die ze hadden genoten – een discipline die ze zichzelf oplegden en zonder bezwaar als een vereiste stelden voor elke vreemdeling die claimde een leerstelling te hebben die hun aandacht waard was.
Zou de evangelieverkondiging van Paulus door dit kritische onderzoek heen kunnen komen?
Gedurende enige minuten verging het Paulus zeker goed. Beginnende met het getuigenis van het altaar van Epimenides, ging Paulus vervolgens over op het bewijs van de schepping. Toen stapte hij van het bewijs van de schepping over naar de tegenstrijdigheid van afgoderij. Tegen die tijd had hij zichzelf omhooggewerkt naar een positie vanwaar hij Atheense afgoderij zelfs kon gelijkstellen met ‘onwetendheid’ zonder zijn publiek te verliezen. Hij vervolgde zijn toespraak met te zeggen: ‘[Theos] dan verkondigt… heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft’ (Hand. 17:30-31).
Met andere woorden, nadat hij een ‘eye-opener’ had gevonden en gebruikt om naar ‘het eerste honk’ te komen, was Paulus onderweg naar ‘het tweede honk’ in gehoorzaamheid aan het tweede gebod van Jezus – hij streefde ernaar de Atheners ‘uit de duisternis tot het licht’ te keren! Daarna zei hij het volgende: ‘…waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken.’
En hier – voor de eerste keer – liet Paulus een hiaat vallen in de logica van zijn toespraak op de Marsheuvel. Hij noemde de opstanding van de man aan wie God de bevoegdheid had gegeven om de wereld te oordelen, zonder eerst uit te leggen hoe en waarom hij in de eerste plaats moest sterven.
De filosofen sprongen daar meteen bovenop – tot hun eigen geestelijke verarming. ‘Toen zij nu van een opstanding van doden hoorden, spotten sommigen, maar anderen zeiden: Wij zullen u hierover nog wel eens horen. Aldus vertrok Paulus uit hun midden’ (Hand. 17:32-33). Paulus had hun tegenstrijdigheid in het tolereren, zo niet aanmoedigen, van afgoderij reeds ontmaskerd. Dat alleen al was geen kleine prestatie te midden van een groep mannen die er trots op waren consequent te zijn in hun redeneringen! Als filosofen die de waarheid trachtten te verkrijgen, hadden ze er meer naar moeten streven de gevolgtrekkingen van tenminste de opmerkingen in Paulus’ aanhef te begrijpen, in plaats van aanmerkingen te maken over een daaruit volgend, technisch detail.
Echter, Paulus’ vermelding van de opstanding bracht hem niet bij iedereen in diskrediet: ‘Doch enige mannen sloten zich bij hem aan, en kwamen tot geloof, onder wie ook Dionysius, de Areopagiet’ (Hand. 17:34). Tweede-eeuwse traditie zegt dat Dionysius later de eerste bisschop van Athene werd! Zijn naam is afgeleid van de naam Dionysus – een Griekse god wiens theologie een doods- en opstandingsconcept bezat! Zou er een verbinding kunnen zijn tussen dat concept en Dionysius’ persoonlijke reactie op een man die zo onbeschaamd een opstandingsleer verkondigde?
Later wendde de apostel Johannes, die Paulus’ benadering tot de Griekse filosofische gedachtegang voortzette, een favoriete Stoïsche term – de Logos – aan als een benaming voor Jezus Christus. Een Griekse filosoof, genaamd Heraclitus begon de term Logos te gebruiken rond 600 voor Christus om de goddelijke drijfveer of het plan dat een veranderend universum coördineert, aan te duiden. Logos betekent simpelweg ‘woord’. Joden, van hun kant, legden de nadruk op de memra (Aramees voor ‘woord’) van de Heer. Johannes zag het Griekse logos en het Joodse memra als twee woorden die in wezen dezelfde gefundeerde, theologische waarheid omschreven. Hij wees naar Jezus Christus als de vervulling van beiden toen hij schreef: ‘In den beginne was het [Logos] en het [Logos] was bij [Theos] en het [Logos] was [Theos] … Het [Logos] is vlees geworden, en het heeft onder ons gewoond’ (Joh. 1:1-14).
Met het naast elkaar plaatsen van beide belangrijke Griekse termen – Theos en Logos – in betrekking tot Elohim en Jezus Christus, vervulde het christendom een gefundeerde leer van de Griekse filosofie, inplaats van het te vernielen!
In feite werden zulke termen en concepten door christelijke zendelingen onder de Grieken duidelijk gezien als door God beschikt om het Griekse denken voor te bereiden op het evangelie! Ze merkten dat deze toevallige, Griekse filosofische termen net zo gefundeerd waren als messiaanse metaforen uit het Oude Testament zoals ‘Lam van God’ en ‘De Leeuw van de stam van Juda’. En beiden gebruikten de term-combinatie met gelijke vrijheid om de Persoon van Jezus Christus in de respectieve context van de Joodse én Griekse cultuur te plaatsen.

Recensies uit de krant
12-2-2002Herstel
31-10-2002Stichting Nederlandse bilbiotheekdienst
1-2-2003Frontaal
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584